← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090907.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090907.5 Rolnummer: C.08.0494.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-30 Raadplegingen: 225 - laatst gezien 2026-07-02 22:24 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit het geheel van de bepalingen van artikel 52, § 1, eerste en tweede lid, artikel 54, § 1, 3 en 4 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud en artikel 2, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 oktober 1996 en inzonderheid de aard, de doelstelling en de berekeningswijze van de schadeloosstelling wegens waardevermindering ingevolge het bouwverbod, volgt dat alleen de eigenaar of de houder van een zakelijk recht op het goed aanspraak kan maken op een vergoeding voor de geleden eigendomsbeperking. Thesaurus CAS: MILIEURECHT UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Planschade en -baten Vrije woorden: Natuurbehoud - Aanduiding als beschermd duingebied - Bouwverbod - Schadevergoeding Wettelijke bepalingen: Wet - 12-07-1973 - Artt. 52, § 1, eerste en tweede lid, 54, §§ 1, 3 en 4 Besluit Vlaamse Regering - 08-10-1996 - Art. 2, tweede lid Tekst van de beslissing Nr. C.08.0494.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering in de persoon van de minister-president, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse minister, bevoegd voor Openbare Werken, Leefmilieu, Natuur en Energie, met kabinet te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20, bus 1, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest, tegen MAFAR, naamloze vennootschap, met zetel te 1050 Brussel, Louizalaan 149/24, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 27 juni 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 18 juni 2009 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 52 en 54 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, zoals deze werd aangevuld door het Decreet van de Vlaamse Regering van 14 juli 1993, houdende maatregelen tot bescherming van de maritieme duinstreek, voornoemde bepalingen in hun huidige versie, hierna aangegeven als 52N en 54N; - de artikelen 1 en 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 8 oktober 1996 tot uitvoering van artikel 54 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud. Bestreden beslissing Het bestreden arrest verklaart eisers hoger beroep slechts in beperkte mate gegrond, hervormt de beslissing a quo in zoverre het de eiser veroordeelde tot betaling van 30.711,67 euro en tot de kosten van het geding aan de verweerster, en opnieuw recht doende veroordeelt de eiser tot betaling aan de verweerster van 29.814,26 euro en legt de kosten van de procedure van eerste aanleg voor een tiende ten laste van de verweerster en voor negen tienden ten laste van de eiser en deze van de beroepsprocedure voor de helft ten laste van de eiser en voor de helft ten laste van de verweerster, en dit op volgende gronden: "3.

  1. De ontvankelijkheid van de vordering van (de verweerster) a. (De eiser) voert aan dat de vordering van (de verweerster) niet ontvankelijk is, omdat deze laatste niet de hoedanigheid heeft van eigenaar van de twee percelen gelegen te Koksijde, waarvoor zij op 15 september 1993 een bouwvergunning bekwam, maar waarvoor op 6 januari 1999 een negatief stedenbouwkundig attest afgeleverd werd, ingevolge het feit dat de beide percelen gelegen zijn in te beschermen duingebied, zijnde een zone met bouwverbod. Volgens (de eiser) kan de schadevergoeding in de zin van artikel 54 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud enkel toegekend worden aan de eigenaar van een onroerend goed waarvoor een negatief stedenbouwkundig attest werd afgeleverd. b. Het staat niet ter discussie dat het negatief stedenbouwkundig attest van 6 januari 1999 