id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090619.3 Rolnummer: C.08.0362.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-07-07 Raadplegingen: 586 - laatst gezien 2026-07-02 22:45 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090619.3 Fiche 1 De verzekeraar die in de polis een beding als bedoeld in artikel 25.3, b), van de Modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverekering inzake motorvoertuigen opneemt, beschikt op contractuele grondslag over een recht van verhaal wanneer de voorwaarden hiertoe vervuld zijn, zonder dat vereist is dat er een oorzakelijk verband wordt aangetoond tussen het ongeval en het verzuim om te voldoen aan de Belgische wet en reglementen om een motorrijtuig te besturen; hieraan wordt geen afbreuk gedaan door artikel 11 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst krachtens hetwelk in de verzekeringsovereenkomst geen geheel of gedeeltelijk verval van het recht op de verzekeringstussenkomst mag bedongen worden wegens niet nakoming van een bepaalde in de overeenkomst opgelegde verplichting, nu het verhaal van artikel 25.3, b), van de Modelovereenkomst niet steunt op een door de verzekeringsovereenkomst opgelegde verplichting,maar op de miskenning van een wettelijke verplichting
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen Vrije woorden: Modelovereenkomst verplichte aansprakelijkheidsverzekering motorvoertuigen - Beding - Ongeval zonder te voldoen aan de Belgische wet - Verhaal van de verzekeraar - Grondslag Wettelijke bepalingen: Wet - 25-06-1992 - Art. 88, eerste lid Koninklijk Besluit - 14-12-1992 - Art. 25.3,
- b)Fiche 2 Conclusie van advocaat-generaal m.o. VAN INGELGEM. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen Vrije woorden: Modelovereenkomst verplichte aansprakelijkheidsverzekering motorvoertuigen - Beding - Ongeval zonder te voldoen aan de Belgische wet - Verhaal van de verzekeraar - Grondslag Annotaties Publicaties: T.B.H. - VAN SCHOUBROECK Caroline - 2010/1 - p. 66-74 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.08.0362.N O. W. R., eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 25, die woonplaats kiest bij gerechtsdeurwaarder Georges Courboin, met kantoor te 2018 Antwerpen, Broederminstraat 40, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 19 februari 2008 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 19, in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan bij een wet van 8 juni 2007, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen; - artikel 1, van het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de Modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen; - de artikelen 1, inzonderheid eerste lid, 3,1°, 24 en 25, inzonderheid 3°, b), van de als bijlage bij het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de Modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen gevoegde modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen en de artikelen 1 en 2, van dat koninklijk besluit; - de artikelen 2,§1, 3, 11, 88 en, voor zoveel als nodig, artikel 77, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing verklaart de rechtbank van eerste aanleg het hoger beroep van de verweerster en haar oorspronkelijke vordering tegen de eiser gesteund op een verhaalsrecht toelaatbaar en in bepaalde mate gegrond. De rechtbank van eerste aanleg veroordeelt de eiser tot betaling aan de verweerster van een provisie van 3.677,90 euro en een provisie van 16.807,18 euro, beide bedragen te vermeerderen met de interest. De rechtbank beslist dat, na te hebben vastgesteld dat de eiser op het ogenblik van de feiten Nigeriaanse rijbewijzen bezat en te hebben geoordeeld dat daarmee geen rekening kan worden gehouden, op grond van alle motieven waarop de beslissing steunt, die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen, en onder meer op de volgende overwegingen: "e. Er is geen oorzakelijk verband vereist tussen het sturen zonder rijbewijs en de aan-rijding. Het recht van verhaal wordt immers door de verzekeringsovereenkomst bepaald (...) en voormeld artikel 25,3°,
