punt 3, van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 656 en 658 van het Nieuwe Franse Gerechtelijk Wetboek (Nouveau Code de Procédure Civile); - de artikelen 2, 5, 6 en 8 van de Franse ordonnantie nr. 45-2592 van 2 november 1945 met betrekking tot het statuut van de gerechtsdeurwaarders, in de versie van voor de wijziging door de wet met nr. 2004-130 van 11 februari 2004; - de artikelen 74 en 75 van het decreet nr. 56-222 van 29 februari 1956 betreffende de toepassing van de ordonnantie van 2 november 1945 met betrekking tot het statuut van de gerechtsdeurwaarders; - de omzendbrief JCB/MP nr. 2002-26 van de Franse nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders van 4 september
op grond van volgende overwegingen: De Verordening (EG) Nr. 1348/2000 voorziet vijf wijzen van betekening. De verordening voorziet geen rangregeling, zodat het degene die overgaat tot betekening vrijstaat de wijze van betekening te kiezen. De gedinginleidende dagvaarding werd betekend op de wijze, als bepaald in artikel 14 van gezegde verordening, alsook op de wijze, bepaald in artikel 15 van de Verordening. (...) De dagvaarding werd rechtsgeldig, overeenkomstig artikel 15 van de Verordening (EG) Nr. 1348/2000, betekend. (De eisers) kunnen niet worden bijgetreden, wanneer zij besluiten tot de nietigheid of onontvankelijkheid van de eis in rechte wegens schending van de bepalingen van artikel 15, cumquo artikel 2.3, van genoemde verordening. Onterecht voeren (de eisers) aan dat de Belgische gerechtsdeurwaarder de te betekenen akte, op straffe van nietigheid of van onontvankelijkheid, diende over te maken aan de - daartoe bij toepassing van artikel 2.3 van de Verordening - aangewezen ‘ontvangende instantie', met name de Nationale Kamer van de Gerechtsdeurwaarders, die de akte op haar beurt aan de door haar aangewezen gerechtsdeurwaarder toezendt. De toezending van de akte van de Belgische gerechtsdeurwaarder aan de Franse gerechtsdeurwaarder en de betekening door laatstgenoemde beantwoordt zowel aan de letter als aan de geest van de verordening (Ch. Vanheukelen, in G. de Leval en M. Storme, (eds.), Interuniversitair Centrum voor Gerechtelijk Recht - Het Europees Gerechtelijk Recht en procesrecht, Brugge, Die Keure, 2003, pag. 205, nr. 14). Er zij daarbij vastgesteld dat geen enkele sanctie gekoppeld is aan het in artikel 2.3 bepaalde formalisme. Hoewel het bewijs van ontvangst wat betreft tweede (eiseres) niet voorligt, geschiedde de betekening evenzeer rechtsgeldig door betekening per post, als bepaald bij toepassing van artikel 14 van de Verordening (EG) Nr. 1348/2000". Het tweede bestreden arrest van 10 januari 2008, in zoverre het: - beslist over de gegrondheid van de oorspronkelijke vordering van de verweerders, en - het hoofdberoep van de eisers slechts gedeeltelijk gegrond verklaart, op grond van de overwegingen die in het arrest zijn opgenomen en die geacht worden hieronder te zijn weergegeven en met name op grond van de volgende overwegingen: Bij tussenarrest van 26.04.2007, werden het hoofdberoep en het incidenteel beroep evenals de voor het hof gestelde vorderingen ontvankelijk verklaard en werd het hoger beroep reeds als ongegrond afgewezen in zoverre het gericht was tegen de beschikkingen van de eerste rechter waarbij de oorspronkelijke dagvaarding rechtsgeldig werd verklaard en de dienaangaande aangevoerde excepties van nietigheid en middelen van onontvankelijkheid van de eis in rechte werden afgewezen". Grieven Eerste onderdeel Artikel 1, §1, van de Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de Lid-Staten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken stelt dat deze verordening van toepassing is in de gevallen waarin een gerechtelijk of buitengerechtelijk stuk van een Lid-Staat naar een andere Lid-Staat moet worden verzonden ter betekening of kennisgeving aldaar. De artikelen 656 en 658 van het nieuwe Franse Gerechtelijk Wetboek zijn enkel van toepassing op de betekening van gerechtsdeurwaardersexploten op het Franse grondgebied. De artikelen van Verordening (EG) nr. 1348/2000 en van het nieuwe Franse Gerechtelijk Wetboek zijn derhalve niet van toepassing op de betekening van een gedinginleidende dagvaarding wanneer deze een verweerder met woonplaats in België oproept te verschijnen voor een Belgisch rechtscollege. In dergelijk geval zijn uitsluitend de artikelen 32 tot en met 47 van het