← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090714.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 juli 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090714.2 Rolnummer: P.09.1076.N Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2009-08-13 Raadplegingen: 857 - laatst gezien 2026-07-02 22:33 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Artikel 6 EVRM heeft in beginsel enkel betrekking op de uitoefening van het recht van verdediging voor de vonnisgerechten en niet op de rechtspleging inzake voorlopige hechtenis

(1).
(1)Zie: Cass., 14 mei 2003, AR P.03.0672.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030514.32, A.C., 2003, nr. 295 en Cass., 28 dec. 2004, AR P.04.1647.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041228.1, A.C., 2004, nr. 628; Zie ook: R., DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, Mechelen, 2007, nr. 1032. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) - Handhaving STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) - Gevolgen regeling rechtspleging Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Toepasselijkheid Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.3 Fiche 2 Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, ontneemt de wetgever niet het recht om de uitoefening van het recht van verdediging in een welbepaalde aangelegenheid, zoals inzake voorlopige hechtenis, aan een bijzondere regeling te onderwerpen
(1).
(1)Cass., 6 jan. 1988, AR 6375, A.C., 1987-1988, nr. 274; Zie: Cass., 7 juni 2006, Ar P.06.0795.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060607.8, A.C., 2006, nr. 316. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) - Handhaving STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) - Gevolgen regeling rechtspleging Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Bevoegdheid van de wetgever Fiches 3 - 5 De omstandigheid alleen dat de raadsman van de verdachte, met het oog op de rechtszitting van het onderzoeksgerecht waarop uitspraak moet worden gedaan over de handhaving van het bevel tot aanhouding, wegens de duur van de wettelijke termijn waarbinnen het dossier te beschikking wordt gehouden, en wegens de onmogelijkheid tot het verkrijgen van een kopie van het dossier, in de materiële onmogelijkheid verkeerde inzage te nemen van het gehele dossier en van de inhoud van de overtuigingsstukken, belet niet dat de verdachte zich kan verdedigen
(1).
(1)Zie: Cass., 6 jan. 1988, AR 6375, A.C., 1987-1988, nr. 274. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) - Handhaving STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) - Gevolgen regeling rechtspleging Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Termijn waarbinnen het dossier ter beschikking wordt gehouden van de verdachte en zijn raadsman - Onmogelijkheid tot het nemen van inzage in het gehele dossier - Onmogelijkheid tot het verkrijgen van een kopie van het dossier Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) - Handhaving STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) - Gevolgen regeling rechtspleging Vrije woorden: Termijn waarbinnen het dossier ter beschikking wordt gehouden van de verdachte en zijn raadsman - Onmogelijkheid tot het nemen van inzage in het gehele dossier - Onmogelijkheid tot het verkrijgen van een kopie van het dossier Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INZAGE VAN HET DOSSIER UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) - Handhaving STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) - Gevolgen regeling rechtspleging Vrije woorden: Termijn waarbinnen het dossier ter beschikking wordt gehouden van de verdachte en zijn raadsman - Onmogelijkheid tot het nemen van inzage in het gehele dossier Fiche 6 Het dossier dat ter beschikking van de verdachte en zijn raadsman wordt gesteld met het oog op de rechtszitting van het onderzoeksgerecht waarop uitspraak moet worden gedaan over de handhaving van het bevel tot aanhouding, moet enkel de stukken bevatten die verband houden met die handhaving en waarover de onderzoeksrechter beschikt
(1).
