id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090622.6 Rolnummer: C.08.0414.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-08-25 Raadplegingen: 208 - laatst gezien 2026-07-02 22:42 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit artikel 3, §§ 1 en 2, 1°, van het Bosdecreet volgt dat de toepassing van de voorschriften van het Bosdecreet op een perceel niet bepaald wordt door de indeling als bosgebied in het gewestplan, maar door de feitelijke toestand van het perceel volgens de kenmerken omschreven in voormeld artikel 3; een grondoppervlak kan slechts als kaalvlakte in de zin van artikel 3, § 2, beschouwd worden mits deze voorheen met bos bezet was. Thesaurus CAS: BOSSEN UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Bossen Vrije woorden: Bosdecreet - Toepassing van de bepalingen van het Bosdecreet - Bestemming als bosgebied volgens het gewestplan - Kaalvlakte - Toepassing Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 13-06-1990 - Art. 3, §§ 1 en 2, 1° Thesaurus CAS: MILIEURECHT UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Bossen Vrije woorden: Bosdecreet - Toepassing van de bepalingen van het Bosdecreet - Bestemming als bosgebied volgens het gewestplan - Kaalvlakte - Toepassing Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 13-06-1990 - Art. 3, §§ 1 en 2, 1° Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.08.0414.N
- S. G.,
- D. D., 3.a S. G. en b.D. D., handelend in hun hoedanigheid van rechtsopvolgers van de nv Sedico,
- SEDICO, naamloze vennootschap, met zetel te 2900 Schoten, Frans Reinemundlei 6,
- FIELTJENS, C.V.A., met zetel te 2900 Schoten, Henri Engelslei 11, eisers, vertegenwoordigd door mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen
- J. C.,
- H. M.,
- V. J.,
- M. E.
- N.J.
- V.F. ,
- V.J.,
- H.M., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten, op 26 maart 2007 en 5 november 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 5 juni 2009 verwezen naar de derde kamer. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 3, in het bijzonder §2, 1, van het Decr. Vl. R. van 13 juni 1990 (Bosdecreet) (zoals van toepassing in maart 1997); - artikel 43, §3, van vermeld Decreet voor zijn wijziging bij Decr. Vl. Parl. van 7 december 2007; - artikel 90 van vermeld Decreet, meer in het bijzonder het derde lid ervan, zoals dit artikel gold in maart 1997, voordat leden één en twee van dit artikel werden opgeheven bij het Decr. Vl. Parl. van 24 december 2004; - artikel 12.4.2 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen (zoals van toepassing in maart 1997); - artikel 149 van de Grondwet. Bestreden beslissing Het bestreden tussenarrest van 26 maart 2007 beslist dat de tegenvorde¬ring van de eisers (deze in hoofdorde en in ondergeschikte orde) ongegrond is omdat eisers de beplantingen op hun percelen wederrechtelijk hebben aangebracht. Die beslissing wordt geschraagd op volgende motieven: "3.2.
- Het staat vast dat het perceel van (de eisers) in maart 1997, volgens het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 goedgekeurde gewestplan Antwerpen, gelegen was in een bosgebied. Dat het perceel in een later bijzonder plan van aanleg werd ondergebracht in landschappelijk waardevol, agrarisch gebied, doet hier niets ter zake. Het perceel was in ieder geval geen bouwgrond (wegens verval op 31.10.1973 van de in 1966 verleende verkavelingsvergunning). 3.2.
- Bij het Bosdecreet van 13 juni 1990 (zoals, ten tijde van de feiten, van toepassing) werd voorgeschreven: - in artikel 2: ‘Dit decreet heeft tot doel het behoud, de bescher¬ming, de aanleg en het beheer van de bossen te regelen. Het is van toepassing zowel op de openbare bossen als op de privé-bossen'; - in artikel 3: ‘§
- Onder de voorschriften van dit decreet vallen: de bossen, zijnde grondoppervlakten waarvan de bomen en de houtachtige struikvegeta¬ties het belangrijkste bestanddeel uitmaken, waartoe een eigen fauna en flora behoren en die één of meer functies vervullen. §
- Onder de voorschriften van dit decreet vallen eveneens:
- de kaalvlakten, voorheen met bos bezet, die tot het bos blijven behoren: Met (de verweerders) is het (hof van beroep) van oordeel dat het betrokken perceel, eigendom van (de eisers), te aanzien is als een kaalvlakte, die als dusdanig tot het bos behoort en waarop de bepalingen van het Bosdecreet van toepassing zijn. De omstandigheid dat op het perceel in kwestie, voorafgaand aan de aanplantingen die door (de eisers) werden aangebracht, geen bomen stonden, doet niets ter zake. Het betrokken perceel was volgens het geldende gewestplan mee als bosgebied ingekleurd. 3.2.
