← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090622.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090622.9 Rolnummer: S.09.0003.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-08-25 Raadplegingen: 574 - laatst gezien 2026-07-02 22:49 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De omstandigheid dat de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden van openbare orde is brengt niet mee dat de door de werkgever op regelmatige wijze gegeven opzegging, ter kennis gebracht gedurende de beschermingsperiodes bedoeld in de paragrafen 2 en 3 van artikel 2 van deze wet, nietig is, maar heeft tot gevolg dat de in artikelen 16 en 17 van deze wet bepaalde vergoedingen verschuldigd zijn van zodra de arbeidsovereenkomst effectief ten einde komt ingevolge die opzegging van de werkgever. Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Ontslagbescherming personeelsafgevaardigden Vrije woorden: Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden - Regelmatig gegeven opzegging door de werkgever Wettelijke bepalingen: Wet - 19-03-1991 - Art. 2, § 1, eerste en tweede lid, 1°, 2, § 6 Wet - 19-03-1991 - Artt. 14, 16 en 17, § 1 Fiches 2 - 3 Het arrest dat vaststelt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen effectief beëindigd werd ingevolge de door de werknemer zelf gegeven opzegging, dus op een wijze bedoeld in artikel 2, § 6, van de Wet ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, en de werkgever veroordeelt tot betaling aan de werknemer van de beschermingsvergoeding bepaald in artikel 16 van deze wet, schendt de bepalingen van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Algemeen UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Ontslagbescherming personeelsafgevaardigden Vrije woorden: Beschermde werknemer - Personeelsafgevaardigde - Ontslagbescherming - Beschermingsvergoeding - Beëindiging van de arbeidsovereenkomst ingevolge opzegging gegeven door de werknemer Wettelijke bepalingen: Wet - 19-03-1991 - Artt. 14, 16 en 17, § 1 Wet - 19-03-1991 - Art. 2, § 1, eerste en tweede lid, 1°, 2, § 6 Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Ontslagbescherming personeelsafgevaardigden Vrije woorden: Beëindiging van de arbeidsovereenkomst - Beschermde werknemer - Personeelsafgevaardigde - Ontslagbescherming - Beschermingsvergoeding - Beëindiging van de arbeidsovereenkomst ingevolge opzegging gegeven door de werknemer Wettelijke bepalingen: Wet - 19-03-1991 - Art. 2, § 1, eerste en tweede lid, 1°, 2, § 6 Wet - 19-03-1991 - Artt. 14, 16 en 17, § 1 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. S.09.0003.N PLANBUREAU, naamloze vennootschap, met zetel te 9700 Oudenaarde, Broekstraat 166, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen V.R., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 11 juni 2008 gewezen door het Arbeidshof te Gent. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 2, §1, eerste lid, 2, §1, tweede lid, 1°, 2, §6, enig lid, derde streepje, 14, en 16 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat personeelsafgevaardigden; - en voor zoveel als nodig, de artikelen 31, §1, 38, §§ 1 en 2, 82, §3, en 84 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Bestreden beslissing Het Arbeidshof te Gent verklaart in het thans bestreden arrest van 11 juni 2008 het hoofdberoep ontvankelijk en gegrond, hervormt het vonnis van de eerste kamer van de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde van 1 maart 2005, behoudens wat de toelaatbaarheid van de vordering betreft, en, opnieuw wijzende, verklaart de vordering gegrond. Het arbeidshof veroordeelt eiseres tot betaling aan verweerder van 123.903,59 euro bruto als beschermingsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten op het nettobedrag, vanaf de datum van opeisbaarheid en veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding. Ter staving van zijn beslissing stelde het arbeidshof vast dat - eiseres met een aangetekende brief van 27 december 2002 overging tot opzegging van de arbeidsovereenkomst, met inachtneming van een opzeggingstermijn van 24 maanden, ingaande op 1 januari 2003 (arrest p. 2, tweede alinea), - partijen op 27 december 2002 een overeenkomst sloten waarbij zij de duur van de opzeggingstermijn bepaalden op 24 maanden (arrest p. 2, derde alinea), - verweerder de arbeidsovereenkomst uitvoerde tijdens de opzeggingstermijn (arrest p. 10, nr. 5.2.2.4.