(1)Cass., 29 nov. 1989, AR 7875, A.C., 1989-1990, nr. 204; Zie: Cass., 20 juni 1990, Ar 8363, A.C., 1989-1990, nr. 613. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) - Handhaving STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) - Gevolgen regeling rechtspleging Vrije woorden: Terbeschikkingstelling van het dossier aan de verdachte en zijn raadsman - Stukken die het dossier moet bevatten Fiche 7 Het dossier dat overeenkomstig artikel 21, § 3, Voorlopige Hechteniswet ter beschikking van de verdachte en zijn raadsman wordt gesteld, moet niet de stukken bevatten van het proactief onderzoek dat is voorafgegaan aan het aanvankelijk proces-verbaal op grond waarvan het openbaar ministerie de vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek heeft genomen. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) - Handhaving STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) - Gevolgen regeling rechtspleging Vrije woorden: Terbeschikkingstelling van het dossier aan de verdachte en zijn raadsman - Samenstelling van het dossier - Stukken van het proactief onderzoek Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 28bis, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 3 Fiche 8 De eventuele nietigheid van het bevel tot aanhouding bij verstek dat tegen de verdachte is uitgevaardigd of het gebrek aan betekening ervan, beletten niet dat wegens dezelfde feiten een nieuw aanhoudingsbevel geldig kan worden uitgevaardigd binnen de termijn van vierentwintig uren te rekenen van de effectieve vrijheidsbeneming
(1).
(1)Zie Cass., 17 maart 1993, Ar P.93.0381.F, A.C., 1993, nr. 150 en Cass., 26 mei 2004, AR P.04.0772.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040526.12, A.C., 2004, nr.
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING BIJ VERSTEK UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Recht van verdediging STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) - Handhaving STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) - Gevolgen regeling rechtspleging Vrije woorden: Nieuw bevel tot aanhouding - Geldigheid Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.09.1076.N R. F. J. V. V., verdachte, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie te Hasselt, met kan-toor te 3500 Hasselt, Maastrichterstraat 99, alwaar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 30 juni
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 6 EVRM: het arrest antwoordt niet afdoende op eisers verweer dat hij niet over de nodige faciliteiten beschikte om zijn verdediging te organiseren.
  4. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing inzake voorlopige hechtenis en artikel 6 EVRM heeft in beginsel enkel betrekking op de uitoefening van het recht van verdediging voor de vonnisgerechten en niet op de rechtspleging inzake voor-lopige hechtenis. In zoverre faalt het middel naar recht.
  5. Met de redenen die het arrest (ro 3.1) vermeldt, hebben de appelrechters het in het middel bedoelde verweer beantwoord. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Tweede middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM: door de omvang van het dossier en de onmogelijkheid om een kopie ervan te verkrijgen, is het voor de eiser onmogelijk om zijn verdediging voor te bereiden zodat zijn recht van verde-diging is miskend.
  7. Artikel 6 EVRM heeft in beginsel enkel betrekking op de uitoefening van het recht van verdediging voor de vonnisgerechten en niet op de rechtspleging in-zake voorlopige hechtenis. In zoverre faalt het middel naar recht.
  8. Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, ontneemt de wetgever niet het recht om de uitoefening van het recht van verdediging in een welbepaalde aangelegenheid, zoals inzake voorlopige hechtenis, aan een bijzonde-re regeling te onderwerpen. Ten einde de verdachte de gelegenheid te geven zijn recht van verdediging uit te oefenen voor de onderzoeksgerechten die geroepen zijn om uitspraak te doen over de handhaving van de voorlopige hechtenis, heeft de wetgever bepaald dat het dossier ter beschikking wordt gehouden van de verdachte en van zijn raadsman gedurende de laatste werkdag voor de verschijning voor de raadkamer en, indien de voorafgaande dag geen werkdag is, opnieuw gedurende de voormiddag van de dag van verschijning.