- Bij artikel 43, §3, van het Bosdecreet wordt bepaald: ‘Voor elk privé-bos van tenminste vijf hectaren wordt door de eigenaar of mede-eigenaars een beheersplan opgesteld. De beheersplannen en de wijzigingen aan de beheersplan¬nen worden goedgekeurd door het Bosbeheer'. Artikel 44 van het Bosdecreet voegt daaraan toe: ‘§
- Het Bosbeheer houdt toezicht op de correcte uitvoe¬ring van de voorschriften van het beheersplan. §
- Behoudens dringende noodzakelijkheid kan enkel van het goedgekeurde beheersplan worden afgeweken mits de voorafgaandelijke machti¬ging van het Bosbeheer, op straffe van een geldboete van zesentwintig tot honderd frank'. Het staat vast dat (de eisers) geen beheersplan hebben opgesteld met betrekking tot hun kwestieuze eigendom (de kavels 66 en 67 zijn niet opgenomen in het op 20.12.1996 door de Woudmeester goedgekeurde beheersplan). Voor de aanplantingen die zij hebben aangebracht, ontbreekt bijgevolg de vereiste goedkeu¬ring/machtiging. Maar er is meer. Bij artikel 90 van het Bosdecreet wordt voorgeschreven: ‘In alle bossen kunnen werkzaamheden, die wijzigingen van de fysische toestand voor gevolg hebben, slechts worden uitgevoerd na machtiging van de Vlaamse regering. In alle bossen kunnen werkzaamheden, die wijzigingen van de fysische toestand voor gevolg hebben, slechts worden uitgevoerd na machtiging van het Bosbeheer'. Met (de verweerders) is het (hof van beroep) van oordeel dat, door de aanplan¬ting van 203 bomen, de fysische toestand van de kaalvlakte, eigendom van (de eisers), werd gewijzigd. Dat artikel 90 van het Bosdecreet slechts betrekking zou hebben op ‘negatieve' wijzigingen die een bos nadelig zouden beïnvloeden (kappen, ontbossing, ...), blijkt uit niets. Bij gebreke van de daartoe vereiste vergunningen werden de aanplantingen door (de eisers) in maart 1997 wel degelijk wederrechtelijk aangebracht. Op de beschouwingen van (de verweerders) in verband met eventuele inbreuken op het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996, alsook op het Besluit van 16 juli 1996 van de Vlaamse Regering tot instelling van een vergunningsplicht voor de wijziging van vegetatie en van lijn- en puntvormige elemen¬ten, moet dan ook niet verder worden ingegaan. De oorspronkelijke tegenvordering van (de eisers), althans deze die in hoofdorde en in ondergeschikte orde wordt ingesteld, wordt bijgevolg ongegrond verklaard". Grieven Eerste onderdeel Artikel 3 van het Decr. Vl. R. van 13 juni 1990 - het Bosdecreet - bepaalt welke oppervlakten en aanplantingen al dan niet onder de voorschriften van dit decreet vallen. Uit dit artikel blijkt dat een Gewestplan geen invloed heeft op het al dan niet van toepassing zijn van het Bosdecreet op een bepaalde oppervlakte. Het feit dat volgens het Gewestplan een perceel als bosgebied is ingekleurd kan niet meebrengen dat dit perceel onder de voorschriften van het Bosdecreet valt. Volgens het toen geldend artikel 12.4.2., eerste lid, van het K. B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen is bosgebied "de beboste of de te bebossen gebieden, bestemd voor het bosbedrijf'. Bosgebieden volgens het Gewestplan bevatten dus ook gebieden bestemd om te worden bebost en dergelijke gebieden vallen niet noodzakelijk onder de toepassing van het Bosdecreet. Volgens artikel 3, §2, 1., van het Bosdecreet vallen eveneens onder de toepassing van dit decreet "de kaalvlakten, voorheen met bos bezet, die tot het bos blijven behoren". Kaalvlakten die onder het Bosdecreet vallen zijn dus vlakten die voorheen met bos bezet waren. Dit blijkt tevens uit artikel 4.12 van het Bosdecreet, voor zijn vervanging bij Decr. Vl. Parl. 18 mei 1999, dat kaalslag definieert als zijnde "Het verwijderen van het bosbestand zonder aan het terrein een andere functie te geven". Het is omwille van een kaalslag dat ontboste terreinen die geen andere functie krijgen tot het bos blijven behoren. In hun syntheseconclusie na het tussenarrest (van 14 september 2004), neergelegd ter griffie op 26 januari 2007, hebben eisers betwist dat hun percelen, waarop zij aanplantingen hebben aangebracht, onder de voorschriften van het