afgeleverd werd ingevolge artikel 52 van de wet van 12 juli 1973, zoals gewijzigd. Artikel 54, §2, van dezelfde wet bepaalt dat het recht op schadevergoeding ontstaat o. m. bij de afgifte van een negatief stedenbouwkundig attest. De vereiste individueel eigenaar te zijn van een perceel dat door een negatief stedenbouwkundig attest getroffen wordt, wordt in artikel 54, §2, van de wet van 12 juli 1973 niet gesteld. Deze voorwaarde wordt enkel gesteld in artikel 54, §8, van de wet, doch de vordering van (de verweerster) is niet op dit artikel gesteund en zij dient zodoende niet aan de in dat artikel gestelde vereiste te voldoen. Noch de wet van 12 juli 1973, noch het uitvoeringsbesluit van 8 oktober 1996 onderwerpen het recht op schadevergoeding aan de hoedanigheid van eigenaar van het perceel dat door een negatief stedenbouwkundig attest getroffen wordt. Wat de vordering tot schadevergoeding betreft, maakt het besluit van 8 oktober 1996 integendeel uitdrukkelijk gewag van ‘de schadelijder of zijn daartoe schriftelijk gevolmachtigde ...' (artikel 3, §1, van voornoemd besluit). De stelling van (de eiser) volgens dewelke enkel de eigenaar schadevergoeding kan vorderen, vindt zodoende geen steun in de betrokken wetgeving. c. Wat de tekstargumenten betreft die (de eiser) tracht te putten uit een analogie tussen de vergoedingsregeling van de wet van 12 juli 1973 en de vergoeding inzake planschade, alsmede uit de wet van 12 juli 1997 en het besluit van 8 oktober 1996, waaronder de bepalingen volgens dewelke de vergoeding voor waardevermindering moet berekend worden op basis van de kosten voor de ‘verwerving' en uit de overweging dat enkel de eigenaar het goed kan hebben verworven, verwijst het (hof van beroep) naar hetgeen dienaangaande door de eerste rechter werd uiteengezet op bladzijden 7, 8 en, 9, §1, van het bestreden vonnis. Het hof (van beroep) maakt bij deze het antwoord op de tekstargumenten van (de eiser) tot de hare. Het (hof van beroep) voegt daaraan toe dat uit de bepaling van artikel 54, §4, van de wet van 12 juli 1973 dat een waardevermindering van 20 pct. zonder vergoeding moet gedoogd worden, niet kan afgeleid worden dat een niet-eigenaar geen aanspraak zou kunnen maken op schadevergoeding uit voormeld artikel
  2. In strijd met hetgeen (de eiser) voorhoudt, zijn er geen afdoende elementen terug te vinden in de wet van 12 juli 1997 en in het besluit van 8 oktober 1996 die erop wijzen dat de aanvrager van de schadevergoeding eigenaar moet zijn of geweest zijn van het onroerend goed. d. (De eiser) toont niet aan hetgeen (hij) aanvoert, te weten dat uit de voorbereidende werken van de duinendecreten kan afgeleid worden dat het de bedoeling van de wetgever was om alleen een vergoeding toe te kennen aan de eigenaars van gronden die schade hebben geleden door de waardevermindering daarvan ingevolge de bescherming ervan als duingebied. Het citaat opgenomen op bladzijde 6 van de syntheseconclusie van (de eiser) is niet ter zake dienend, nu de geciteerde paragrafen niet stammen uit de voorbereidende werken van het duinendecreet, maar uit de toelichting bij het voorstel van decreet houdende wijziging van de wet van 12 juli 1973, dat als doel had om een wijziging aan te brengen aan de berekeningswijze van de waardevermindering zoals aanvankelijk aangenomen in het duinendecreet. Dit voorstel van decreet, noch de toelichting erbij spreken zich uit over de andere aspecten van de schadevergoeding waarop de schadelijders gerechtigd zijn. e. De door (de eiser) geciteerde rechtspraak van het Arbitragehof en van het hof van beroep te Gent is evenmin ter zake dienend, nu geen van beide hoven de vraag onderzocht en/of beantwoord heeft te weten voor wie het recht op schadevergoeding ex artikel 54 van de wet van 12 juli 1973 openstaat. f. Tenslotte, stelt het (hof van