Belgische Gerechtelijk Wetboek van toepassing. In onderhavig geval hebben de eisers in hun conclusies betoogd dat ze op het ogenblik van de betekening van de gedinginleidende dagvaarding, niet meer in Frankrijk maar in België gedomicilieerd waren, nl. te F.. De eisers onderbouwden dit middel door te verwijzen naar hun stukken die in de inventaris opgenomen zijn onder de nummers II.2 en II.3 en in de inventaris benoemd zijn als een "inschrijving Ville de T. dd. 9 januari 2004" en een "attest van woonst dd. 15 januari 2004." Het eerste bestreden arrest beantwoordt dit middel niet in zijn eigen overwegingen. De overwegingen van het vonnis van de rechtbank te Kortrijk van 11 oktober 2005, die het eerste bestreden arrest onderschrijft en zijn eigen maakt, stellen dat uit het proceduredossier zou blijken dat de betekening van de dagvaarding rechtsgeldig zou gebeurd zijn, in overeenstemming met de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1348/2000 en de artikelen 656 en 658 van het nieuwe Franse Gerechtelijk Wetboek; dat de tweede verweerster in haar eerste conclusie een adres opgeeft dat overeenstemt met de vermeldingen in het exploot van dagvaarding; en dat de eerste verweerder geen enkel stuk voorlegt waaruit zou blijken dat hij op 15 januari 2004 niet zou gedomicilieerd zijn op het adres dat vermeld staat in de dagvaarding. Door middel van deze overwegingen werd in het bestreden arrest de beslissing om het middel van de eerste eiser, dat hij op het ogenblik van de betekening van de gedinginleidende dagvaarding niet langer gedomicilieerd was in Frankrijk maar wel in België, te verwerpen niet regelmatig gemotiveerd. De rechter kan zich er immers slechts toe beperken de conclusie van een partij tegen te spreken indien deze een niet-gemotiveerde stelling inhoudt. Door zich de overwegingen van het tussengekomen vonnis eigen te maken, heeft het hof van beroep in het eerste bestreden arrest slechts overwogen dat de eerste eiser geen enkel stuk heeft bijgebracht waaruit bleek dat hij op 15 januari 2004 niet gedomicilieerd zou zijn op het adres dat in de dagvaarding vermeld was. In het eerste bestreden arrest heeft het hof van beroep zich er derhalve toe beperkt om de gemotiveerde en met stukken onderbouwde conclusies van de eerste eiser, tegen te spreken zonder aan te geven op grond van welke overwegingen tot dergelijk besluit gekomen werd. Het eerste bestreden arrest is bijgevolg niet regelmatig gemotiveerd en schendt derhalve artikel 149 van de Grondwet en artikel 780, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek. In ieder geval, gelet op het middel dat in de conclusies van de eisers ontwikkeld werd, dat ze op het ogenblik van de betekening van de dagvaarding niet langer gedomicilieerd waren in Frankrijk maar wel in België, was de appelrechter er wettelijk toe gehouden na te gaan of de eisers al dan niet in Frankrijk gedomicilieerd waren op het ogenblik van de betekening van de dagvaarding. Het is immers enkel bij ontbreken van een middel in die zin in de conclusies van de partijen, dat de rechter er niet toe gehouden is alle elementen aan te duiden die de toepassing van een rechtsregel rechtvaardigen. Indien een partij over het betwiste punt heeft geconcludeerd, is de rechter ertoe gehouden de toepassing van de rechtsregels die hij in het concrete geval van toepassing acht, te verantwoorden. In onderhavig geval heeft het eerste bestreden arrest de motivering van het tussengekomen vonnis overgenomen en derhalve enkel overwogen dat de tweede eiseres in haar eerste conclusie een woonplaats heeft aangeduid die overeenstemt met hetgeen in het exploot van dagvaarding is vermeld en dat de eerste eiser geen enkel stuk heeft voorgelegd waaruit blijkt dat hij op 15 januari 2004 zijn woonplaats niet zou hebben gehad op het adres dat vermeld staat in de dagvaarding. Het eerste bestreden arrest gaat aldus niet na of de eisers al dan niet gedomicilieerd waren in Frankrijk op het ogenblik van de betekening van de gedinginleidende dagvaarding, met name in het licht van de conclusies en de stukken van de eisers. Het eerste bestreden arrest verantwoordt bijgevolg niet naar recht de beslissing om de artikelen 14 en 15 van de Verordening (EG) nr. 1348/2000 en de artikelen 656 en 658 van het nieuwe Franse Gerechtelijk Wetboek toe te passen en te stellen dat de betekening van de dagvaarding rechtsgeldig heeft plaatsgevonden in