Bosde¬creet vallen: "... het betreffen niet-beboste terreinen waarop het Bosdecreet niet van toepassing is, omdat de terreinen niet vallen onder de decretale definitie van ‘bos' of ‘kaalvlakte' in het Bosdecreet. De terreinen zijn om die redenen, en met instemming van de bevoegde administratie die het plan goedkeurde, niet opgenomen in het bosbeheersplan (...). (De verweerders) beweren op p. 4 van hun tweede conclusie dat het in casu zou gaan om een ‘kaalvlakte, voorheen met bos bezet, die tot het bos blijven behoren', doch laten na enig bewijs hiervan voor te leggen". (p. 8). Het bestreden tussenarrest van 26 maart 2007 beslist: "Met (de verweerders) is het (hof van beroep) van oordeel dat het betrokken perceel, eigendom van (de eisers), te aanzien is als een kaalvlakte, die als dusdanig tot het bos behoort en waarop de bepalingen van het Bosdecreet van toepassing zijn. De omstandigheid dat op het perceel in kwestie, voorafgaand aan de aanplantingen die door (de eisers) werden aangebracht, geen bomen stonden, doet niets ter zake. Het betrokken perceel was volgens het geldende gewestplan mee als bosgebied ingekleurd" (p. 10). Nu de eisers in conclusie betwistten dat hun betrokken grondstuk een kaalvlakte is in de zin van artikel 3, §2, 1, van het Bosdecreet, diende het hof van beroep vast te stellen dat dit grondstuk voldoet aan de beschrijving in het Bosdecreet van een kaalvlakte, meer bepaald diende het vast te stellen dat dit grondstuk "voorheen met bos bezet" was. Het bestreden arrest beslist evenwel dat het betrokken grondstuk kaalvlakte is zonder vast te stellen dat dit grondstuk voorheen met bos bezet was. Het heeft aldus niet op wettige wijze kunnen beslissen dat dit grondstuk kaalvlakte is in de zin van het Bosdecreet (schending van artikel 3, §2,
- van het Bosdecreet). Door te oordelen dat het niet terzake is dat op het betrokken perceel geen bomen stonden schendt het bestreden arrest nogmaals artikel 3, §2, 1, van het Bosdecreet daar volgens dit artikel een kaalvlakte een vlakte is die voorheen met bos bezet was, zodat om uit te maken of er een kaalvlakte is in de zin van het Bosdecreet het wel van belang is of er bomen op het betrokken perceel stonden. Door op grond van het gegeven dat het betrokken grondstuk van de eiseres volgens het geldend Gewestplan als bosgebied is ingekleurd te beslissen dat het om een bos of een kaalvlakte in de zin van het Bosdecreet gaat, schendt het bestreden arrest artikel 3 van het Bosdecreet dat bepaalt welke oppervlakten en aanplantingen al dan niet onder de voorschriften van dit decreet vallen, alsmede artikel 12.4.2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen dat bosgebied anders definieert dan in het Bosdecreet. Het bestreden arrest heeft dus op onwettige wijze beslist dat de door de eisers op hun grondstuk aangebrachte beplantingen wederrechtelijk waren wegens het ontbreken van de vergunningen of machtigingen voorzien in het Bosdecreet (schending van alle in het eerste onderdeel aangehaalde artikelen, zoals van toepassing in maart 1997). Tweede onderdeel (in ondergeschikte orde) Uit artikel 43, §3, van het Decr. Vl. R. van 13 juni 1990 - het Bosde¬creet - zoals van toepassing voor zijn wijziging bij Decr. Vl. Parl. 7 december 2007, blijkt dat de beheersplannen worden goedgekeurd door het Bosbeheer en dat wanneer een privé-eigenaar van een bos nalaat een beheersplan in te dienen, het Bosbeheer een beheersplan kan opmaken of laten opmaken op kosten van de privé-eigenaar. In hun syntheseconclusie na tussenarrest (van 14 september 2004), neergelegd ter griffie op 26 januari 2007, hebben eisers aangevoerd dat hun betrokken grondstuk, waarop zij in maart 1997 beplantingen hadden aangebracht, met instemming van de bevoegde administratie die hun beheersplan goedkeurde, niet in dit beheersplan werd opgenomen. Het bestreden tussenarrest van 26 maart 2007 beslist dat de eisers voor hun betrokken grondstuk geen beheersplan hebben opgesteld omdat dit grondstuk niet is opgenomen in hun goedgekeurd beheersplan en "bijgevolg" er geen goedkeu¬ring/machtiging was voor het aanbrengen van de beplantingen en