- b)(van de verzekeringsovereenkomst, zoals overgenomen uit de Modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen) voorziet die voorwaarde niet. f. Artikel 11 van de wet landverzekeringsovereenkomst is ook niet van toepassing. Deze bepaling heeft namelijk betrekking op het verval van recht, niet op het recht van verhaal. Dit laatste wordt integendeel geregeld door artikel 88, van de wet". Grieven 1.1. De wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, hieronder afgekort als wet landverzekeringsovereenkomst, is luidens zijn artikel 2, §1, van toepassing op alle landverzekeringen voor zover er niet wordt van afgeweken door bijzondere wetten. Luidens zijn artikel 3 zijn de bepalingen van de wet landverzekeringsovereenkomst van dwingend recht, tenzij uit de bewoordingen zelf blijkt dat de mogelijkheid wordt gelaten ervan af te wijken door bijzondere regelingen. Krachtens artikel 11 van de wet landverzekeringsovereenkomst mag in de verzekerings-overeenkomst geen geheel of gedeeltelijk verval van recht op verzekeringsprestaties worden bedongen dan wegens niet-nakoming van een bepaalde, in de overeenkomst opgelegde verplichting, en mits een oorzakelijk verband bestaat tussen de tekortkoming en het schadegeval. Artikel 77 van de wet landverzekeringsovereenkomst verklaart hoofdstuk III van titel II, zijnde de artikelen 77 tot 89, van die wet van toepassing op de verzekeringsovereenkomsten die ertoe strekken de verzekerde dekking te geven tegen alle vorderingen tot vergoeding wegens het voorvallen van de schade die in de overeenkomst is beschreven en zijn vermogen binnen de grenzen van de dekking te vrijwaren tegen alle schulden uit een vaststaande aansprakelijkheid. Met toepassing van artikel 88, eerste lid, van de wet landverzekeringsovereenkomst, kan de verzekeraar zich, voor zover hij volgens de wet op de verzekeringsovereenkomst de prestaties had kunnen weigeren of verminderen, een recht van verhaal voorbehouden tegen de verzekeringsnemer en, indien daartoe grond bestaat, tegen de verzekerde die niet de verzekeringsnemer is. Het gebeurlijke recht van verhaal van de verzekeraar op de verzekeringsnemer of de verzekerde is te beschouwen als een vorm van verval van recht op verzekeringsprestaties. Het verhaalsrecht kan immers maar bestaan in de mate dat de verzekeraar volgens de wet landverzekeringsovereenkomst de prestaties had kunnen weigeren of verminderen. Uit de voornoemde bepalingen volgt derhalve dat het verhaalsrecht van de verzekeraar maar rechtsgeldig kan worden bedongen wegens de niet-nakoming van een bepaalde, in de overeenkomst opgelegde verplichting en mits een oorzakelijk verband bestaat tussen de tekortkoming en het schadegeval. 1.2. Luidens artikel 19, in de versie die in deze zaak van toepassing is, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen zijn de verzekeringsondernemingen voor het vaststellen en toepassen van hun tarieven en voorwaarden alsook van alle documenten die betrekking hebben op het sluiten en het uitvoeren van de verzekeringscontracten, gehouden zich te gedragen naar de regels die krachtens deze wet door de Koning worden vastgesteld. Betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen heeft de Koning bij koninklijk besluit van 14 december 1992 een modelovereenkomst opgesteld. Luidens artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de Modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen moeten de overeenkomsten betreffende de verplichte aansprakelijkheids-verzekering inzake motorrijtuigen beantwoorden aan bepalingen van de bij het besluit gevoegde modelovereenkomst en kan daarvan worden afgeweken ten gunste van de verzekeringsnemer, van de verzekerde of van elke derde die bij de uitvoering van de overeenkomst betrokken is, zonder evenwel afbreuk te doen aan de dwingende bepalingen van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst. Krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 14 december 1992 zijn de verzekeringsondernemingen ertoe gehouden de bepalingen van dat besluit toe te passen op de onderschreven overeenkomsten. Met de als bijlage bij het koninklijk besluit van 14 december 1992 gevoegde modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, hieronder afgekort als Modelovereenkomst, dekt de verzekerings-onderneming overeenkomstig de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen en onder de in de Modelovereenkomst bepaalde