  1. c)), - verweerder bij aangetekende brief van 22 september 2004 ontslag nam met naleving van een opzeggingstermijn van 3 maanden, ingaande op 1 oktober 2004 om te eindigen op 31 december 2004 (arrest p. 2, zesde alinea). Het arbeidshof grondt zijn beslissing op volgende motieven: "5.2.2.3. In het kader van de huidige betwisting staat het vast dat het ontslag op 27 december 2002 werd gegeven in strijd met artikel 2 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden. De schending van artikel 2 Wet Ontslagregeling Personeelszaken bestaat er in dat het ontslag is gegeven tijdens de beschermde periode, zonder dat één van de bij wet mogelijke ontslagredenen vooraf zijn aangenomen of erkend. (...) In dit geval is de werkgever krachtens artikel 16 Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden in beginsel de beschermingsvergoeding verschuldigd, die forfaitair wordt bepaald op basis van de anciënniteit van de betrokkene. De (verweerder) vordert de toekenning van deze vergoeding. Deze vordering is krachtens het voormelde artikel 16 principieel gegrond. 5.2.2.4. De (eiseres) brengt hiertegen in dat elke rechtshandeling die een regel van openbare orde schendt, volstrekt nietig is en dat de nietigheid van de opzegging met zich brengt dat de arbeidsovereenkomst ogenblikkelijk een einde neemt. Deze argumentatie berust evenwel op een onjuist uitgangspunt. 5.2.2.4.
  2. a)(...) Zonder meer besluiten dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met opzegging, ter zake nietig zou zijn, zou dan ook strijdig zijn met de tekst en de bedoeling van de wet ten aanzien van het sanctiemechanisme, gekoppeld aan een onregelmatig ontslag. Enkel in geval van een aanvraag en aanvaarding van het verzoek tot herplaatsing wordt het verboden ontslag ongedaan gemaakt en dit retroactief (...). Deze hypothese is thans niet aan de orde. Bijgevolg is er ook geen aanleiding om te gewagen van een nietig ontslag, noch van het ontstaan van een nieuwe arbeidsovereenkomst ingevolge de verdere tewerkstelling nadien. (...) 5.2.2.4.
  3. b)Bovendien is er geen reden om aan te nemen dat het ontslag met onmiddellijke ingang is doorgevoerd, noch dat dit binnen een korte termijn diende te worden ingeroepen. (...) 5.2.2.4.
  4. c)De verdere uitvoering van de arbeidsovereenkomst tijdens de betekende opzeggingstermijn is in de gegeven omstandigheden geen reden om aan te nemen dat afstand zou zijn gedaan van de miskenning van het ontslagverbod, of van het recht op een beschermingsvergoeding. Uit deze verdere tewerkstelling, waartoe de (verweerder) in beginsel gehouden was tijdens de opzeggingstermijn, valt feitelijk niets anders af te leiden dan de tijdelijke voortzetting van de bestaande arbeidsovereenkomst tijdens deze termijn. (...)" Grief Luidens artikel 2, §1, eerste lid, van de wet van 19 maart 1991, houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, kunnen de personeelsafgevaardigden en kandidaat-personeelsafgevaardigden slechts worden ontslagen om een dringende reden die vooraf door het arbeidsgerecht aangenomen werd, of om economische of technische redenen die vooraf door het bevoegd paritair orgaan werden erkend. Overeenkomstig het tweede lid van voornoemde bepaling geldt voor de toepassing van dit artikel als ontslag: 1° elke beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, gedaan met of zonder vergoeding, al dan niet met naleving van een opzegging, die ter kennis wordt gebracht gedurende de periode bedoeld in §§2 (wat betreft de personeelsafgevaardigden) of 3 (wat betreft de kandidaat-personeelsafgevaardigden). Het arbeidshof stelde vast dat eiseres op 27 december 2002 was overgegaan tot ontslag met opzegging en dat partijen dezelfde dag, gelet op artikel 82, §3, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, een overeenkomst sloten nopens de opzeggingstermijn, die zij bepaalden op 24 maanden en die zou ingaan op 1 januari 2003. Het (arbeids)hof oordeelt dat dit ontslag onregelmatig was, nu dit niet geschiedde onder de voorwaarden gesteld in de genoemde wet van 19 maart 1991, meer bepaald doordat er geen voorafgaande erkenning van een dringende reden of van economische of technische redenen voorlag. Het arbeidshof stelt tevens vast dat verweerder verder prestaties leverde tijdens de opzeggingstermijn. Naar luid van artikel 14 van de genoemde wet van 19 maart 1991, kan de (ontslagen) werknemer of de organisatie die zijn kandidatuur heeft voorgedragen, wanneer de werkgever een einde maakt aan de arbeidsovereenkomst zonder de bij de artikelen 2 tot 11 bedoelde voorwaarden en procedures na te leven, zijn reïntegratie in de onderneming aanvragen. Overeenkomstig artikel 16 van dezelfde wet moet de werkgever, wanneer de werknemer of de organisatie die zijn kandidatuur heeft voorgedragen, zijn reïntegratie niet heeft aangevraagd binnen de gestelde termijn, in beginsel aan de werknemer een forfaitaire vergoeding betalen, in