die beplantingen derhalve wederrechtelijk werden aangebracht, zonder evenwel te antwoorden op vermelde aanvoering volgens dewelke het met de instemming was van de bevoegde administratie, die hun beheersplan goedkeurde, dat het betrokken grondstuk niet in dit beheersplan werd opgenomen (schending van artikel 149 van de Grondwet). Die aanvoering was van belang nu, zoals blijkt uit vermeld artikel 43, §3, van het Bosdecreet, het Bosbeheer de bevoegde administratie is inzake de beheersplannen. Derde onderdeel (eveneens in ondergeschikte orde) Geen enkele wetsbepaling laat toe om uit het ontbreken van een beheersplan voor een grondstuk dat onder de toepassing van het Bosdecreet valt, af te leiden dat aanplantingen op dit perceel wederrechtelijk worden aangebracht. Het niet-opstellen van een beheersplan voor een privé-bos brengt enkel mee dat het Bosbeheer op kosten van de privé-eigenaar een beheersplan kan opstellen (artikel 43, §3, derde lid, van het Bosdecreet, zoals van toepassing vóór zijn wijziging bij Decr. Vl. Parl. 7 december 2007). Door uit het ontbreken van een beheersplan voor het betrokken grondstuk af te leiden dat de aanplantingen op dit grondstuk wederrechtelijk werden aange¬bracht, schendt het bestreden arrest artikel 43, §3, van het Bosdecreet (zoals van toepassing vóór 7 december 2007) dat handelt over het beheersplan van een privé-bos en de gevolgen van het niet-indienen van een dergelijk plan. Vierde onderdeel (eveneens in ondergeschikte orde) Artikel 90, derde lid, van het Decr. Vl. R. van 13 juni 1990 - Bosdecreet - zoals van toepassing in maart 1997 (het eerste en het tweede lid van artikel 90 werden opgeheven bij Decr. Vl. Parl. 24 december 2004) bepaalt het volgende: "In alle bossen kunnen werkzaamheden, die wijzigingen aan de fysische toestand voor gevolg hebben, slechts worden uitgevoerd na machtiging van het Bosbeheer". De aanplanting van bomen brengt een vegetatiewijziging van het betrokken terrein mee, maar geen wijziging van de fysische toestand van dit terrein. De wijziging van de fysische toestand van een terrein veronderstelt werken die het terrein fysisch wijzigen (nivelleringswerken, uitgravingen, storten van grond, werken die de grondwaterstand wijzigen). Door te oordelen dat door de aanplanting van 203 bomen op het betrokken terrein van eisers, de fysische toestand ervan werd gewijzigd en derhalve een machtiging van het Bosbeheer hiervoor vereist was, maakt het bestreden arrest een verkeerde toepassing - en schendt het bijgevolg - het artikel 90, derde lid, van het Bosdecreet, zoals dit artikel gold in maart 1997 voordat de leden één en twee van dit artikel werden opgeheven bij Decr. Vl. Parl. 24 december
- Tweede middel Geschonden wetsbepalingen - de artikelen 88, §2, en 109 van het Gerechtelijk Wetboek. Bestreden beslissing Het bestreden arrest van 5 november 2007 voegt ambtshalve de in tweede ondergeschikte tegenvordering van eisers samen met het geding A.R. nr 2003/AR/81 om verder door de derde kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen bij een en hetzelfde arrest te worden beslecht. Het beslist aldus op volgende gronden: "
- Bij artikel 1395 Ger. W. wordt voorgeschreven: ‘Alle vorderingen betreffende bewarende beslagen, middelen tenuitvoerlegging, collectieve schuldenregeling en tegemoetkomingen van de Dienst voor alimentatievorderingen bedoeld in de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën, worden gebracht voor de beslagrechter ...'.
- De vordering van (de eisers) die ertoe strekt vast te stellen dat zij de beschikking van 11.3.1999 onmiddellijk en volledig uitgevoerd hebben en bijgevolg dat de gekantonneerde gelden aan hen moeten worden vrijgegeven (= de tweede ondergeschikte tegenvordering van de eisers), is duidelijk een vordering betreffende middelen tot tenuitvoerlegging in de zin van de hierboven geciteerde wetsbepaling. (De eisers) zijn zich daarvan terdege bewust, want zij hebben inmiddels de betwisting omtrent het al dan niet uitgevoerd zijn van de beschikking van 11.3.1989 voorgelegd aan de beslagkamer van dit Hof (het nog hangende geding met A.R. - nummer: 2003/AR/81).