beroep) vast dat, in strijd met hetgeen (de eiser) aanvoert, de eerste rechter wel degelijk op gemotiveerde wijze geantwoord heeft op de bewering van (de eiser) volgens dewelke de interpretatie die (de verweerster) van artikel 54 van de wet van 12 juli 1973 geeft, ertoe zou leiden dat er voor een zelfde perceel door verscheidene personen schadevergoeding zou kunnen aangevraagd worden. De eerste rechter stelde dienaangaande terecht het volgende stelde: ‘Dat de stelling van (de eiser) als zou het toelaten van vorderingen door niet eigenaars ertoe leiden dat de overheid verschillende vergoedingen voor dezelfde schade zou kunnen betalen aan titularissen van vorderingsrechten waarvan de tegenstelbaarheid hunner rechten niet blijkt uit de registers van de hypotheekbewaarder, faalt naar de feiten; dat immers artikel 3 van het besluit van 8 oktober 1996 uitdrukkelijk stelt dat de aanvrager enerzijds moet aangeven welke de reden van ontstaan van zijn recht is (ten deze afgifte van een negatief stedenbouwkundig attest) dat voornoemd besluit de aanvrager evenzo verplicht (artikel 3, §2 - 4°) een verklaring af te leggen dat sinds de verwerving van het goed geen enkele andere schadevergoeding werd aangevraagd of verkregen, dan wel omstandige uitleg te verschaffen omtrent dergelijke andere vorderingen; Dat overigens de vordering verjaart door verloop van drie jaar sedert het afleveren van een negatief stedenbouwkundig attest; dat de vordering dienvolgens niet meer kan ingesteld worden na januari 2002; dat (de eiser) dienvolgens perfect zicht heeft op de vraagstelling of al dan niet dezelfde schadevergoeding een tweede maal is gevraagd door de eigenaar van het goed; Dat overigens (de verweerster) geen vordering instelt tot bekomen van een vergoeding voor waardevermindering; dat haar vordering zich beperkt tot de verliezen voor uitgezette kosten die (de verweerster) heeft geleden, dat er dienvolgens geen aanleiding kan zijn tot enig dubbel gebruik van schadevorderingen;' Het (hof van beroep) maakt deze overwegingen tot de zijne. De overige argumenten die (de eiser) laat gelden teneinde (zijn) bewering te staven als zou het recht op schadevergoeding ex artikel 54 van de wet van 12 juli 1973 enkel voor de eigenaar van een onroerend goed openstaan, zijn niet ter zake dienend. Gelet op hetgeen voorafgaat, oordeelde de eerste rechter terecht dat er geen reden bestaat om (de verweerster) uit te sluiten van het recht op schadevergoeding op grond van de loutere vaststelling dat zij geen eigenaar is van de percelen te Koksijde die aangewezen werden als te beschermen duinengebied. 3.
  3. De gegrondheid van de vordering van (de verweerster) (...) 3.3.2 De gevorderde kosten ‘van verwerving' en ‘uitgaven' a. Om een bouwvergunning te bekomen m.b.t. de twee percelen in Koksijde, diende (de verweerster) er zich tegenover de gemeente Koksijde toe te verbinden om voorafgaandelijk een aantal infrastructuurwerken uit te voeren (zie de ‘VERBINTENIS' van 21 december 1992, stuk B/5 van (de verweerster)). Het betreffen uitgaven die (de verweerster) gedaan heeft ‘met het oog op de realisatie van de bestemming van het goed (...)' in de zin van artikel 54, §3, van de wet van 12 juli 1973 en van artikel 2 van het besluit van 8 oktober
