← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090626.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090626.8 Rolnummer: C.07.0548.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2009-07-07 Raadplegingen: 634 - laatst gezien 2026-07-03 00:42 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Behalve in geval van hoogdringendheid, onmogelijkheid te informeren of weigering om geïnformeerd te worden, verstrekt een zorgvuldige arts de patiënt op voorafgaande en duidelijke wijze de inlichtingen vereist om met kennis van zaken te kunnen instemmen met de voorziene medische tussenkomst; deze inlichtingen hebben betrekking op het doel, de aard, de graad van urgentie, de duur, de frequentie, de voor de patiënt relevante tegenaanwijzingen, nevenwerkingen en risico's verbonden aan de tussenkomst, de nazorg, de mogelijke alternatieven en de financiële gevolgen; ze betreffen bovendien de mogelijke gevolgen in geval van weigering of intrekking van de toestemming en de andere door de patiënt of de beroepsbeoefenaar relevant geachte verduidelijkingen; de omstandigheid dat een door de modale arts gekend en belangrijk risico verbonden aan de tussenkomst zich slechts in uitzonderlijke gevallen voordoet, ontslaat de zorgvuldige arts niet van de verplichting dit risico aan de patiënt ter kennis te brengen; de belangrijkheid van de klachten van de patiënt, noch de omstandigheid dat voorheen uitgevoerde andere tussenkomsten geen resultaat opleverden, ontslaan de zorgvuldige arts niet van zijn informatieverplichting

(1).
(1)Zie Cass., 12 mei 2006, AR C.05.0021.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060512.7, A.C., 2006, nr 270, met concl. van advocaat-generaal met opdracht de Koster in Pas. Het O.M. sloot zich in hoofdorde aan bij de eerste door de verweerders opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid van het middel wegens onduidelijkheid en stelde ook in vraag of de eiser wel het vereiste belang had, nu hij niet stelde dat de patiënte, zonder de tekortkoming aan de informatieverplichting, dus in het geval dat deze wel was nagekomen, niet zou toegestemd hebben, de risicovolle behandeling zou geweigerd hebben en slechts zou toegestemd hebben in de minder riskante behandeling en aldus het schadeverwekkend risico niet zou gelopen hebben. M.a.w., de eiser trok uit de beweerdelijk ten onrechte door het arrest verworpen fout geen rechtsgevolg t.a.v. de door hem beweerdelijk geleden schade (door gebrek in de toestemming van de verzekerde of door oorzakelijk verband). Het O.M. refereerde hierbij aan het voormelde arrest van het Hof. Maar, als hij dan toch een gevolg zou getrokken hebben was dat eerder slechts dat van een gemiste kans voor de patiënte om enkel toe te stemmen in een behandeling met minder risico en dus een gemiste kans om geen schade op te lopen. Het O.M. concludeerde dat, in het geval het Hof zou oordelen dat het middel wel voldoende nauwkeurig was en dat de eiser het vereiste belang had, het middel wel gegrond kon verklaard worden. Het verwees hierbij, zoals de toelichting, naar twee arresten van 7 okt. 1998 van de Franse Cour de Cassation, met concl. van advocaat-generaal J. Sainte-Rose, JCP, 1998, II, nr 10179, p.