verhouding tot zijn anciënniteit. Het recht op deze forfaitaire beschermingsvergoeding ontstaat doordat aan de arbeidsovereenkomst van de beschermde werknemer op onregelmatige wijze, dit wil zeggen zonder naleving van de bij artikelen 2 tot en met 11 van de wet bedoelde voorwaarden en procedures, een einde komt. Het recht op deze vergoeding ontstaat niet zolang de arbeidsovereenkomst niet, ingevolge het onregelmatig ontslag, in de zin van artikel 2 van de wet, effectief ten einde is gekomen. Ingevolge een onregelmatig ontslag door de werkgever en bij ontstentenis van een verzoek tot reïntegratie door de ontslagen, beschermde werknemer, zal deze werknemer in beginsel aanspraak kunnen maken op de forfaitaire beschermingsvergoeding wanneer zijn arbeidsovereenkomst effectief ten einde komt ingevolge dit onregelmatig ontslag door de werkgever. De forfaitaire beschermingsvergoeding wordt pas eisbaar op het ogenblik van de werkelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst ingevolge het onregelmatig ontslag. Overeenkomstig artikel 38, §2, tweede lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten houdt, bij opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever vóór of tijdens de schorsing van de arbeidsovereenkomst, de opzeggings-termijn op te lopen tijdens die schorsing. Aldus kon niet met zekerheid bepaald worden dat de arbeidsovereenkomst, ingevolge het door eiseres doorgevoerd ontslag met opzegging, op 31 december 2004 effectief een einde zou nemen nu de toegekende opzeggingstermijn kon geschorst worden ingevolge ziekte van de ontslagen werknemer, zoals voorzien in artikel 31, §1, van de wet van 3 juli 1978. Overeenkomstig artikel 38, §1, van dezelfde wet van 3 juli 1978 loopt bij opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer vóór of tijdens de schorsing van de arbeidsovereenkomst, de opzeggingstermijn door tijdens die schorsing. Bij opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werkgever kan de werknemer, overeenkomstig artikel 84 van dezelfde wet van 3 juli 1978, een tegenopzegging doen. In dezen stelde het arbeidshof vast

(1)dat eiseres de arbeidsovereenkomst van verweerder op 27 december 2002 opzegde met een (door partijen bepaalde) opzegtermijn van 24 maanden, ingaand op 1 januari 2003,
(2)dat verweerder tijdens de opzeggingstermijn prestaties leverde,
(3)dat verweerder op 22 september 2004 een (tegen)opzegging betekende, met opzegtermijn van drie maanden, ingaand op 1 oktober 2004, om te eindigen op 31 december
  1. Aldus kwam aan de arbeidsovereenkomst van verweerder op 31 december 2004 een einde door de eigen opzegging van 22 september 2004, waarvan het arbeidshof niet vaststelde dat deze onregelmatig zou zijn of geen uitwerking zou kunnen krijgen. Luidens de zesde paragraaf van artikel 2 van de genoemde wet van 19 maart 1991, mag geen enkele andere wijze van beëindiging van de arbeidsovereenkomst worden ingeroepen dan die bepaald in de eerste paragraaf, met uitzondering van nader gepreciseerde gevallen, waaronder (derde streepje) de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer. Waar aldus de arbeidsovereenkomst van verweerder effectief ten einde kwam door de eenzijdige beëindiging van de overeenkomst door verweerder zelf, lag er niet langer een "onregelmatig ontslag" voor dat het recht op een forfaitaire beschermingsvergoeding in de zin van artikel 16 van de genoemde wet van 19 maart 1991 kon doen ontstaan. Het arbeidshof kon derhalve niet wettig eiseres veroordelen tot betaling van 123.903,59 euro bruto als beschermingsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten op het nettobedrag, vanaf de datum van opeisbaarheid noch tot de kosten van het geding. Het arbeidshof schendt bijgevolg alle in het middel genoemde wetsbepalingen, en inzonderheid de artikelen 2, 14 en 16 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat personeelsafgevaardigden. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  2. De personeelsafgevaardigden en de kandidaat-personeelsafgevaardigden kunnen, krachtens artikel 2, §1, eerste lid, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, slechts worden ontslagen om een dringende reden die vooraf door het arbeidsgerecht aangenomen werd, of om economische of technische redenen die vooraf door het bevoegd paritair comité werden erkend. Krachtens het tweede lid, 1°, van dit artikel geldt voor de toepassing van dit artikel als ontslag: elke beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, gedaan met of zonder vergoeding, al dan niet met naleving van een opzegging, die ter kennis wordt gebracht gedurende de periodes bedoeld in de paragrafen 2 en 3 van dit artikel. Artikel 2, §6, van de voormelde wet bepaalt: "Geen enkele andere wijze van beëindiging van de arbeidsovereenkomst dan die bedoeld in §1, mag ingeroepen worden, met uitzondering van: (...) de eenzijdige beëindiging van de overeenkomst door de werknemer (...)."