- Uit artikel 4, §3, van het koninklijk besluit van 2.8.2007 tot vaststelling van het bijzonder reglement voor het Hof van Beroep te Antwerpen (B. S. 23.8.2007), blijkt dat geschillen inzake beslagmaatregelen behoren tot de materie van de 3de kamer van dit Hof.
- Een goede rechtsbedeling vergt dan ook dat de samenhangende gedingen waarvan hierboven sprake worden samengevoegd om verder door de 3de kamer van dit Hof bij één en hetzelfde arrest te worden beslecht. De beslissing over de gedingkosten die verband houden met de samenhangende zaken wordt aangehou¬den". Grieven Overeenkomstig artikelen 88, §2, en 109, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, moet een verdelingsincident tussen de kamers van eenzelfde hof van beroep opgeworpen worden hetzij door één der partijen voor ieder ander middel, hetzij ambtshalve door de rechter bij de opening van het debat en voorgelegd worden aan de Eerste Voorzitter van het hof van beroep. Bij gebreke daaraan is de zaak definitief toegewezen aan de geadiëerde kamer. In casu is aan geen van die voorwaarden voldaan, zodat de in casu geadiëerde kamer van het hof van beroep (de eerste kamer) ertoe gehouden was zelf de tweede ondergeschikte tegenvordering van de eisers te beslechten. Door te beslissen dat die vordering beslecht moet worden door de derde kamer van het hof van beroep, schendt het bestreden arrest van 5 november 2007 de artikelen 88, §2, en 109 van het Gerechtelijk Wetboek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Artikel 3, §1, van het Decreet van de Vlaamse Raad van 13 juni 1990 (Bosdecreet), zoals te dezen van toepassing, bepaalt dat onder de voorschriften van dit decreet vallen, de bossen, zijnde grondoppervlakten waarvan de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken, waartoe een eigen fauna en flora behoren en die één of meer functies vervullen. Overeenkomstig artikel 3, §2, 1, van het Bosdecreet, vallen eveneens onder de voorschriften van dit decreet, de kaalvlakten, voorheen met bos bezet, die tot het bos blijven behoren.
- Uit deze bepalingen volgt dat de toepassing van de voorschriften van het Bosdecreet op een perceel niet bepaald wordt door de indeling als bosgebied in het gewestplan, maar door de feitelijke toestand van het perceel volgens de kenmerken omschreven in voormeld artikel
- Een grondoppervlak kan slechts als kaalvlakte in de zin van artikel 3, §2, worden beschouwd mits deze voorheen met bos bezet was.
- In hun appelconclusies hebben de eisers de toepassing van het Bosdecreet op hun betrokken gronden betwist omdat die geen bos noch kaalvlakte, zoals omschreven in het Bosdecreet, zouden zijn.
- De appelrechters stellen vast dat het betrokken perceel van de eisers in maart 1997, volgens het toen geldende gewestplan, gelegen was in een bosgebied en oordelen dat de omstandigheid dat op het perceel in kwestie, voorafgaand aan de aanplantingen die door de eisers werden aangebracht, geen bomen stonden, niet ter zake doet. Door op grond hiervan te oordelen dat het betrokken perceel te aanzien is als een kaalvlakte die als dusdanig tot het bos behoort en waarop de bepalingen van het Bosdecreet van toepassing zijn, schenden de appelrechters artikel 3 van dit decreet. Het onderdeel is gegrond. Tweede middel
- De cassatie van de beslissing tot afwijzing van de in hoofdorde en ondergeschikte orde ingestelde tegenvordering van de eisers dient te worden uitgebreid tot de beslissing van het arrest met betrekking tot de in tweede ondergeschikte orde ingestelde tegenvordering, die er het gevolg van is. Dictum Het Hof, Vernietigt het arrest van 26 maart 2007, behalve in zoverre het uitspraak doet over de oorspronkelijke hoofdvordering van de verweerders. Vernietigt het arrest van 5 november
- Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest van 26 maart 2007 en van het vernietigde arrest van 5 november
- Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 22 juni 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. Ph. Van Geem K. Mestdagh A. Smetryns B. Deconinck E. Stassijns R. Boes PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090622.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div