  1. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Arts - Aansprakelijkheid Vrije woorden: Arts - Informatieverplichting - Begrip - Voorwaarden - Voorwerp - Belangrijk doch uitzonderlijk risico Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1382 en 1383 Thesaurus CAS: ARTS UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Arts - Aansprakelijkheid Vrije woorden: Aansprakelijkheid - Informatieverplichting - Begrip - Voorwaarden - Voorwerp - Belangrijk doch uitzonderlijk risico Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1382 en 1383 Annotaties Publicaties: NjW - BOONE Ingrid - 2009/211 - p. 812-816 Tijdschrift voor Belgisch Burgerlijk Recht [TBBR] - D'HAESE, Ruth; Noot "De verplichting van de arts tot het verstrekken van afdoende informatie omtrent de risico's" - 2012, nr. 7, p. 309-
  2. Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.07.0548.N NATIONAAL VERBOND VAN SOCIALISTISCHE MUTUALITEITEN, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
  3. V. V.,
  4. D. G.,
  5. OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN ANTWERPEN, met zetel te 2000 Antwerpen, Lange Gasthuisstraat 30,
  6. ETHIAS DROIT COMMUN, onderlinge verzekeringsvereniging, met zetel te 3500 Hasselt, Prins-Bisschopssingel 73, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 25 juni 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. FEITEN Mevrouw G.N. ondervond vanaf augustus 1998 pijn in de nek, met uitstraling en gevoelsstoornissen in de linkerpink en -ringvinger. Na een aanvankelijke behandeling werd ze door haar huisarts doorverwezen naar Dr. Abts. Deze neuroloog liet een EMG uitvoeren, waaruit bleek dat een zenuw gekneld zat en hij verwees mevrouw G.N. door naar een neurochi¬rurg, Dr. D. . Dr. D. stelde aan mevrouw G.N. voor een laterocervicale myelografie uit te voeren. Hij deelde haar mee dat ze voor dit onderzoek een prik in de hals zou krijgen, dat ze niet mocht praten en dat ze twee à drie dagen gehospitaliseerd zou blijven. Op 19 november 1998 werd het onderzoek in het OCMW-ziekenhuis Middelheim te Antwerpen uitgevoerd. Dr. V. spoot de contrastvloeistof hoog in de nek van mevrouw G.N. in. Hierbij kwetste ze het rug¬genmerg van mevrouw G.N. door het aan te prikken en met contrastvloeistof in te spuiten. Onmiddellijk voelde mevrouw G.N. een "ontploffing" in de rechterkant van haar hoofd en maakte een kloppende beweging met de voet, waarna Dr. V. de naald terugtrok. De radioloog ging vervolgens over tot de myelografie en mevrouw G.N. mocht ‘s anderendaags het ziekenhuis verlaten. Een dag na het verlaten (van het) ziekenhuis werd mevrouw G.N. evenwel via de spoeddienst opnieuw opgenomen wegens helse pijn. Door middel van een MRI-scan werd een bloeding in het ruggenmerg vastgesteld. Sedert het aanprikken van het ruggenmerg bij de myelografie van 19 november 1998 ondervindt mevrouw G.N. voortdurend hevige gevoels¬stoornissen en stekende en uitstralende pijn in haar nek, hoofd en arm, waardoor zij haar beroep als lerares in het secundair onderwijs niet meer kan uitoefenen. Mevrouw G.N. dagvaardde Dr. Verschaeren, Dr. D., het OCMW Antwerpen en hun verzekeraar Ethias voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen teneinde vergoeding te bekomen voor de schade geleden naar aanleiding van de uitgevoerde myelografie. III. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 23 van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 1108 tot en met 1117, 1146, 1147, 1149, 1150, 1151, 1382, 1383 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 86 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereen¬komst. Aangevochten beslissingen In het arrest van 25 juni 2007 verklaart het Hof van Beroep te Ant¬werpen het door de verweerders tegen het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen van 10 februari 2005 aangetekende hoger beroep ont¬vankelijk en gegrond, hervormt het beroepen vonnis en verklaart de oorspron¬kelijke tussenvordering van de eiser, ertoe strekkende de verweerders te horen veroordelen tot terugbetaling van de bedragen die eiser met betrekking tot de ge¬zondheidszorgen en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen aan haar verzekerde G.N. heeft uitgekeerd, ontvankelijk doch ongegrond. Het hof van beroep stoelt deze beslissing op volgende motieven: "5.
  7. Aangaande de vordering van (mevrouw G.N. en de eiser). 5.2.
  8. Naar aanleiding van de hierboven bedoelde feiten vorderen (mevrouw G.N. en de eiser) schadeloosstelling van de (eerste drie verweerders), zowel op contractuele basis (artikel 1146 e.v. van het Burgerlijk Wetboek) als op quasi-delictuele grondslag (artikel 1382 - 1383 B.W. en, wat (de derde verweerder) betreft, bovendien artikel 1384, al. 3, B.W. en artikel 17novies van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd bij K.B. van 7.8.1987); van (de vierde verweerster) als verzekeraar burgerrechtelijke aansprakelijkheid van (de eerste drie verweerders) (artikel 86 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomsten, hierna WLVO). 5.2.