overeenstemming met deze bepalingen. Het eerste bestreden arrest miskent dan ook de artikelen 1, 14 en 15 van de Verordening (EG) nr. 1348/2000, de artikelen 656 en 658 van het nieuwe Franse Gerechtelijk Wetboek, en de artikelen 32 tot en met 47 van het Belgische Gerechtelijk Wetboek. Het tweede bestreden arrest verwijst naar de vaststellingen en de overwegingen in het eerste bestreden arrest om te oordelen dat de dagvaarding van de verweerders rechtsgeldig was en hun oorspronkelijke vordering ontvankelijk. De vernietiging van het eerste bestreden arrest brengt derhalve de vernietiging van het tweede bestreden arrest mee. Tweede onderdeel Artikel 15, §1, van de Verordening (EG) nr. 1348/2000 stelt dat de verordening de mogelijkheid van iedere belanghebbende bij een rechtsgeding onverlet laat, om de betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken rechtstreeks te doen verrichten door de deurwaarders, ambtenaren of andere bevoegde personen in de aangezochte lidstaat. Frankrijk heeft zich niet verzet tegen deze mogelijkheid om zich rechtstreeks tot haar bevoegde ministeriële ambtenaren te richten met het verzoek om een betekening uit te voeren op haar grondgebied. Het bepalen van de ministeriële ambtenaren die bevoegd zijn om een betekening uit te voeren in Frankrijk, op grond van artikel 15 van de Verordening (EG) nr. 1348/2000 of eender welke andere bepaling van deze verordening, behoort uitsluitend tot het Franse recht. Verordening (EG) nr. 1348/2000 vormt immers een instrument van internationale gerechtelijke samenwerking die geen afbreuk doet aan de nationale regelgeving inzake betekening. Naar Frans recht heeft de nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders een reglementaire bevoegdheid op grond waarvan zij bindende regels kan uitvaardigen die zich opdringen aan alle gerechtsdeurwaarders met praktijk in Frankrijk. Op grond van de artikelen 5, 6 en 8 van de ordonnantie nr. 45-2592 van 2 november 1945 met betrekking tot het statuut van de gerechtsdeurwaarders, vormt de nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders een instelling van openbaar belang, die het beroep vertegenwoordigt bij de publieke overheden. Haar beslissingen worden uitgevoerd door de departementale kamers van gerechtsdeurwaarders. Artikel 2, alinea 4, van dezelfde ordonnantie stelt dat de nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders de beroepsaansprakelijkheid van de gerechtsdeurwaarders regelt. Krachtens de artikelen 74 en 75 van het decreet nr. 56-222 van 29 februari 1956 betreffende de toepassing van de ordonnantie van 2 november 1945 met betrekking tot het statuut van de gerechtsdeurwaarders, worden de werkingsmodaliteiten van de beroepsverzekering geregeld door een reglement van interne orde dat opgesteld is door de nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders. Dit reglement van interne orde krijgt bindende kracht van zodra het goedgekeurd is door de minister van Justitie. Nu de nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders de bevoegdheid heeft een reglement van interne orde op te stellen dat van toepassing is op alle leden van het beroep en bovendien bevoegd is om de werking van de beroepsverzekering te regelen, is de nationale Kamer gerechtigd om bindende regels uit te vaardigen die zich opdringen aan alle gerechtsdeurwaarders die hun beroep uitoefenen in Frankrijk. De rechtspraak van de Franse Raad van State bevestigt het bestaan van deze reglementaire bevoegdheid in hoofde van de nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders. De nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders heeft met betrekking tot artikel 15 van de Verordening (EG) nr. 1348/2000 een omzendbrief uitgevaardigd (JCB/MP nr. 2002-26 van 4 september 2002) die bepaalt: "Les actes qui seraient transmis directement par les entités d'origine européennes aux huissiers de justice français ne sont pas conformes aux règles de transmission imposées par le règlement du 29 mai 2000. Leur signification engagerait l'entière responsabilité des huissiers de justice qui y procéderaient. En cas de réception d'un tel acte, il convient de le retourner à l'entité d'origine en lui indiquant de l'adresser à la CNHJ » (page 20). Vrije vertaling: "De stukken die rechtstreeks overgemaakt zouden worden door de verzendende instanties van een andere lidstaat aan een Franse gerechtsdeurwaarder, voldoen