← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090622.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090622.8 Rolnummer: S.08.0139.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-08-25 Raadplegingen: 656 - laatst gezien 2026-07-03 02:24 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090622.8 Fiches 1 - 3 Het middel dat ervan uitgaat dat de appelrechters die de beslissing van de eerste rechter over het geschil integraal bevestigen, maar ingevolge het hoger beroep van eiseres de bewoordingen van de opdracht aan de deskundige gedeeltelijk herdefiniëren overeenkomstig de rechtsopvatting waarvan de eerste rechter is uitgegaan, meer doen dan de bevolen onderzoeksmaatregel geheel of gedeeltelijk bevestigen, mist feitelijke grondslag

(1).
(1)Zie de andersluidende conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Uitkering Vrije woorden: Rechtspleging in hoger beroep - Devolutieve kracht - Deskundigenonderzoek - Verwijzing naar de eerste rechter - Geheel of gedeeltelijk bevestigen van een onderzoeksmaatregel - Herdefiniëren van de opdracht aan de deskundige - Toepassing Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1068, tweede lid Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Uitkering Vrije woorden: Rechtspleging in hoger beroep - Bevoegdheid - Geheel of gedeeltelijk bevestigen van een onderzoeksmaatregel - Verwijzing naar de eerste rechter - Herdefiniëren van de opdracht aan de deskundige - Toepassing Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1068, tweede lid Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Uitkering Vrije woorden: Deskundigenonderzoek - Geheel of gedeeltelijk bevestigen van een onderzoeksmaatregel - Verwijzing naar de eerste rechter - Herdefiniëren van de opdracht aan de deskundige - Toepassing Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1068, tweede lid Fiche 4 Voor de toepassing van artikel 28 van de arbeidsongevallenwet en van artikel 35 van het koninklijk besluit van 21 december 1971 hebben prothesen en orthopedische toestellen de betekenis van kunst- en hulpmiddelen die een valide persoon niet behoeft en die als gevolg van het arbeidsongeval nodig zijn om aangetaste of verzwakte lichaamsdelen te steunen of te vervangen dan wel het gebruik of de functies ervan te bevorderen; de bouw van een aangepaste badkamer kan in bepaalde omstandigheden een hulpmiddel zijn dat nodig is om het gebruik of de functies van de aangetaste of verzwakte lichaamsdelen van het slachtoffer van een arbeidsongeval te bevorderen, zodat het middel dat er van uitgaat dat de aanpassing van de inrichting van een badkamer aan de invaliditeit van de getroffene in geen geval kan beschouwd worden als prothese, faalt naar recht
(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - VERGOEDING - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Uitkering Vrije woorden: Prothese - Inrichting van een aangepaste badkamer - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - Art. 28 Koninklijk Besluit - 21-12-1971 - Art. 35 Koninklijk Besluit - 05-06-2007 - vóór zijn wijziging bij Fiches 5 - 8 Conclusie van advocaat-generaal MORTIER. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Uitkering Vrije woorden: Rechtspleging in hoger beroep - Devolutieve kracht - Deskundigenonderzoek - Verwijzing naar de eerste rechter - Geheel of gedeeltelijk bevestigen van een onderzoeksmaatregel - Herdefiniëren van de opdracht aan de deskundige - Toepassing Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Uitkering Vrije woorden: Rechtspleging in hoger beroep - Bevoegdheid - Geheel of gedeeltelijk bevestigen van een onderzoeksmaatregel - Verwijzing naar de eerste rechter - Herdefiniëren van de opdracht aan de deskundige - Toepassing Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Uitkering Vrije woorden: Deskundigenonderzoek - Geheel of gedeeltelijk bevestigen van een onderzoeksmaatregel - Verwijzing naar de eerste rechter - Herdefiniëren van de opdracht aan de deskundige - Toepassing Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - VERGOEDING - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Uitkering Vrije woorden: Prothese - Inrichting van een aangepaste badkamer - Toepassing Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. S.08.0139.N FORTIS INSURANCE BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 53, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen D.M., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 oktober 2007 gewezen door het Arbeidshof te Gent. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.
