← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090626.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090626.11 Rolnummer: C.09.0119.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-08-25 Raadplegingen: 550 - laatst gezien 2026-07-02 22:37 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de enkele omstandigheid dat de gewraakte rechter zich bij het formuleren van zijn antwoord op de middelen van wraking overeenkomstig artikel 836 van het Gerechtelijk Wetboek, in bewoordingen die niet wijzen op een gebrek aan objectiviteit, uitspreekt over wat volgens hem de daadwerkelijke reden is van het wrakingsverzoek, kan geen wettige verdenking worden afgeleid Thesaurus CAS: WRAKING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Wraking (gerechtelijk recht) Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Wettige verdenking - Antwoord op de middelen van wraking door de gewraakte rechter - Bewoordingen die niet wijzen op een gebrek aan objectiviteit Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 828, 1° en 836 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.09.0119.N B. R., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 5 december 2008 in laatste aanleg gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (hierna EVRM); - het algemeen rechtsbeginsel van onpartijdigheid van de rechter; - de artikelen 259novies, eerste lid, 259decies, § 2, 828, 1°, en 836 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis oordeelt dat het wrakingsverzoek van de eiseres ongegrond is in zoverre het steunt op de aangehaalde feiten die zich na 19 mei 2008 hebben voorgedaan. Geoordeeld wordt dat geen wettige verdenking of hoge graad van vijandschap kan worden afgeleid uit het antwoord dat de gewraakte magistraat overeenkomstig artikel 836 van het Gerechtelijk Wetboek opstelde: "C.3 Verzoekster meent uit de schriftelijke verklaring die de gewraakte magistraat op 9 september 2008 op grond van artikel 836 van het Gerechtelijk Wetboek opstelde, een wettige verdenking en/of hoge graad van vijandschap in hoofde van de gewraakte magistraat te kunnen staven. Artikel 836 van het Gerechtelijk Wetboek legt de gewraakte magistraat de verplichting op om te antwoorden op de middelen van wraking. In zijn verklaring heeft de gewraakte magistraat aan deze verplichting voldaan, op gedetailleerde en neutrale wijze, en in passende bewoordingen, op één uitzondering na. De gewraakte magistraat stelt in punt A-7 van zijn verklaring dat de wrakingsprocedure geen andere bedoeling heeft dan het verloop van de evaluatieprocedure stil te leggen. De gewraakte magistraat had zich van deze persoonlijke beoordeling beter onthouden, doch uit deze enkele passage kan geen wettige verdenking of hoge graad van vijandschap worden afgeleid. De heer R..S. werd inderdaad toen reeds voor de derde maal door verzoekster gewraakt, waarbij de twee laatste keren het verzoekschrift tot wraking neergelegd werd de ochtend vóór het geplande evaluatiegesprek. In die omstandigheden dient voornoemde passage enkel geïnterpreteerd te worden als een tijdelijke uiting van ongenoegen over de door verzoekster gehanteerde procedure. Deze passage toont echter geen wettige verdenking of hoge graad van vijandschap aan in hoofde van de gewraakte magistraat met het oog op de te voeren evaluatie. Dit laatste kan evenmin worden afgeleid uit het gegeven dat de gewraakte magistraat in zijn schriftelijke verklaring niet op alle middelen van het verzoekschrift antwoordt." (cf. p. 4, nr. C.3 en p. 5, eerste alinea van het vonnis). Grieven Schending van artikel 828, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, van artikel 6.1 van het EVRM, van het algemeen rechtsbeginsel van onpartijdigheid van de rechter, en, voor zoveel als nodig, van de artikelen 259novies, eerste lid, 259decies, §2, en 836 van het Gerechtelijk Wetboek. 1. Overeenkomstig artikel 259novies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, worden de werkende beroepsmagistraten onderworpen aan een gemotiveerde schriftelijke evaluatie. Volgens artikel 259decies, §2, van hetzelfde wetboek, geschiedt de evaluatie bij volstrekte meerderheid van stemmen door de korpschef of de voorzitter van de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank en twee magistraten, verkozen door de algemene vergadering of de korpsvergadering, of, eventueel door de korpschef alleen. Op deze procedure tot evaluatie van magistraten zijn de regels inzake wraking bedoeld in de artikelen 828 tot 847 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing. Artikel 828, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat iedere rechter kan worden gewraakt wegens wettige verdenking. 2. Overeenkomstig artikel 836 van het Gerechtelijk Wetboek wordt de akte van wraking binnen 24 uur door de griffier overhandigd aan de gewraakte rechter en is deze gehouden om binnen twee dagen onderaan op die akte een verklaring te stellen luidens welke hij in de wraking berust of weigert zich van de zaak te onthouden, met zijn antwoord op de middelen tot wraking. De rechtbank van eerste aanleg stelt vast dat de gewraakte magistraat daarin verklaarde dat "het duidelijk (