niet aan de regels van verzending die opgelegd worden in de verordening van 29 mei 2000. Het betekenen van dergelijke stukken brengt de aansprakelijkheid van de gerechtsdeurwaarder, die tot de betekening zou overgaan, in het gedrang. Ingeval een dergelijk stuk wordt ontvangen, dient het teruggezonden te worden naar de verzendende instantie met de vermelding het te verzenden aan de nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders". De nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders heeft bijgevolg geoordeeld dat de Franse gerechtsdeurwaarders niet bevoegd zijn om over te gaan tot uitvoering van rechtstreekse verzoeken tot betekening op het Franse territorium, zelfs als dit gebeurt op grond van artikel 15 van de Verordening (EG) nr. 1348/2000. In onderhavig geval hebben eisers in hun conclusies betoogd dat ingevolge voormelde omzendbrief van de nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders, de Franse gerechtsdeurwaarders niet bevoegd zijn om rechtstreekse verzoeken tot betekening op het Franse grondgebied uit te voeren (syntheseconclusies in beroep p. 12-14, nrs. 27 t.e.m. 29). Het eerste bestreden arrest oordeelt dat voor de toepassing van artikel 15 van de Verordening (EG) nr. 1348/2000, de Belgische gerechtsdeurwaarder het stuk niet moest bezorgen aan de nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders die het op haar beurt zou doorzenden aan de aangewezen Franse gerechtsdeurwaarder. Deze overweging van het bestreden arrest is gebaseerd op de vaststelling dat het verzenden van een stuk door een Belgische gerechtsdeurwaarder naar een Franse gerechtsdeurwaarder zowel de letter als de geest van de verordening respecteert. Met deze overwegingen oordeelt het eerste bestreden arrest impliciet maar zeker dat de Verordening (EG) nr. 1348/2000 zou bepalen welke ministeriële ambtenaren bevoegd zijn in Frankrijk om een rechtstreeks verzoek tot betekening van een stuk op grond van artikel 15 van de verordening uit te voeren. Het arrest geeft derhalve een verkeerde draagwijdte aan deze bepaling. Het aanwijzen van de ministeriële ambtenaren die bevoegd zijn om over te gaan tot de betekening van stukken in Frankrijk behoort uitsluitend toe aan de Franse overheid. De Verordening (EG) nr. 1348/2000 heeft het nationale recht van de Lid-Staten op dit punt geenszins gewijzigd. Het eerste bestreden arrest miskent bijgevolg artikel 15 van de Verordening (EG) nr. 1348/2000. In ieder geval verwerpt het eerste bestreden arrest impliciet maar zeker de toepassing van de regel die opgenomen is in omzendbrief JCB/MP nr. 2002-26 van de nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders van 4 september 2002 en op grond waarvan de Franse gerechtsdeurwaarders niet bevoegd zijn om uitvoering te geven aan rechtstreekse verzoeken tot betekening van stukken op het Franse grondgebied. Het eerste bestreden arrest heeft bijgevolg deze omzendbrief, die een reglementaire rechtskracht heeft naar Frans recht, miskend alsook de verschillende bepalingen die een reglementaire bevoegdheid toekennen aan de Franse nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders (miskenning inbreuk op de artikelen 2, 5, 6 en 8 van de Franse ordonnantie nr. 45-2592 van 2 november 1945 met betrekking tot het statuut van de gerechtsdeurwaarders, de artikelen 74 en 75 van het Franse decreet nr. 56-222 van 29 februari 1956 met betrekking tot de toepassing van de ordonnantie van 2 november 1945 met betrekking tot het statuut van de gerechtsdeurwaarders en de omzendbrief JCB/MP nr. 2002-26 van de Franse nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders van 4 september 2002). Het eerste bestreden arrest heeft bijgevolg haar beslissing dat de betekening van de dagvaarding rechtsgeldig gebeurd is op grond van artikel 15 van de Verordening (EG) nr. 1348/2000, niet naar recht verantwoord. Het tweede bestreden arrest verwijst naar de vaststellingen en de overwegingen van het eerste bestreden arrest om de dagvaarding van de verweerders rechtsgelding te verklaren en hun oorspronkelijke eis ontvankelijk. De vernietiging van het eerste bestreden arrest brengt derhalve de vernietiging van het tweede bestreden arrest mee. Derde onderdeel Artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1348/2000 stelt dat elke Lid-Staat bevoegd is de betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken aan zich in een andere Lid-Staat