  9. Het (hof van beroep) stelt in eerste orde vast dat (de verweerders) niet betwisten dat zij principieel door (mevrouw G.N. en de eiser) op alle voormelde grondslagen kunnen aangesproken worden. De betwisting beperkt zich tot de vraag of terzake de toepassingsvoorwaarden van de contractuele en/of quasi-delictuele aansprakelijkheid vervuld zijn. (Mevrouw G.N. en de eiser) menen van wel, (de verweerders) zijn een tegengesteld oordeel toegedaan. 5.2.
  10. Een geneesheer (-specialist) neemt in principe geen resultaatsverbinte¬nis op zich, doch slechts een middelenverbintenis. De medicus belooft inder¬daad niet dat het resultaat van de behandeling de genezing van de patiënt zal zijn. Hij verbindt er zich enkel toe als een nauwgezette en gewetensvolle ge¬neesheer de middelen die de huidige medische wetenschap hem ter beschikking stelt, te zullen aanwenden om het verhoopte of gewenste resultaat (de genezing of de verbetering van de gezondheidstoestand van de patiënt) te realiseren. Daaruit volgt dat de aansprakelijkheid van een geneesheer (-specialist) slechts betrokken is in geval van bewijs, te leveren door het slachtoffer, van een spe¬cifiek gebrek aan voorzorg van die geneesheer (-specialist). Criterium ter beoordeling van de aansprakelijkheid van de geneesheer (-specialist) is derhalve de (in abstracto) vergelijking van de gedraging van de geneesheer (-specialist) met de veronderstelde gedragswijze van een normaal zorgvuldige en omzich¬tige geneesheer (-specialist) (de goede huisvader) geplaatst in dezelfde con¬crete externe omstandigheden. Fout is er zodra er een afwijking is van de veronderstelde gedraging van de goede huisvader. Dat alles geldt zowel op contractueel vlak (artikel 1146 e.v. B.W.) als op quasi - delictueel vlak (artikel 1382-1383 B.W.) ten aanzien van eigen wanprestaties, fouten en/of onzorgvuldigheden van de geneesheer (-specialist). 5.2.
  11. Degene die schadevergoeding vordert bij toepassing van de artikel 1146 e.v. B.W. en/of van de artikel 1382-1383 B.W. moet bewijzen dat door degene die hij/zij aansprakelijk acht een wanprestatie/fout/onzorgvuldigheid werd begaan in oorzakelijk verband met de schade op vergoeding waarvan hij/zij aanspraak maakt. (Mevrouw G.N. en de eiser) dragen bijgevolg de bewijslast. Aangezien het hier gaat om het bewijs van rechtsfeiten, kunnen (mevrouw G.N. en de eiser) aan die bewijslast voldoen door alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen. 5.2.5 Aangaande de beweerde wanprestatie, fout en/of onzorgvuldigheid van (de eerste drie verweerders). 5.2.5.
  12. (Mevrouw G.N. en de eiser) laten gelden dat (de eerste drie verweerders) een wanprestatie/fout/onzorgvuldigheid hebben begaan én bij het stellen van de indicatie voor het onderzoek, én bij de voorlichting van (mevrouw G.N. ), én bij de uitvoering van de behandeling, én bij de opvolging naderhand. Het (hof van beroep) stelt dienaangaande vast dat de onderscheiden aspecten van het geschil in het kader van het deskundigenonderzoek specifiek aan bod geko¬men zijn, inzonderheid op de derde expertisezitting die op 8 november 2000 is doorgegaan in het U.Z. te Antwerpen. (...) 5.2.5.