voorwaarden, de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de verzekerden als gevolg van een door het omschreven rijtuig in België veroorzaakt ongeval, aldus artikel 1, eerste lid, van de Modelovereenkomst. Luidens artikel 3, 1°, van de Modelovereenkomst wordt ook de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van iedere bestuurder van het omschreven rijtuig gedekt. Op grond van artikel 24 van de Modelovereenkomst heeft de verzekeringsmaatschappij, wanneer zij gehouden is ten aanzien van de benadeelden, behoudens iedere andere mogelijke vordering waarover zij beschikt, een recht van verhaal in de gevallen en op de personen bepaald in artikel 25. Zo heeft de verzekeringsmaatschappij krachtens artikel 25,3°, b), van de Modelovereen-komst een recht van verhaal op de verzekeringsnemer en, indien daartoe grond bestaat, op de verzekerde die niet de verzekeringsnemer is, wanneer, op het ogenblik van het schadegeval, het rijtuig wordt bestuurd door een persoon die niet voldoet aan de voorwaarden die de Belgische wet en reglementen voorschrijven om dat rijtuig te besturen, bv. door een persoon die geen rijbewijs heeft. 1.3. De bepalingen van de wet landverzekeringsovereenkomst en van de Modelovereenkomst moeten samen worden gelezen en toegepast. Daaruit volgt dat de verzekeraar die met toepassing van artikel 25,3°, b), van de Modelovereenkomst een recht van verhaal wenst uit te oefenen op de verzekerde omdat de laatstgenoemde op het ogenblik van het schadegeval het rijtuig bestuurde zonder te voldoen aan de voorwaarden die de Belgische wet en reglementen voorschrijven om dat rijtuig te besturen, moet aantonen dat een oorzakelijk verband bestaat tussen de tekortkoming en het schadegeval, zoals bepaald in artikel 11 van de wet land-verzekeringsovereenkomst. 2. Uit de vaststellingen van het vonnis van de Politierechtbank te Antwerpen van 3 februari 2006 blijkt dat de eiser op 23 juli 1996 als bestuurder van een mortorvoertuig, waarvan de verweerster de burgerlijke aansprakelijkheidsverzekeraar was, onopzettelijke slagen en verwondingen toebracht aan P.V. . In het tussenvonnis van 24 oktober 2007 stelt de rechtbank van eerste aanleg vast dat het geschil tussen de partijen de terugvordering betreft door de verweerster van de uitgaven die zij heeft gedaan naar aanleiding van een aanrijding waarvoor de eiser aansprakelijk werd gesteld, dit is de aanrijding op 23 juli 1996. Uit dat tussenvonnis blijkt voorts dat de verweerster zich voor haar verhaalsrecht steunt op de artikelen 24 en 25,3°, b), van de verzekeringsovereenkomst, bepalingen die zijn overgenomen uit de Modelovereenkomst. Na in het bestreden eindvonnis te hebben vastgesteld dat geen rekening kan worden gehouden met de Nigeriaanse rijbewijzen van de eiser, overweegt de rechtbank van eerste aanleg dat: - geen oorzakelijk verband vereist is tussen het sturen zonder rijbewijs en de aanrijding; - het recht van verhaal immers wordt bepaald door de verzekeringsovereenkomst en artikel 25,3°, b), van de verzekeringsovereenkomst, zoals overgenomen uit de Modelovereenkomst, niet in die voorwaarde voorziet; - artikel 11, van de wet landverzekeringsovereenkomst ook niet van toepassing is aangezien die bepaling betrekking heeft op het verval van recht en niet op het recht van verhaal dat wordt geregeld door artikel 88 van die wet (blad 3, punt f.). Aangezien uit de hierboven onder 1.1. en 1.2. vermelde wettelijke bepalingen volgt dat de verzekeraar die een verhaalsrecht uitoefent met toepassing van artikel 25,3°, b), van de Modelovereenkomst overeenkomstig artikel 11 van de wet landverzekeringsovereenkomst, het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de tekortkoming en het schadegeval moet bewijzen, beslist de rechtbank niet wettig dat geen oorzakelijk verband vereist is tussen het sturen zonder rijbewijs en de aanrijding (schending van alle in de aanhef van het middel opgesomde wettelijke bepalingen). Evenmin beslist de rechtbank wettig dat artikel 11 van de wet landverzekerings-overeenkomst, bepaling die van dwingend recht is, niet van toepassing is op het verhaalsrecht van de verzekeringsmaatschappij: de uitoefening van een verhaalsrecht leidt immers tot een verval van recht (schending van de artikelen 2,§1, 3, 