verblijvende personen rechtstreeks per post te doen verrichten. Elke lidstaat kan, door middel van bekendmaking aan de Europese Commissie, bepalen onder welke voorwaarden zij de betekening of kennisgeving van gerechtelijke stukken per post aanvaardt. In haar bekendmaking, gepubliceerd in het Publicatieblad van 22 mei 2001, nummer C 151, heeft Frankrijk gepreciseerd betekeningen of kennisgevingen van gerechtelijke stukken per post te aanvaarden, in zoverre deze gebeuren "door middel van een aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst, samen met overzicht met bewijs van ontvangst, samen met een overzicht van de ontvangen bescheiden, of een andere wijze waarbij de datum van toezending of overhandiging wordt gegarandeerd alsook de inhoud van de toezending" (vrije vertaling). Wanneer een gerechtelijk stuk per post wordt betekend in Frankrijk op grond van artikel 14 van de Verordening (EG) nr. 1348/2000, wordt aangenomen dat de betekening niet plaatsvindt vooraleer de bestemmeling het stuk in ontvangst neemt. In het onderhavige geval hebben de eisers in hun conclusies betoogd dat de tweede eiseres de betekening van de gedinginleidende dagvaarding niet heeft ontvangen (syntheseconclusies in beroep, p. 16, nr. 34). Zoals ook uiteengezet werd in het eerste onderdeel van dit middel, verplicht een dergelijk betoog de appelrechters na te gaan of de tweede eiseres al dan niet het exploot van dagvaarding dat door de verweerders is betekend, heeft ontvangen Het eerste bestreden arrest beperkt er zich echter toe vast te stellen dat de betekening rechtsgeldig gebeurd is per post op grond van artikel 14 van de Verordening (EG) nr. 1348/2000, hoewel een bewijs van ontvangst door de tweede eiseres niet voorhanden is. Aldus verantwoordt het eerste bestreden arrest niet rechtsgeldig zijn beslissing dat de dagvaarding rechtsgeldig betekend werd aan de tweede eiseres op grond van artikel 14 van de Verordening (EG) nr. 1348/2000. Het arrest miskent bijgevolg deze bepalingen alsook de bekendmaking van Frankrijk op grond van artikel 23 van de Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de Lid-Staten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, in de versie zoals gepubliceerd in het Publicatieblad van 22 mei 2001, nr. C 151. Het tweede bestreden arrest baseert zich op de vaststellingen en overwegingen van het eerste bestreden arrest om de dagvaarding van de verweerders rechtsgeldig te verklaren en hun oorspronkelijke eis bijgevolg ontvankelijk. De vernietiging van het eerste bestreden arrest heeft dan ook de vernietiging van het tweede bestreden arrest tot gevolg. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1, 2, 14, 15 en 19 van de Verordening (EG) n° 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de Lid-Staten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken in de versie van toepassing voor de wijziging door de Verordening (EG) nr. 1393/2007 van 13 november 2007; - de artikelen 860,
eerste lid, 861 en 867 van het Gerechtelijk Wetboek, deze laatste bepaling in haar versie van toepassing vóór de wijziging door de wet van 26 april
het eerste lid, 861 en 867 van het Gerechtelijk Wetboek en verantwoordt niet naar recht de stelling dat geen enkele van de inbreuken op de bepalingen van de Verordening (EG) 1348/2000 zou kunnen leiden tot de nietigheid of onregelmatigheid van de eis van de verweerders. Het eerste bestreden arrest schendt om deze redenen de artikelen 1, 2, 14, 15 en 19 van Verordening (EG) nr. 1348/2000 en de artikelen 860,
het eerste lid, 861 en 867 van het Gerechtelijk Wetboek en verantwoordt niet naar recht haar beslissing dat geen enkele van de bepalingen van de Verordening (EG) nr. 1348/2000 ingeroepen door de eiser de nietigheid of de onontvankelijkheid van de verweerders kan meebrengen. Het tweede bestreden arrest verwijst naar de vaststellingen en overwegingen van het eerste bestreden arrest om de dagvaarding van de verweerders rechtsgeldig te verklaren en hun oorspronkelijke eis ontvankelijk te verklaren. De vernietiging van het eerste bestreden arrest heeft derhalve de vernietiging van het tweede bestreden arrest tot gevolg. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 6,
, van het Europese Verdrag van 4 november 1950 tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955; - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 779,