  1. is)dat de wrakingsprocedure geen andere bedoeling heeft dan het verloop van de evaluatieprocedure andermaal stil te leggen" (cf. in die zin p. 3, eerste alinea van de verklaring) maar meent dat dit geen wettige verdenking als wrakingsgrond oplevert: "De gewraakte magistraat had zich van deze persoonlijke beoordeling beter onthouden, doch uit deze enkele passage kan geen wettige verdenking of hoge graad van vijandschap worden afgeleid. De heer R.S. werd inderdaad toen reeds voor de derde maal door verzoekster gewraakt, waarbij de twee laatste keren het verzoekschrift tot wraking neergelegd werd de ochtend vóór het geplande evaluatiegesprek. In die omstandigheden dient voornoemde passage enkel geïnterpreteerd te worden als een tijdelijke uiting van ongenoegen over de door verzoekster gehanteerde procedure. Deze passage toont echter geen wettige verdenking of hoge graad van vijandschap aan in hoofde van de gewraakte magistraat met het oog op de te voeren evaluatie. Dit laatste kan evenmin worden afgeleid uit het gegeven dat de gewraakte magistraat in zijn schriftelijke verklaring niet op alle middelen van het verzoekschrift antwoordt". (cf. p. 5, eerste alinea van het vonnis). 3. Artikel 836 van het Gerechtelijk Wetboek legt de gewraakte magistraat nochtans geen andere verplichting op dan mee te delen of hij in de wraking berust dan wel weigert, met beantwoording van de middelen tot wraking. Over de ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek hoeft de gewraakte in de bewuste verklaring geen standpunt in te nemen. Doet hij dit toch, en laat hij zich daarbij in negatieve bewoordingen uit over het vermeend oogmerk van het wrakingsverzoek, dan roept die rechter over zichzelf een gewettigde twijfel in de zin van artikel 828, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek af aangaande zijn geschiktheid om op een onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen over de zaak zelf, in voorliggend geval dus over de evaluatie van eiseres. 4. De beslissing dat de verklaring door de gewraakte - dat de wrakingsprocedure geen andere bedoeling heeft dan het verloop van de evaluatieprocedure andermaal stil te leggen - geen wettige verdenking oplevert aangaande zijn geschiktheid om op een onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen over de zaak zelf, miskent dan ook artikel 828, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek (schending van die bepaling en tevens, voor zoveel als nodig, van artikel 836 van het Gerechtelijk Wetboek). De beslissing dat het wrakingsverzoek van eiseres ongegrond is, miskent tegelijk ook de onpartijdigheidvereiste zoals bepaald in artikel 6.1 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid van de rechter (schending van die bepalingen en tevens, voor zoveel als nodig, van de artikelen 259novies, eerste lid, 259decies, §2 van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Krachtens artikel 828, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, kan iedere rechter worden gewraakt wegens wettige verdenking. Dit is het geval wanneer de door de verzoeker aangevoerde feiten bij partijen en derden gewettigde verdenking kunnen wekken aangaande de geschiktheid van die magistraat om op onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen. 2. Krachtens artikel 836, eerste en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, wordt de akte van wraking binnen de vierentwintig uren door de griffier overhandigd aan de gewraakte rechter, die gehouden is binnen de twee dagen onderaan die akte een verklaring te stellen, luidens welke hij in de wraking berust of weigert zich van de zaak te onthouden, met zijn antwoord op de middelen van wraking. 3. Uit de enkele omstandigheid dat de gewraakte magistraat zich bij het formuleren van zijn antwoord op de middelen van de wraking overeenkomstig voormeld artikel 836, in bewoordingen die niet wijzen op een gebrek aan objectiviteit, uitspreekt over wat volgens hem de daadwerkelijke reden is van het wrakingsverzoek, kan geen wettige verdenking worden afgeleid. 4. Het bestreden vonnis vermocht, zonder schending van voormeld artikel 828, 1°, te oordelen dat: - waar de gewraakte magistraat reeds voor de derde maal werd gewraakt door de eiseres, de twee laatste keren de ochtend voor het geplande evaluatiegesprek, uit het feit dat hij in zijn verklaring overeenkomstig voormeld artikel 836 stelde dat de wrakingsprocedure geen andere bedoeling had dan het verloop van de evaluatieprocedure stil te leggen, slechts een tijdelijke uiting van ongenoegen kan worden afgeleid, maar geen wettige verdenking of hoge graad van vijandschap; - dit laatste evenmin kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat de magistraat in zijn verklaring niet op alle middelen van het verzoekschrift antwoordt. In zoverre gesteund op de schending van voormeld artikel 828, 1°, kan het middel niet worden aangenomen. 5. De overige grieven zijn volledig afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van dit artikel 828, 1°, en zijn mitsdien niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van nul euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Benoît Dejemeppe, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué en in openbare terechtzitting van 26 juni 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols. J. Pafenols G. Jocqué A. Smetryns B. Deconinck B. Dejemeppe R. Boes PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090626.11 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.864 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.865 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.