  13. De naleving van de informatieverplichting. Dienaangaande schrijft het college van deskundigen op bladzijde 7 van zijn verslag, onder nr. 2 en 3: ‘Aangaande de informatie die op voorhand aan Mevrouw G.N. verstrekt werd aangaande het onderzoek, de gebruikte techniek en de ri¬sico's die hieraan verbonden waren. Hierop antwoordt Dr. D. dat aan Mevrouw G.N. op voorhand gezegd was dat zij een prik in de hals zou krijgen en dat zij twee à drie dagen gehospitaliseerd diende te blijven. Het risico op het aanprikken van het ruggenmerg werd niet vermeld vermits het gaat om een extreem zeldzame complicatie. Ook hier bevestigt het college dat het op het ogenblik van de feiten de gangbare medische praktijk was om extreem zeldzame complicaties niet op voorhand aan de patiënt te vermelden, teneinde een nutteloze af¬schrikking te vermijden. Aangaande wie bepaalt met welke techniek het contrast wordt ingespo¬ten, namelijk hoog in de nek of lumbaal. Hierop antwoordde Dr. D. en Dr. V.dat dit bepaald wordt door de gewoonte van de dienst waar men werkt. Het college voegt hieraan toe dat beide technieken als gelijkwaardig worden aanzien. De inspuiting hoog in de nek geeft een betere kwaliteit van beelden met minder toediening van contrast, maar vraagt meer ervaring van de persoon die de inspuiting uitvoert. In het Middelheimziekenhuis worden sinds jaren gemiddeld een honderdtal on¬derzoekingen per jaar op deze wijze uitgevoerd'. In de ‘algemene bespreking' (bladzijde 10) herhaalt het college van deskundi¬gen ‘dat Mevrouw G.N. voldoende geïnformeerd werd. Het niet expliciet op voorhand vermelden van een extreem zeldzame complicatie is gangbare me¬dische praktijk en wordt niet beoordeeld als het geven van onvoldoende informatie'. Na de mededeling op 10 juli 2002 van het verslag in voorlezing verduidelijkt het college van deskundige zijn standpunt in een antwoord op een reactie van de raadsman van (mevrouw G.N. ) als volgt (bladzijde 11): ‘In de brief van 18 december 2002 vraagt Mr. V.P.antwoord op volgende vraag: ‘Waarom heeft de cervicale punctie (de inspuiting van contrastvloeistof via de nek) een verhoogd risico t.o.v. de lumbale techniek (in¬spuiting via de rug)?' Dit punt werd reeds uitvoerig besproken tijdens de expertise-zittingen, wij verwijzen o. a. naar de antwoorden op de vragen voorgelegd door Dr. De Meyere op de derde zitting van 8 november
  14. Ter wille van de duidelijkheid herhalen wij dat het voornaamste risico van myelografie via cervicale punctie het aanprikken van het ruggenmerg is, zowel bij de hoge punctie op de middellijn tussen de schedel en de eerste halswervel (de suboccipitale punctie) als bij de zijdelingse punctie (de la¬terocervicale punctie) tussen de eerste en de tweede halswervel. Hierdoor kan een beschadiging optreden van het ruggenmerg, niet zozeer rechtstreeks door de naald zelf dan wel door het ontstaan van een bloe¬ding door het aanprikken van een bloedvat of door de ingespoten con¬traststof. In beide gevallen ontstaat door de ophoping van bloed of con¬traststof een druk op het ruggenmerg met beschadiging van vezels of ba¬nen. Gelukkig is deze verwikkeling uiterst zeldzaam wanneer het onderzoek wordt uitgevoerd door een ervaren onderzoeker. Wanneer het rug¬genmerg toch gekwetst wordt zijn de gevolgen meestal een vermindering van de spierkracht of van het gevoel in een bepaald gedeelte van het li¬chaam, extreem zelden kan zoals bij Mevrouw G.N. een overgevoe¬ligheid optreden door het aanprikken van de kern van de hersenzenuw. De alternatieve techniek met lumbale inspuiting geeft geen risico op aanprikken van ruggenmerg, daar de inspuiting gebeurt onderaan in de rug, lager dan het onderste gedeelte van het ruggenmerg. Hierbij is er wel een risico op aanprikken van de zenuwvezels van de paardenstaart, die het ruggenmerg verbinden met de