  1. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verklaart het beperkt hoger beroep ontvankelijk, doch enkel in zeer beperkte mate gegrond, bevestigt het vonnis van de eerste rechter in zoverre het werd bestreden, namelijk in zoverre de aan de aangestelde deskundige verleende opdracht ook een vraag bevat in verband met de plaatsing van de bijkomende, aangepaste badkamer, waarbij het arrest het onderdeel van deze opdracht, vermeld onder punt 3, evenwel herdefinieert, in die zin dat onder het nieuwe punt 3 aan de deskundige gevraagd wordt om advies te verlenen als volgt: "'
  2. - De situatie te schetsen van de toestand vóór en na de plaatsing van de nieuwe badkamer met vermelding van de toegangs-en gebruiksmogelijkheden van de voorheen bestaande badkamer (draaimogelijkheden voor de rolwagen, gebruiksmogelijkheden van de toestellen e.a.), en, - dienvolgens advies te verlenen over de vraag: of de inrichting van een aangepaste badkamer en de geplaatste toestellen als hulpmiddelen nodig zijn ingevolge het arbeidsongeval, hetzij om aangetaste of verzwakte lichaamsdelen te steunen of te vervangen, hetzij om het gebruik of de functies ervan te bevorderen'". (arrest, p. 11-12). Vervolgens verzendt het bestreden arrest de zaak voor verdere afhandeling terug naar de eerste rechter, overeenkomstig artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. De hervorming van de opdracht van de gerechtsdeskundige werd door de appelrechters als volgt gemotiveerd: "5.2.
  3. De (eiseres) werpt in de tweede plaats op dat de aanpassing door de eerste rechter wordt aanvaard zodra deze ‘nuttig' is. Het arbeidshof stelt vast dat de eerste rechter beide begrippen hanteert, namelijk nodig en ‘nuttig'. De wettelijke vereiste kan niet worden herleid tot nuttig. Tegelijk past het wel op te merken dat hieraan evenmin een al te strikte betekenis mag worden gehecht. Er wordt niet vereist dat de prothese onontbeerlijk is. In het bestreden vonnis werd ook niet vermeld dat een nuttige aanpassing op zich zou volstaan. Het begrip nuttig werd steeds tussen aanhalingstekens geplaatst en diende volgens de tekst van het vonnis te worden begrepen ‘in de voormelde zin' (cf. het einde van de achtste alinea van punt 3.7). Zoals hoger werd vastgesteld, werd voordien in de overwegingen van het vonnis ingegaan op het begrip prothese en de vereiste dat zij nodig is ingevolge ongeval. De (eiseres) staaft dan ook niet dat het volgens de eerste rechter zou volstaan dat een prothese nuttig is, opdat hierop aanspraak kan worden gemaakt. Gezien in artikel 28 van de Arbeidsongevallenwet evenwel als voorwaarde is gesteld dat de prothese nodig is ingevolge het arbeidsongeval, vormt dit het enige uitgangspunt en is een eenvormige formulering dan ook aangewezen. Enkel op dit punt is een hervorming van het vonnis aan de orde (zie verder punt 5.2.5). (...) 5.2.
  4. Het arbeidshof besluit dat de eerste rechter terecht geoordeeld heeft dat nader onderzoek omtrent de voorwaarden waaronder de inrichting van de aangepaste badkamer als prothese kan worden aanvaard, aangewezen is. De eerste rechter heeft op dit punt terecht advies gevraagd binnen het kader van de opdracht verleend aan de deskundige. In acht genomen de hoger vermelde overwegingen omtrent de wettelijke vereisten en het feit dat hierbij als uitgangspunt geldt dat de prothese nodig moet zijn ingevolge het ongeval, acht het arbeidshof het enkel aangewezen om de opdracht van de aangestelde deskundige anders te formuleren, zoals hierna in het beschikkend gedeelte van dit arrest werd bepaald. Het hoger beroep is enkel in de voormelde, zeer beperkte mate, gegrond". (arrest, p. 9-11) Grieven
  5. Overeenkomstig artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan de rechter in hoger beroep de zaak dan alleen naar de eerste rechter verwijzen indien hij, zelfs gedeeltelijk, een in het aangevochten vonnis bevolen onderzoeksmaatregel bevestigt.