11 en 88, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomsten). Ook wanneer het Hof van oordeel zou zijn dat de rechtbank van eerste aanleg zich enkel steunt op de verzekeringsovereenkomst die de partijen bindt (en niet op de bepalingen van de Modelovereenkomst), is de beslissing dus niet naar recht verantwoord. Artikel 11 van de wet landverzekeringsovereenkomst is immers van dwingend recht en uit geen enkele vaststelling of overweging van de rechtbank van eerste aanleg blijkt of volgt dat de eiser daarvan afstand heeft gedaan. Conclusie De rechtbank van eerste aanleg beslist niet wettig dat voor het verhaalsrecht van de ver-weerster geen oorzakelijk verband vereist is tussen het sturen zonder rijbewijs en de aanrijding (schending van de artikelen 19, in de versie zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij een wet van 8 juni 2007, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, de artikelen 1, 3,1°, 24 en 25, inzonderheid 3°, b), van de als bijlage bij het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen gevoegde modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen alsook de artikelen 1 en 2 van dat koninklijk besluit en de artikelen 2,§1, 3, 11, 88 en 77, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst). Ook beslist de rechtbank niet wettig dat artikel 11 van de wet landverzekeringsovereenkomst niet van toepassing is (schending van de artikelen 2, §1, 3, 11 en 88, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomsten). De rechtbank van eerste aanleg verklaart de vordering van de verweerster gesteund op een verhaalsrecht dan ook niet wettig gegrond. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 10, 11 en 159, van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - artikel 25, van de als bijlage bij het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de Modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen gevoegde modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen en de artikelen 1 en 2, van dat koninklijk besluit. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing verklaart de rechtbank van eerste aanleg het hoger beroep van de verweerster en haar oorspronkelijke vordering tegen de eiser toelaatbaar en in bepaalde mate gegrond. De rechtbank van eerste aanleg veroordeelt de eiser tot betaling aan de verweerster van een provisie van 3.677,90 euro en een provisie van 16.807,18 euro, beide bedragen te vermeerderen met de interest. De rechtbank beslist dat, na te hebben vastgesteld dat de eiser op het ogenblik van de feiten Nigeriaanse rijbewijzen bezat en te hebben geoordeeld dat daarmee geen rekening kan worden gehouden, op grond van alle motieven waarop de beslissing steunt, die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen, en onder meer op de volgende overwegingen: "g. Voormeld artikel 25,3°, b), (van de Modelovereenkomst) is evenmin in strijd met de artikelen 10 en 11, van de Grondwet. Weliswaar heeft de wetgever een mogelijk recht van verhaal voorzien in geval van dronkenschap, waarbij er dan een oorzakelijk verband moet bestaan tussen de dronkenschap en de aanrijding, en heeft hij ook een mogelijk recht van verhaal voorzien in geval van het sturen zonder geldig rijbewijs en de aanrijding, maar dit geldt op dezelfde manier voor iedereen". Grieven 1. Op grond van artikel 25 van de als bijlage bij het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheids-verzekering inzake motorrijtuigen gevoegde modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, hieronder afgekort als Modelovereenkomst, door de verzekeringsondernemingen op de overeenkomsten toe te passen krachtens de artikelen 1 en 2, van het voornoemde koninklijk besluit, heeft de verzekeraar een recht van verhaal: - op de verzekerde, dader van het ongeval, die het schadegeval veroorzaakt heeft door het rijden in staat van dronkenschap (artikel 25,2°, b)); - op de verzekeringsnemer en, indien daartoe grond bestaat, op de verzekerde die niet de verzekeringsnemer is, wanneer, op het ogenblik van het schadegeval, het rijtuig bestuurd wordt door een persoon die niet voldoet aan de voorwaarden die de Belgische wet en reglementen voorschrijven om dat rijtuig te besturen, bv. door een persoon die geen rijbewijs heeft (artikel 25,3°, b)). 