onderste ledematen. Met de huidige dunne naalden worden deze vezels meestal eerder opzij geduwd dan wel geraakt. Blijvende restletsels van een lumbale myelografie zijn uiterst zeld¬zaam. De beeldvorming van het ruggenmerg ter hoogte van de nek of cervicale myelografie geeft na inspuiting van contrast onderaan in de rug een min¬dere kwaliteit van de beelden dan deze na inspuiting van het contrast hoog in de nek, omdat bij deze laatste techniek het contrast minder ver¬dund wordt in het cerebrospinaal vocht'. Met het college van deskundigen is het (hof van beroep) van oordeel ook in dit verband geen wanprestatie/fout/onzorgvuldigheid van (de eerste drie verweerders) te moeten aanvaarden. Terecht gaat (mevrouw G.N. ) ervan uit dat het recht op fysieke integriteit en het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt vereisen dat voorafgaand zijn toestemming tot een ingreep of een onderzoek wordt verkregen en dat die toestemming ‘geïnformeerd' moet zijn. Aan de patiënt moet alle relevante informatie worden medegedeeld. De arts dient weliswaar de vrije en geïnformeerde toestemming van de patiënt te verkrijgen alvorens hij een onderzoek uitvoert waaraan risico's verbonden zijn. Maar, de draagwijdte van die informatieplicht moet worden beoordeeld aan de hand van verschillende criteria waaronder de risicofrequentie, de ernst van het risico, de persoon van de patiënt, de aard en het doel van het onderzoek of de ingreep en de risico's ingeval van niet-ingrijpen. Terzake staat vast: - dat het risico van het aanprikken van het ruggenmerg een extreem zeldzame complicatie is van een myelografie via cervicale punctie, zijnde een gangbare techniek: het tegendeel blijkt niet uit de onderscheiden studies die thans door (mevrouw G.N. ) worden voorgelegd; - dat dit risico, in geval het zich toch voordoet, in de regel eerder geringe gevolgen heeft (een vermindering van de spierkracht of van het gevoel in een bepaald gedeelte van het lichaam); - dat het optreden van een overgevoeligheid, zoals bij (mevrouw G.N. ), extreem zeldzaam voorkomt als gevolg van het aanprikken van een hersenzenuw. Aan (de eerste twee verweerders) kan in de gegeven omstandigheden niet ten laste worden gelegd dat zij (mevrouw G.N. ), voorafgaand de uitvoering van het onderzoek, niet hebben geïnformeerd over het uiterst zeldzame risico van het aanprikken van het ruggenmerg en over het uiterst zeldzame gevolg daarvan bestaande in het optreden van een overgevoeligheid. Al evenmin valt aan (de eerste twee verweerders) te verwijten dat zij (mevrouw G.N. ) niet vooraf hebben ingelicht over het bestaan van het alternatief van de lumbale inspuiting. Weliswaar zijn aan deze techniek (nog) minder risico's verbonden, maar het uitvoeren van een myelografie via cervicale punctie was objectief verantwoord omwille van de kans op een beter resultaat (betere kwa¬liteit van de beelden). Dat alles geldt alleen maar des te meer omdat de klachten van (mevrouw G.N. ) belangrijk waren en de klassieke onderzoekstechnieken niet tot het gewenste resultaat hadden geleid (zie hierboven nr. 5.2.5.3). Met het college van deskundigen is het (hof van beroep) in de gegeven omstandigheden van oordeel dat ook de normaal voorzichtige en zorgvuldige geneesheer (spe¬cialist), geplaatst in dezelfde concrete externe omstandigheden, (mevrouw G.N. ) van deze gegevens niet expliciet op voorhand op de hoogte zou hebben gesteld. (...) 5.2.
  15. Bij gebrek aan bewijs door (mevrouw G.N. en de eiser) van een wanneer prestatie/fout/onzorgvuldigheid van (de eerste drie verweerders), kan uit dien hoofde terzake geen sprake zijn van contractuele of quasi-delictuele aanspra¬kelijkheid van de betrokkenen. Op de andere toepassingsvoorwaarden, meer bepaald op de vereisten van schade en causaal verband, moet bijgevolg niet verder worden ingegaan. 5.2.