  6. Van zodra de rechter in hoger beroep evenwel de beslissing van de eerste rechter vernietigt, hervormt of wijzigt, al was het slechts in beperkte mate, kan hij de zaak niet meer naar de eerste rechter verwijzen, ook al bevestigt hij de in het beroepen vonnis bevolen onderzoeksmaatregel. Door het feit van de vernietiging/hervorming/wijziging van de beslissing van de eerste rechter, heeft de appelrechter zich immers in andere zin dan de eerste rechter over het geschil uitgesproken, hetgeen een "bevestiging van een onderzoeksmaatregel" in de zin van artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in de weg staat.
  7. Uit de motieven (p.11, tweede alinea) en het beschikkend gedeelte van het bestreden arrest blijkt dat het hoger beroep van de eiseres door de appelrechters gedeeltelijk en in beperkte mate gegrond werd verklaard en dat het vonnis van de eerste rechter werd «hervormd» in zoverre het bestreden arrest de opdracht herdefinieerde van de deskundige die door de eerste rechter was aangesteld (zie ook arrest, p.9, voorlaatste alinea: "Enkel op dit punt is een hervorming van het vonnis aan de orde"). De opdracht van de deskundige werd geherdefinieerd in de mate dat de deskundige, wanneer hij onderzoekt of de plaatsing van een bijkomende, aangepaste badkamer kan beantwoorden aan de definitie van prothese, als uitgangspunt moet hanteren dat de prothese «nodig» moet zijn ingevolge het arbeidsongeval en niet «nuttig», zoals door de eerste rechter ten onrechte deels als uitgangspunt was aangenomen bij het omschrijven van de opdracht van de gerechtsdeskundige. De herformulering door de rechter in beroep van de opdracht van de gerechtsdeskundige was bijgevolg gestoeld op een rechtsopvatting nopens de wettelijke vereisten waaraan een prothese moet voldoen, die verschillend was van de opvatting gehuldigd door de eerste rechter. Ingevolge deze hervorming van de beslissing van de eerste rechter hebben de appelrechters zich niet louter beperkt tot het bevestigen van de onderzoeksmaatregel, zoals bevolen door de eerste rechter.
  8. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig, zonder schending van artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de zaak naar de eerste rechter heeft teruggezonden voor verdere afhandeling (schending van deze bepaling).
  9. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 28 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971; - artikel 35 van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, vóór zijn wijziging bij koninklijk besluit van 5 juni
  10. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verklaart het beperkt hoger beroep ontvankelijk, doch enkel in zeer beperkte mate gegrond, bevestigt het vonnis van de eerste rechter in zoverre het werd bestreden, namelijk in zoverre de aan de aangestelde deskundige verleende opdracht ook een vraag bevat in verband met de plaatsing van de bijkomende, aangepaste badkamer, waarbij het arrest het onderdeel van deze opdracht, vermeld onder punt 3, evenwel herdefinieert, in die zin dat onder het nieuwe punt 3 aan de deskundige gevraagd wordt om advies te verlenen als volgt: "'
  11. - De situatie te schetsen van de toestand vóór en na de plaatsing van de nieuwe badkamer met vermelding van de toegangs-en gebruiksmogelijkheden van de voorheen bestaande badkamer (draaimogelijkheden voor de rolwagen, gebruiksmogelijkheden van de toestellen e.a.), en, - dienvolgens advies te verlenen over de vraag: of de inrichting van een aangepaste badkamer en de geplaatste toestellen als hulpmiddelen nodig zijn ingevolge het arbeidsongeval, hetzij om aangetaste of verzwakte lichaamsdelen te steunen of te vervangen, hetzij om het gebruik of de functies ervan te bevorderen'". (arrest p. 11-12). Het bestreden arrest oordeelt dat de eerste rechter wettig heeft kunnen aannemen dat de plaatsing en inrichting van de bijkomende, aangepaste badkamer principieel als een prothese kan worden erkend: "5.2.