lid 1, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het tweede bestreden arrest van 10 januari 2008: - verklaart het hoofdberoep slechts gedeeltelijk gegrond, - veroordeelt de eisers tot betaling van een bedrag van 33.500 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten aan de wettelijke interestvoet lopende vanaf 15 oktober 2004, - veroordeelt de eisers tot 9/10e van de gerechtskosten van het hoger beroep en de kosten van de tenuitvoerlegging en de bewarende beslagen van de verweersters, en - vermeldt dat: "Hebben over de zaak geoordeeld: D. F., raadsheer, wn. kamervoorzitter, G. J., raadsheer, B. W., raadsheer. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, eerste kamer, zitting houdende in burgerlijke zaken, van tien januari tweeduizend en acht, in tegenwoordigheid van griffier B. C.". Grieven Artikel 779, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het vonnis enkel kan worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters. Deze moeten alle zittingen over de zaak bijgewoond hebben. Een en ander op straffe van nietigheid. Na een beslissing die de heropening van het debat beveelt over een door die beslissing bepaald onderwerp, zodat het vorige debat over dat punt wordt voortgezet, moet de latere beslissing over de vordering worden gewezen door de rechters die de vorige terechtzittingen hebben bijgewoond of, zoniet, door een rechtscollege waarvoor het debat in zijn geheel is hervat. Deze bepalingen zijn toepasselijk op de rechters in hoger beroep overeenkomstig artikel 1042 van het Gerechtelijk wetboek. De regel dat een vonnis of een arrest enkel kan worden gewezen door de rechters die alle zittingen over de zaak bijgewoond hebben, vormt een onderdeel van het recht op een eerlijk proces, dat door artikel 6,
, van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden wordt gewaarborgd. In onderhavige zaak werd het eerste bestreden arrest gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van 26 april 2007 door de 1ste kamer van het Hof van Beroep te Gent die door G. B., kamervoorzitter, P. D., raadsheer, B. W., raadsheer, en B. C., griffier, werd samengesteld. Dit arrest verklaarde het hoofdberoep en het incidenteel beroep ontvankelijk, verklaarde de hoofdeis en de tegeneis ontvankelijk, bevestigde het bestreden vonnis en zegde voor recht dat de oorspronkelijke betekening van de verweersters rechtsgeldig was. Alvorens recht te doen, beval het hof de heropening van de debatten en verzocht de partijen een vertaling over te leggen van de stukken die opgesteld zijn in het Frans. De zaak werd verzonden naar de zitting van 13 december 2007 voor een pleitduur van amper 20 minuten. Het debat over de gegrondheid van de vordering van de verweersters werd dus voortgezet naar een latere terechtzitting. In hun conclusies na het eerste bestreden arrest volhardden de partijen in hun voorheen ingenomen standpunten, en zij bespraken de door de inmiddels in werking getreden wet van 21 april 2007 bepaalde rechtsplegingsvergoeding. Het tweede bestreden arrest werd gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van 10 januari 2008 door dezelfde kamer van het Hof van Beroep van Gent. Deze kamer werd echter anders samengesteld dan bij de uitspraak van het eerste bestreden arrest. Hebben inderdaad geoordeeld over de zaak D. F., raadsheer, wn. kamervoorzitter, G. J., raadsheer, B. W., raadsheer. Het arrest werd ook gewezen en uitgesproken in tegenwoordigheid van griffier B. C. Hieruit blijkt dat de beslissing van het tweede bestreden arrest over de vordering van verweersters niet werd gewezen door de rechters die alle vorige terechtzittingen hebben bijgewoond. Uit geen stuk waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat het debat over de gegrondheid van de vordering van de verweersters in zijn geheel werd hervat voor het rechtscollege het tweede bestreden arrest wees. Bijgevolg schendt het tweede bestreden arrest artikel 6,
, van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, en de artikelen 779,
lid 1, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek. Ten minste wordt het tweede bestreden arrest niet regelmatig gemotiveerd omdat zijn vermeldingen het Hof niet toelaten de wettigheid van de samenstelling van de rechtscollege te toetsen (schending van artikel 149 van de Grondwet). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel Eerste onderdeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.