1.2. Krachtens artikel 159 van de Grondwet, mogen de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten maar toepassen in zoverre zij met de wetten overeenstemmen. Op grond van die bepaling heeft ieder met eigenlijke rechtspraak belast orgaan de bevoegdheid en de plicht de besluiten die het toepast op hun wettigheid te toetsen. Artikel 10 van de Grondwet bepaalt dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet en artikel 11 van de Grondwet bepaalt dat het genot van de rechten en vrijheden die aan de Belgen zijn toegekend, zonder discriminatie moet verzekerd worden. Die artikelen houden in dat eenieder die zich in dezelfde toestand bevindt, op dezelfde wijze moet worden behandeld. Zij sluiten weliswaar niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, maar enkel voor zover voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met betrekking tot het doel en de gevolgen van de maatregel. Wanneer vaststaat dat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel geen redelijk verband van evenredigheid bestaat, is het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel geschonden. 2. De eiser voerde in regelmatig aan de rechtbank van eerste aanleg voorgelegde conclusies aan dat, indien geen bewijs van een oorzakelijk verband tussen de tekortkoming en het schadegeval vereist is voor de uitoefening van het verhaalsrecht door de verzekeraar op grond van artikel 25,3°, b), van de Modelovereenkomst, die bepaling in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van discriminatie, "zoals de eerste rechter terecht stelde". In het in deze zaak gewezen vonnis van 3 februari 2006, stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, oordeelde de Politierechtbank te Antwerpen: "Artikel 25,3°,
- b)is bovendien in strijd met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verankerd in de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 daar waar voor de regresvordering van de verzekeraar de vraag naar het oorzakelijk verband tussen het schadegeval en de aan de verzekerde verweten fout ingeval van dronkenschap of grove fout dient onderzocht te worden, terwijl in geval van ontstentenis van rijbewijs niet vereist wordt dat een dergelijk oorzakelijk verband (of de aan de verzekerde geboden mogelijk(heid) om de ontstentenis van oorzakelijk verband te bewijzen) wordt aangetoond, waarbij het verhaal van de verzekeraar onvoorwaardelijk wordt gemaakt." In het bestreden vonnis beslist de rechtbank van eerste aanleg dat artikel 25,3°, b), van de verzekeringsovereenkomst, zoals overgenomen uit de Modelovereenkomst, niet in strijd is met de artikelen 10 en 11, van de gecoördineerde Grondwet aangezien het recht van verhaal in geval van dronkenschap waarbij wel een oorzakelijk verband moet worden bewezen tussen de dronkenschap en de aanrijding en het recht van verhaal in geval van het sturen zonder geldig rijbewijs waarbij geen oorzakelijk verband moet worden bewezen tussen het sturen zonder geldig rijbewijs en de aanrijding, op dezelfde manier geldt voor iedereen. Op grond van de voornoemde overwegingen verantwoordt de rechtbank zijn beslissing dat artikel 25,3°, b), van de Modelovereenkomst niet strijdig is met de artikelen 10 en 11, van de Grondwet niet naar recht. De rechtbank gaat immers niet na of en stelt niet vast dat de bestuurders die een schadegeval veroorzaken door het rijden in staat van dronkenschap en de bestuurders die op het ogenblik van het schadegeval een rijtuig besturen zonder een door de Belgische wet voorgeschreven rijbewijs te hebben al dan niet vergelijkbare categorieën zijn, noch of voor het op het vlak van het oorzakelijk verband tussen de voornoemde fouten en het schadegeval volgens de rechtbank van eerste aanleg gemaakte onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De rechtbank van eerste aanleg gaat m.a.w. niet na of het door de eiser op regelmatige wijze aangevoerde onderscheid in behandeling verenigbaar is met de vereisten van de artikelen 10 en 11, van de gecoördineerde Grondwet. Dat wettigheidstoezicht is immers niet beperkt tot het op dezelfde manier gelden van het verschil in behandeling voor iedereen. Conclusie De rechtbank van eerste aanleg oordeelt niet wettig dat artikel 25,3°, b), van de Modelovereenkomst