  12. De eerste rechter heeft uit het feit dat bij wet enkel deze vereisten zijn gesteld, afgeleid dat aanpassingen van de woning dan ook principieel als een prothese kunnen worden erkend (punt
  13. 7, vierde alinea van het vonnis), en stelt vervolgens dat de aanpassing in een badkamer als prothese (...) kan worden aanvaard (punt 3.7, vijfde alinea). De (eiseres) betwist dit oordeel, omdat hieraan geen enkele voorwaarde zou zijn gekoppeld. Dit is niet correct. De eerste rechter stelt tegelijk immers de wettelijke vereisten als uitgangspunt voorop. Hij vermeldt ook niet dat deze vereisten niet langer aan de orde zouden zijn bij aanpassingen aan de woning of in de badkamer. Ook in de volgende alinea omtrent de plaatsing van een nieuwe badkamer, werd trouwens aangegeven dat dit enkel onder voorwaarden kan worden aanvaard. De zin vangt immers aan met ‘in de mate dat ...' (punt
  14. 7, zesde alinea). (...) 5.2.
  15. Tenslotte werpt de (eiseres) op dat de aanpassing aan de badkamer en/of de plaatsing van de nieuwe badkamer niet nodig is ingevolge het ongeval. Het zou enkel gaan om aanpassingen die de hulp van derden optimaliseren. Het arbeidshof is van oordeel dat deze grieven voorbarig zijn. Precies om te kunnen nagaan of de plaatsing en inrichting van een bijkomende badkamer - volgens de partijen in de zin van de inrichting van een deel van het slaapvertrek als aangepaste badkamer - nodig was, heeft de eerste rechter beslist om voorafgaand een onderzoeksmaatregel te bevelen. De (eiseres) stelt in vrij absolute bewoordingen dat de aangepaste badkamer in geen enkele zin de aangetaste lichaamsdelen van de (verweerder) vervangt of steunt, omdat hij nog steeds afhankelijk is van derden, doch waarop deze conclusie concreet gesteund is, wordt niet vermeld. Het past bovendien op te merken dat de nood aan hulp van derden op zich de noodzaak van een prothese niet uitsluit (cf. Cass., 20 april 1998, Arr. Cass. 1998, 435). Bovendien is er in tweede instantie ook de vraag of de aangepaste badkamer of haar aangepaste inrichting nodig kan worden geacht om het gebruik van de functies van de door het ongeval aangetaste lichaamsdelen te bevorderen (cf. Cass. 23 januari 1995, Arr. Cass. 1995, 59). Ook in dit geval kan er, zoals hoger vastgesteld, sprake zijn van een prothese nodig ingevolge het ongeval. De (eiseres) sluit in dit verband in elk geval niet uit dat de bedoelde aanpassingswerken het uitoefenen van de functies waarover de (verweerder) beschikt ‘makkelijker' maken (cf. blz. 3 van de conclusie, neergelegd ter griffie op 29 juni 2007). Waarom een 'bevordering' van deze functies onder de hoger vermelde voorwaarden bij voorbaat uitgesloten zou zijn, is dan ook de vraag. (...) 5.2.