  16. Bij gebrek aan wanprestatie/fout/onzorgvuldigheid van (de eerste twee verweerders), is ook de samengestelde quasi-delictuele aansprakelijkheid van de (de derde verweerder) terzake uitgesloten, dit zowel in het licht van de artikelen 1382-1383 B.W. (orgaantheorie), als bij toepassing van artikel 1384, al. 3, B.W. (aanstelling) en van artikel 17novies van de wet op de ziekenhuizen. Het college van deskundigen bevestigt op bladzijde 8 van het verslag ‘dat het oordeelt dat niet alleen de radioloog maar ook de neurochirurg geen medische fout kan verweten worden' en dat ‘de tussenkomst van paramedici... hier niet relevant (is)'. 5.2.
  17. Zonder aansprakelijkheid van (de eerste, tweede of derde verweerder), haar verzekerden, beschikken (mevrouw G.N. en de eiser) tegen (de vierde verweerster) niet over het eigen recht bedoeld bij artikel 86 WLVO. 5.2.
  18. Uit wat voorafgaat volgt dat het hoger beroep van (de verweerders) gegrond is. Dat impliceert meteen dat de uitgebreide vordering van (mevrouw G.N. ) strekkende tot toekenning ten laste van (de verweerders) van een vor¬dering tot schadeloosstelling wegens tergend of roekeloos hoger beroep, als ongegrond wordt afgewezen" (arrest, pp. 14-16, 18-23 en 27). Grieven
  19. Artikel 23 van de gecoördineerde Grondwet waarborgt aan eenieder het recht een menswaardig leven te leiden. Uit de artikelen 1108 tot en met 1117 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat een overeenkomst slechts rechtsgeldig kan worden gesloten met geldige toestemming van de partij die zich verbindt. Ook de overeenkomst tussen geneesheer en patiënt met betrekking tot een uit te voeren medisch onderzoek of medische behandeling vereist een geldige toestemming van de patiënt. Een medisch onderzoek of behandeling die een aantasting van de fysieke en/of psychische integriteit van de patiënt impliceert, kan door de ge¬neesheer slechts worden uitgevoerd indien de patiënt daartoe toestemming verleent. De patiënt kan slechts geldig toestemming tot een onderzoek of ingreep verlenen indien hij hieromtrent voorafgaandelijk wordt geïnformeerd. De geneesheer heeft dus - behalve in geval van hoogdringendheid, onmoge¬lijkheid te informeren of wanneer de patiënt weigert om geïnformeerd te wor¬den - de plicht de patiënt vooraf te informeren omtrent de diagnose, de aard, noodzakelijkheid en efficiëntie van het voorgestelde onderzoek of behande¬ling, de kosten en nadelige gevolgen ervan evenals omtrent de eraan verbon¬den risico's. De miskenning van deze - uit o.m. artikel 23 van de gecoördi¬neerde Grondwet en de artikelen 1108 tot en met 1117 van het Burgerlijk Wetboek voortvloeiende - informatieplicht door de geneesheer zal zijn aan¬sprakelijkheid wegens de eruit voortvloeiende schade teweegbrengen op grond van de artikelen 1146, 1147, 1149, 1150 en 1151 van het Burgerlijk Wetboek, minstens op grond van de artikelen 1382 en 1383 en van dit Wetboek. In die hypothese zal de aansteller van de geneesheer voor de schade aansprakelijk zijn op grond van artikel 1384, derde lid van het Burgerlijk Wetboek. Het slachtoffer zal op grond van artikel 86 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst een rechtstreekse vordering tot schadevergoeding kunnen instellen tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar van de geneesheer en zijn aansteller.
  20. Bij de beoordeling welke aan een voorgesteld onderzoek of behandeling verbonden risico's door de geneesheer voorafgaand aan de patiënt dienen te worden meegedeeld, dient niet alleen rekening te worden gehouden met de frequentie van het risico, doch ook met de ernst van de mogelijke gevolgen van de realisatie van het risico, alsmede met de persoon van de pati¬ënt. De geneesheer heeft dienvolgens - behalve in geval van hoogdringendheid, onmogelijkheid te informeren of wanneer de patiënt weigert om geïnformeerd te worden - de plicht om de patiënt een eerlijke, duidelijke en aangepaste informatie te verschaffen omtrent de ernstige risico's verbonden aan de voorgestelde onderzoeken en behandelingen. Het loutere feit dat deze risico's zich slechts zelden realiseren, ontslaat de geneesheer niet van zijn informatieplicht.