niet strijdig is met de artikelen 10 en 11, van de Grondwet (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde wettelijke bepalingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Artikel 88, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, bepaalt dat de verzekeraar, voor zover hij volgens de wet of de verzekeringsovereenkomst de prestaties had kunnen weigeren of verminderen, zich een recht van verhaal kan voorbehouden tegen de verzekeringsnemer en, indien daartoe grond bestaat, tegen de verzekerde die niet de verzekeringsnemer is. 2. Luidens artikel 25,3°, b), van de Modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorvoertuigen, zoals vastgesteld bij koninklijk besluit van 14 december 1992, heeft de verzekeraar een recht van verhaal op de verzekeringsnemer en, indien daartoe grond bestaat, op de verzekerde die niet de verzekeringsnemer is, wanneer, op het ogenblik van het schadegeval, het rijtuig wordt bestuurd door een persoon die niet voldoet aan de voorwaarden die de Belgische wet en reglementen voorschrijven om dat voertuig te besturen. 3. Wanneer de verzekeraar in de polis een dergelijk beding opneemt, beschikt hij op contractuele grondslag over een recht van verhaal wanneer de voorwaarden hiertoe vervuld zijn, zonder dat vereist is dat er een oorzakelijk verband wordt aangetoond tussen het ongeval en het verzuim om te voldoen aan de Belgische wet en reglementen om een motorrijtuig te besturen. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door artikel 11 van de voormelde wet van 25 juni 1992 krachtens hetwelk in de verzekeringsovereenkomst geen geheel of gedeeltelijk verval van het recht op de verzekeringstussenkomst mag bedongen worden wegens niet nakoming van een bepaalde in de overeenkomst opgelegde verplichting, nu het verhaal van artikel 25, 3°, b), van de Modelovereenkomst niet steunt op een door de verzekeringsovereenkomst opgelegde verplichting, maar op de miskenning van een wettelijke verplichting. 4. De appelrechters stellen vast dat: - in de verzekeringsovereenkomst tussen de partijen, een beding als bedoeld in artikel 25,3°, b), van de Modelovereenkomst werd opgenomen; - de aanrijding waarbij de eiser betrokken was, in België plaatsvond; - de eiser niet beantwoordde aan de Belgische wet en reglementen om een voertuig te besturen. 5. Door te oordelen dat de verweerster haar regresrecht kan uitoefenen zonder dat er een "oorzakelijk verband vereist (
- is)tussen het sturen zonder rijbewijs en de aanrijding", verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel 6. In zijn besluiten voor de appelrechters heeft de eiser niet aangegeven om welke redenen de verschillende behandeling m.b.t. het oorzakelijk verband tussen de regresvordering, enerzijds, in geval van sturen in staat van dronkenschap en, anderzijds, in geval van sturen zonder geldig rijbewijs, het gelijkheidsbeginsel miskent. 7. Door vast te stellen dat "de wetgever een mogelijk recht van verhaal (heeft) voorzien in geval van dronkenschap, waarbij er dan een oorzakelijk verband moet bestaan tussen de dronkenschap en de aanrijding, en ook een mogelijk recht van verhaal (heeft) voorzien in geval van het sturen zonder geldig rijbewijs, waarbij er daarentegen geen oorzakelijk verband moet bestaan tussen het sturen zonder geldig rijbewijs en de aanrijding" en vervolgens te oordelen "dat dit geldt op dezelfde manier voor iedereen", geven de appelrechters aan dat de wetgever ongelijke toestanden verschillend heeft geregeld op objectieve en redelijk verantwoorde gronden. Zodoende beantwoorden de appelrechters de conclusie van de eiser en verantwoorden zij hun beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 623,72 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 19 juni 2009 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols. J. Pafenols G. Jocqué B. Deconinck E. Stassijns E. Dirix G. Londers PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090619.3 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090619.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100607.1 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120913.3 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130301.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div