  16. Het arbeidshof besluit dat de eerste rechter terecht geoordeeld heeft dat nader onderzoek omtrent de voorwaarden waaronder de inrichting van de aangepaste badkamer als prothese kan worden aanvaard, aangewezen is. De eerste rechter heeft op dit punt terecht advies gevraagd binnen het kader van de opdracht verleend aan de deskundige. In acht genomen de hoger vermelde overwegingen omtrent de wettelijke vereisten en het feit dat hierbij als uitgangspunt geldt dat de prothese nodig moet zijn ingevolge het ongeval, acht het arbeidshof het enkel aangewezen om de opdracht van de aangestelde deskundige anders te formuleren, zoals hierna in het beschikkend gedeelte van dit arrest werd bepaald". Grieven
  17. Naar luid van artikel 28 van de Arbeidsongevallenwet heeft de getroffene recht, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, op de prothese en orthopedische toestellen die ingevolge het ongeval nodig zijn. Overeenkomstig artikel 35 van het koninklijk besluit van 21 december 1971 worden als prothese of orthopedisch apparaat aangezien: 1°) de eigenlijke prothese of het eigenlijke orthopedisch toestel; 2°) alle functionele bijhorigheden; 3°) het reservetoestel, naargelang van de aard van de letsels. Voor de toepassing van de voormelde bepalingen dienen onder prothese en orthopedische toestellen te worden verstaan: de kunst- en hulpmiddelen die een valide persoon niet behoeft en die, als gevolg van een arbeidsongeval, nodig zijn om aangetaste of verzwakte lichaamsdelen te steunen of te vervangen of om het gebruik of de functies ervan te bevorderen; dat de aangetaste of verzwakte lichaamsdelen, die aldus worden gesteund, de ledematen en organen zijn en dat het zonder belang is of de kunst- en hulpmiddelen al dan niet een duurzaam karakter hebben.
  18. De aanpassing van een woning aan de invaliditeit van de getroffene van een arbeidsongeval, door middel van het plaatsen van een bijkomende badkamer in zijn slaapvertrek, kan niet worden opgevat als een kunst- of hulpmiddel dat, als gevolg van een arbeidsongeval, nodig is om aangetaste of verzwakte lichaamsdelen te steunen of te vervangen of om het gebruik of de functies ervan te bevorderen. Niet alleen kan een badkamer uit zijn aard geen lichaamsdeelondersteunende, -vervangende of -bevorderende functie vervullen, bovendien is een badkamer niet nodig ingevolge het arbeidsongeval aangezien ook valide personen een badkamer behoeven. Hoewel het plaatsen van een bijkomende badkamer, bijv. op een plaats die toegankelijker is voor de getroffene (gelijkvloers), voor deze laatste zeker nuttig kan zijn en zijn comfort en zelfredzaamheid kan verhogen, volstaat dit niet om van een prothese te kunnen spreken. Het plaatsen van een (bijkomende) badkamer kan bijgevolg niet in aanmerking komen als prothese in de zin van de artikelen 28 Arbeidsongevallenwet en 35 van het koninklijk besluit van 21 december 1971
  19. Ook de aanpassing van de inrichting van een badkamer aan de invaliditeit van de getroffene kan niet als prothese worden beschouwd, aangezien het louter om een aanpassing van de leefomgeving gaat die niet nodig is ingevolge het ongeval en in ieder geval de aangetaste lichaamsdelen niet vervangt of steunt, noch het gebruik en de functies ervan bevordert.
  20. Subsidiair, voor zover moet worden aangenomen - quod non - dat de aanpassing van de inrichting van een badkamer aan de invaliditeit van de getroffene, nodig is ingevolge het ongeval en dat die aanpassing er daadwerkelijk toe strekt het gebruik of de functie van de aangetaste of verzwakte lichaamsdelen te bevorderen, te steunen of te vervangen, moet hierbij duidelijk het onderscheid worden gemaakt tussen de uitgaven die specifiek zijn verricht, enerzijds, voor het plaatsen of bouwen van de badkamer zelf (bijv. metselwerk, leidingen, betegeling, valse wanden, enz...), anderzijds, voor het aanpassen van de badkamer aan de noden van de getroffene (grotere badkuip, handgrepen, enz.). De uitgaven die specifiek betrekking hebben op het plaatsen of bouwen van een badkamer kunnen nooit als prothese worden erkend in zoverre ze niet nodig zijn ingevolge het ongeval vermits ook valide personen die een badkamer plaatsen of bouwen deze kosten moeten dragen, terwijl deze uitgaven er evenmin rechtstreeks kunnen toe bijdragen dat de aangetaste lichaamsdelen van de getroffene worden ondersteund of vervangen, of dat het gebruik en de functies ervan wordt bevorderd.