  21. De eiser en mevrouw G.N. voerden in hun besluiten voor het hof van beroep aan dat: - de arts de nadelige gevolgen of de risico's van een ingreep of onderzoek aan de patiënt dient mee te delen; de arts dient de patiënt in te lichten over de ri¬sico's die vaak voorkomen en over de risico's die zelden voorkomen doch zware gevolgen kunnen teweegbrengen. Een niet vaak voorkomend risico dat ernstige gevolgen kan hebben, moet dus aan de patiënt meegedeeld worden (syntheseberoepsbesluiten van eiser, pp. 8-9; conclusies in hoger beroep van mevrouw G.N. , p. 5); - Dr. D. aan het college van deskundigen zelf verklaarde dat hij patiënt G.N. had meegedeeld dat ze een prik in de hals zou krijgen en 2 à 3 dagen gehospitaliseerd diende te blijven, doch dat het risico op het aanprikken van het ruggenmerg niet werd vermeld (syntheseberoepsbesluiten van de eiser, p. 10); - het aanprikken van het ruggenmerg, alhoewel weinig voorkomend, een ge¬kend en inherent risico is van een myelografie via cervicale punctie, die zeer ernstige verwikkelingen kan teweegbrengen, zoals invaliditeit en zelfs de dood (syntheseberoepsbesluiten van de eiser, pp. 10-11); - de arts niet kan ontslagen worden van zijn informatieplicht jegens zijn patiënt wegens het uitsluitende feit dat een ernstig risico zich slechts zelden voordoet (conclusies in hoger beroep van mevrouw G.N. , p. 11); - het risico, dat zich heeft voorgedaan, derhalve aan mevrouw G.N. diende te worden meegedeeld en de afwezigheid van een adequate voorafgaande informatie van mevrouw G.N. een foutief medisch handelen uitmaakt, zodat de verweerders aansprakelijk zijn voor de door deze fout veroorzaakte schade (syntheseberoepsbesluiten van eiser, p. 11; conclusies in hoger beroep van mevrouw G.N. , p. 9).
  22. Het hof van beroep beslist in het aangevochten arrest dat eer¬ste twee verweerders niet kan verweten worden mevrouw G.N. niet voor¬afgaandelijk aan het uitgevoerde onderzoek te hebben ingelicht omtrent het eraan verbonden risico dat zich vervolgens heeft gerealiseerd nu: - de myelografie via cervicale punctie een gangbare techniek is, - het risico van het aanprikken van het ruggenmerg een extreem zeldzame complicatie is, - bij realisatie van het risico de gevolgen in de regel eerder gering zijn, - het optreden van een overgevoeligheid, zoals bij mevrouw G.N. - waarvan het hof van beroep niet ontkent dat dit een zeer ernstig gevolg is - extreem zeldzaam voorkomt. Een normaal voorzichtig en zorgvuldig geneesheer (-specialist), geplaatst in dezelfde concrete externe omstandigheden zou volgens het hof van beroep mevrouw G.N. niet expliciet op voorhand op de hoogte hebben gesteld van deze gegevens. Op grond van de loutere vaststelling dat het risico dat zich heeft gerealiseerd een zeldzame complicatie van het uitgevoerde onderzoek is en het opgelopen letsel (overgevoeligheid), waarvan niet wordt ontkend dat het een ernstig letsel betreft, in geval van dit risico zeldzaam voorkomt, kon het hof van beroep niet wettig besluiten dat aan eerste twee verweerders niet kan worden telastegelegd dat zij mevrouw G.N. , voorafgaand aan de uitvoering van het onderzoek, hieromtrent niet hebben geïnformeerd en dat zij, door niet-mededeling van deze informatie, gehandeld hebben zoals een normaal voor¬zichtige en zorgvuldige geneesheer(-specialist), geplaatst in dezelfde concrete externe omstandigheden. De omstandigheid dat de klachten van mevrouw G.N. belangrijk waren en de klassieke onderzoekstechnieken niet tot het gewenste resul¬taat hebben geleid, doet geen afbreuk aan de onwettigheid van de beslissing van het hof van beroep. Door te beslissen dat aan de eerste twee verweerders geen tekortko¬ming aan hun informatieplicht kan verweten worden en op die grond de door de eiser tegen de verweerders ingestelde vordering tot schadevergoeding als onge¬grond af te wijzen, schendt het hof van beroep de in de aanhef van het middel aangehaalde Grondwets- en wetsbepalingen. IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid
  23. De verweerders werpen een eerste grond van niet-ontvankelijkheid van het middel op: het middel is onduidelijk. Het middel duidt op afdoende wijze aan hoe het arrest de als geschonden aangewezen wettelijke bepalingen schendt. De grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen.