  9. De omstandigheid alleen dat de raadsman van de verdachte, wegens de duur van die termijn en de onmogelijkheid tot het verkrijgen van een kopie van het dossier, in de materiële onmogelijkheid verkeerde inzage te nemen van het gehele dossier en van de inhoud van de overtuigingsstukken, belet niet dat de verdachte zich kan verdedigen.. Het arrest stelt bovendien vast: "Vastgesteld wordt dat [de eiser] niet alleen gedu-rende de wettelijk voorziene termijn van artikel 21 Voorlopige Hechteniswet inza-ge heeft gehad van het strafdossier. Bovendien bekwam hij voor de raadkamer uitstel zodat hij verder het strafdossier kon instuderen. Voor de kamer van inbe-schuldigingstelling werd door de voorzitter aangeboden om de zaak op een latere datum te behandelen ten einde aan [de eiser] bijkomende tijd tot inzage van het strafdossier te bieden. [De eiser] is uitdrukkelijk op dit voorstel niet ingegaan." Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 21 Voorlopige Hechteniswet en artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering: de toegang tot de stukken van het proactief onderzoek wordt aan de eiser ontzegd, terwijl de in-zage ervan noodzakelijk is om de regelmatigheid van het opstarten van het ge-rechtelijk onderzoek en de regelmatigheid van het aanhoudingsbevel te beoorde-len.
  11. Artikel 6 EVRM heeft in beginsel enkel betrekking op de uitoefening van het recht van verdediging voor de vonnisgerechten en niet op de rechtspleging in-zake voorlopige hechtenis. In zoverre faalt het middel naar recht.
  12. Het dossier dat ter beschikking van de verdachte en zijn raadsman wordt ge-steld met het oog op de rechtszitting van het onderzoeksgerecht waarop uitspraak moet worden gedaan over de handhaving van het bevel tot aanhouding, moet en-kel de stukken bevatten die verband houden met die handhaving en waarover de onderzoeksrechter beschikt. In zoverre het middel ervan uitgaat dat het dossier dat overeenkomstig artikel 21, § 3, Voorlopige Hechteniswet ter beschikking van de verdachte en zijn raadsman wordt gesteld, alle stukken moet bevatten van het proactief onderzoek dat is voor-afgegaan aan het aanvankelijk proces-verbaal op grond waarvan het openbaar mi-nisterie de vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek heeft geno-men, faalt het naar recht.
  13. In zoverre het middel aanvoert dat: - de inzage van alle stukken van het proactief onderzoek noodzakelijk is om de regelmatigheid van het opstarten van het gerechtelijk onderzoek en de regelma-tigheid van het aanhoudingsbevel te beoordelen; - uit het aanvankelijk proces-verbaal blijkt dat het onderzoek reeds voordien re-actief is geworden, vraagt het een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Vierde middel
  14. Het middel voert schending aan van artikel 34 Voorlopig Hechteniswet: de eiser werd aangehouden in uitvoering van een aanhoudingsbevel bij verstek van 7 mei 2009 dat werd uitgevaardigd niettegenstaande de voorwaarden daartoe niet vervuld zijn; bovendien werd dit aanhoudingsbevel hem niet betekend binnen de 24 uren volgend op zijn vrijheidsbeneming; ten onrechte oordeelt het arrest dat de eiser niet werd aangehouden op grond van dit aanhoudingsbevel bij verstek.
  15. De eventuele nietigheid van het bevel tot aanhouding bij verstek dat tegen de verdachte is uitgevaardigd of het gebrek aan betekening ervan, beletten niet dat wegens dezelfde feiten een nieuw aanhoudingsbevel geldig kan worden uitge-vaardigd binnen de termijn van vierentwintig uren te rekenen van de effectieve vrijheidsbeneming.
  16. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser is aangehouden op grond van een autonoom aanhoudingsbevel van 15 juni 2009 dat aan de eiser is betekend binnen de vierentwintig uren te rekenen van zijn vrij-heidsbeneming. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 20,99 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, sa-mengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoor-zitter Frédéric Close, en de raadsheren Didier Batselé, Paul Maffei en Koen Mest-dagh, en op de openbare rechtszitting van 14 juli 2009 uitgesproken door afde-lingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Ko-synsky. V. Kosynsky K. Mestdagh P. Maffei D. Batselé F. Close E. Forrier PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090714.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030514.32 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040526.12 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041228.1 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060607.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100618.1 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110809.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130730.1 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140513.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180424.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.15 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.