  21. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig, zonder schending van het wettelijk begrip prothese, heeft beslist dat de aanpassing van verweerders woning, erin bestaande dat een bijkomende badkamer werd geplaatst en ingericht, principieel als prothese kan worden aanvaard, subsidiair, minstens heeft nagelaten om dienaangaande het onderscheid te maken tussen, enerzijds, het plaatsen van de badkamer zelf, wat nooit als een prothese kan worden erkend, anderzijds, het aanpassen van de badkamer aan de invaliditeit van de getroffene, wat eventueel wel als prothese in aanmerking kan komen (schending van de artikelen 28 Arbeidsongevallenwet en 35 van het koninklijk besluit van 21 december 1971). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  22. Artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter in hoger beroep de zaak die bij hem aanhangig is, alleen dan naar de eerste rechter verwijst, indien hij, zelfs gedeeltelijk, een in het aangevochten vonnis bevolen onderzoeksmaatregel bevestigt.
  23. Het middel gaat ervan uit dat de uitspraak van de appelrechters gestoeld is op een andere rechtsopvatting dan deze van de eerste rechter. Uit de redenen van het arrest blijkt dat de appelrechters de beslissing van de eerste rechter over het geschil integraal bevestigen, maar dat zij ingevolge het hoger beroep van de eiseres de bewoordingen van de opdracht aan de deskundige gedeeltelijk herdefiniëren, overeenkomstig de rechtsopvatting waarvan de eerste rechter is uitgegaan. Het middel dat ervan uitgaat dat de appelrechters meer doen dan de bevolen onderzoeksmaatregel geheel of gedeeltelijk bevestigen, mist feitelijke grondslag. Tweede middel
  24. Krachtens artikel 28 van de Arbeidsongevallenwet, heeft de getroffene van een arbeidsongeval recht op de geneeskundige, heelkundige, farmaceutische en verplegingszorgen en, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, op de prothesen en orthopedische toestellen die ingevolge het ongeval nodig zijn. Krachtens artikel 35 van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, zoals te dezen van toepassing, worden als prothese of orthopedisch toestel aangezien: - de eigenlijke prothese of het eigenlijke orthopedisch toestel; - alle functionele bijhorigheden; - het reservetoestel, naargelang van de aard van de letsels.
  25. Voor de toepassing van de voormelde bepalingen hebben prothesen en orthopedische toestellen de betekenis van kunst- en hulpmiddelen die een valide persoon niet behoeft en die als gevolg van het arbeidsongeval nodig zijn om aangetaste of verzwakte lichaamsdelen te steunen of te vervangen dan wel het gebruik of de functies ervan te bevorderen. De bouw van een aangepaste badkamer kan in bepaalde omstandigheden een hulpmiddel zijn dat nodig is om het gebruik of de functies van de aangetaste of verzwakte lichaamsdelen van het slachtoffer van een arbeidsongeval te bevorderen. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de aanpassing van de inrichting van een badkamer aan de invaliditeit van de getroffene in geen geval kan worden beschouwd als een prothese, faalt het naar recht.
  26. De appelrechters oordelen dat de eerste rechter terecht geoordeeld heeft dat nader onderzoek aangewezen is omtrent de voorwaarden waaronder de inrichting van de aangepaste badkamer als prothese kan worden aanvaard. Hoewel zij principieel niet uitsluiten dat een badkamer als prothese kan worden beschouwd, oordelen de appelrechters, in afwachting van het deskundigen-onderzoek, niet over de mate waarin de kosten voor de bouw en inrichting van een aangepaste badkamer op de arbeidsongevallenverzekeraar kunnen worden verhaald. In zoverre het middel subsidiair de appelrechters verwijt geen onderscheid te hebben gemaakt tussen de uitgaven die specifiek zijn verricht, enerzijds, voor het plaatsen of bouwen van de badkamer zelf, anderzijds, voor het aanpassen van de badkamer aan de noden van de getroffene, mist het feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 116,14 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 22 juni 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. Ph. Van Geem K. Mestdagh A. Smetryns B. Deconinck E. Stassijns R. Boes PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090622.8 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090622.8 geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20101213.2 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20111007.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171009.2 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171009.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.