  24. De verweerders werpen een tweede grond van niet-ontvankelijkheid van het middel op: het middel komt op tegen een feitelijke beoordeling. Het middel vecht geen feitelijke beoordeling aan, maar voert aan dat het arrest niet vermocht te oordelen dat de bedoelde geneesheren niet te kort zijn gekomen aan hun informatieplicht op grond dat de bedoelde complicatie van de toegepaste behandeling slechts zeer extreem voorkomt. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Middel
  25. Behalve in geval van hoogdringendheid, onmogelijkheid te informeren of weigering om geïnformeerd te worden, verstrekt een zorgvuldige arts de patiënt op voorafgaande en duidelijke wijze de inlichtingen vereist om met kennis van zaken te kunnen instemmen met de voorziene medische tussenkomst. Deze inlichtingen hebben betrekking op het doel, de aard, de graad van urgentie, de duur, de frequentie, de voor de patiënt relevante tegenaanwijzingen, nevenwerkingen en risico's verbonden aan de tussenkomst, de nazorg, de mogelijke alternatieven en de financiële gevolgen. Ze betreffen bovendien de mogelijke gevolgen in geval van weigering of intrekking van de toestemming en de andere door de patiënt of de beroepsbeoefenaar relevant geachte verduidelijkingen. De omstandigheid dat een door de modale arts gekend en belangrijk risico verbonden aan de tussenkomst zich slechts in uitzonderlijke gevallen voordoet, ontslaat de zorgvuldige arts niet van de verplichting dit risico aan de patiënt ter kennis te brengen. De belangrijkheid van de klachten van de patiënt, noch de omstandigheid dat voorheen uitgevoerde andere tussenkomsten geen resultaat opleverden, ontslaan de zorgvuldige arts niet van zijn informatieverplichting.
  26. De appelrechters stellen vast dat: - volgens de gerechtsdeskundigen, het aanprikken van het ruggenmerg een gekend risico is van myelografie met cervicale inspuiting van het contrast en dat om die reden in vele centra het contrast laag in de rug wordt ingespoten, waar er geen mogelijkheid is tot beschadiging van het ruggenmerg, maar waarbij een mindere kwaliteit van medische beeldvorming wordt bekomen; - het risico van het aanprikken van het ruggenmerg een extreem zeldzame complicatie is van myelografie via cervicale punctie; - dit risico, in geval het zich voordoet, in de regel eerder geringe gevolgen heeft; - het optreden van een overgevoeligheid extreem zeldzaam voorkomt als gevolg van het aanprikken van een hersenzenuw.
  27. Zij oordelen dat aan de eerste twee verweerders in de gegeven omstandigheden niet kan worden ten laste gelegd dat zij de patiënt niet hebben ingelicht van dit uiterst zeldzaam risico, te meer daar de klachten van de patiënt belangrijk waren en de andere onderzoekstechnieken, met name een CT-scan en een MR onderzoek, niet tot het gewenste resultaat hadden geleid. De appelrechters gronden zodoende hun beslissing op het feit dat de risico's zich slechts zelden realiseren. Door aldus te oordelen verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart en uitspraak doet over de vordering van de Vlaamse Gemeenschap. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden, gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocquè, en in openbare terechtzitting van 26 juni 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols. J. Pafenols G. Jocqué A. Smetryns B. Deconinck R. Boes I. Verougstraete PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090626.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060512.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.