  3. Artikel 14 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden bepaalt dat wanneer de werkgever een einde maakt aan de arbeidsovereenkomst zonder de bij de artikelen 2 tot 11 bedoelde voorwaarden en procedures na te leven, de werknemer of de organisatie die zijn kandidatuur heeft voorgedragen zijn reïntegratie in de onderneming kan aanvragen. Artikel 16 van de voormelde wet bepaalt dat, wanneer de werknemer of de organisatie die zijn kandidatuur heeft voorgedragen, zijn reïntegratie niet heeft aangevraagd binnen de bij artikel 14 vastgestelde termijnen, de werkgever hem, uitgezonderd in het geval dat de verbreking heeft plaatsgehad voor de indiening van de kandidaturen, onverminderd het recht op een hogere vergoeding, verschuldigd op grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst of van de gebruiken, en op elke andere schadevergoeding wegens materiële of morele schade, een vergoeding moet betalen gelijk aan het lopende loon van twee, drie of vier jaren naargelang de anciënniteit van de beschermde werknemer. Artikel 17, §1, van de voormelde wet bepaalt dat, wanneer de werknemer of de organisatie die zijn kandidatuur heeft voorgedragen zijn reïntegratie heeft aangevraagd en deze door de werkgever niet werd aanvaard binnen de dertig dagen na de dag waarop het verzoek hem bij een ter post aangetekende brief werd gezonden, deze werkgever aan de werknemer de bij artikel 16 bedoelde vergoeding moet betalen, evenals het loon voor het nog resterende gedeelte van de periode tot het einde van het mandaat van de leden die het personeel vertegenwoordigen bij de verkiezingen waarvoor hij kandidaat is geweest.
  4. De omstandigheid dat de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden van openbare orde is brengt niet mee dat de door de werkgever op regelmatige wijze gegeven opzegging, ter kennis gebracht gedurende de beschermingsperiodes bedoeld in de paragrafen 2 en 3 van artikel 2 van deze wet, nietig is, maar heeft tot gevolg dat de in de artikelen 16 en 17 van deze wet bepaalde vergoedingen verschuldigd zijn van zodra de arbeidsovereenkomst effectief ten einde komt ingevolge die opzegging van de werkgever.
  5. Het arrest stelt vast dat: - de verweerder bij de sociale verkiezingen van 2000 bij de eiseres verkozen werd als plaatsvervangend werknemersafgevaardigde in het comité voor preventie en bescherming op het werk; - de eiseres met aangetekende brief van 27 december 2002, zijnde tijdens de periode van bescherming, volgens de vereisten van artikel 37 van de Arbeidsovereenkomstenwet aan de verweerder een opzegging betekende van de arbeidsovereenkomst, met inachtneming van een opzeggingstermijn van 24 maanden, ingaande op 1 januari 2003; - de partijen op 27 december 2002 een overeenkomst sloten waarbij zij zich akkoord verklaarden de duur van de opzeggingstermijn te bepalen op 24 maanden; - de verweerder zelf bij aangetekende brief van 22 september 2004 de eiseres zijn ontslag ter kennis bracht, mits naleving van een opzeggingstermijn van drie maanden, ingaande op 1 oktober 2004 om te eindigen op 31 december 2004 en dit gebeurde met het oog op het wettelijk pensioen; - de verweerder de arbeidsovereenkomst is blijven uitvoeren tot op het ogenblik van het verstrijken van de door hemzelf gegeven opzeggingstermijn.
  6. Hoewel het arrest vaststelt dat de arbeidsovereenkomst tussen de partijen op 31 december 2004 effectief beëindigd werd ingevolge de door de verweerder zelf gegeven opzegging, dus op een wijze als bedoeld in artikel 2, §6, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, veroordeelt het de eiseres tot betaling aan de verweerder van de beschermingsvergoeding bepaald in artikel 16 van deze wet. Zodoende schendt het arrest de voormelde als geschonden aangewezen bepalingen van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 22 juni 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. Ph. Van Geem K. Mestdagh A. Smetryns B. Deconinck E. Stassijns R. Boes PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090622.9 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181210.3 ECLI:BE:CTBRL:2011:ARR.20110223.5 ECLI:BE:CTBRL:2018:ARR.20180322.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.