  4. Terecht werd door de eerste rechter geoordeeld dat (de verweerster) principieel gerechtigd is op schadevergoeding voor deze uitgaven, in de mate waarin ze gemaakt werden ‘tot op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het bouwverbod' en dus in casu tot 16 november 1994, zijnde de datum waarop het bouwverbod m.b.t. de twee percelen: te Koksijde definitief is ingegaan" (arrest pp. 6-10). In de door de appelrechters overgenomen redengeving van het vonnis a quo van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 16 mei 2002 overwoog de eerste rechter: "Dat (de eiser) tekstargument poogt te putten uit de bewoordingen dat de berekening van de vergoeding voor waardevermindering moet berekend worden op basis van de kosten voor de ‘verwerving' waarbij (de eiser) voorhoudt dat enkel de eigenaar het goed kan hebben verworven; dat (de eiser) hierbij verwijst naar de analogie tussen de vergoedingsregeling van de wet op natuurbehoud en de vergoedingsregeling inzake planschade; Dat artikel 2 van het Besluit van 8 oktober 1996 uitdrukkelijk stelt dat de waarde van het goed verhoogd wordt ‘met de kosten van verwerving en met de uitgaven die de aanvrager heeft gedaan met het oog op de realisatie van de bestemming van het goed tot op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het bouwverbod'; Dat hieruit blijkt enerzijds dat niet het begrip ‘eigenaar' is vermeld doch integendeel op sommige plaatsen in het besluit ‘de aanvrager' op andere plaatsen ‘de schadelijder; dat het bezigen van deze begrippen duidelijk stelt dat de mogelijkheid tot vorderen niet beperkt is tot de eigenaar naar de eisen van de hypotheekwet doch integendeel ruimer is; Dat de omstandigheid dat de wet en de uitvoeringsbesluiten herhaaldelijk de bewoording ‘verwerving' gebruiken wijst op verwerven van het goed via verschillende mogelijkheden tot verwerving zoals daar zijn de zakelijke rechten van aankoop en van vererving maar tevens rechten van andere oorsprong zoals inbreng van het goed in een vennootschap waarbij vorderingsrechten dewelke niet meteen het bekomen van een eigendomsrecht niet als zodanig kunnen uitgesloten worden; Dat het middel als zou de vordering niet rechtsgeldig kunnen ingesteld worden door de titularis van vorderingsrechten dewelke geen eigenaar is van het goed, faalt naar het recht; Dat de stelling van (de eiser) als zou het toelaten van vorderingen door niet eigenaars ertoe leiden dat de overheid verschillende vergoedingen voor dezelfde schade zou kunnen betalen aan titularissen van vorderingsrechten waarvan de tegenstelbaarheid hunner rechten niet blijkt uit de registers van de hypotheekbewaarder, faalt naar de feiten; Dat immers artikel 3 van het besluit van 8 oktober 1996 uitdrukkelijk stelt dat de aanvrager enerzijds moet aangeven welke de reden van ontstaan van zijn recht is (ten deze afgifte van een negatief stedenbouwkundig attest) dat voornoemd besluit de aanvrager evenzo verplicht (artikel 3, §2 - 4°) een verklaring af te leggen dat sinds de verwerving van het goed geen enkele andere schadevergoeding werd aangevraagd of verkregen, dan wel omstandige uitleg te verschaffen omtrent dergelijke andere vorderingen; dat overigens de vordering verjaart door verloop van drie jaar sedert het afleveren van een negatief stedenbouwkundig attest; dat de vordering dienvolgens niet meer kan ingesteld worden na januari 2002; dat (de eiser) dienvolgens perfect zicht heeft op de vraagstelling of al dan niet dezelfde schadevergoeding een tweede maal is gevraagd door de eigenaar van het goed; Dat overigens (de verweerster) geen vordering instelt tot bekomen van een vergoeding voor waardevermindering; dat haar vordering zich beperkt tot de verliezen voor uitgezette kosten die (de verweerster) heeft geleden; dat er dienvolgens geen aanleiding kan zijn tot enig dubbel gebruik van schadevorderingen; Dat de vordering bij zover ingesteld door (de verweerster) dienvolgens rechtsgeldig kon worden ingesteld; dat (de verweerster) schadelijdster is ingevolge het bouwverbod dat weegt op de percelen waarop zij titularis was van vorderingsrechten (bouwrecht); dat trouwens (de verweerster) titularis was van de voor de betreffende percelen afgeleverde bouwvergunning; dat nu een bouwvergunning kan worden afgeleverd aan een partij die enkel titularis is van een contractueel recht tot bouwen op andermans eigendom, deze partij ook zelf rechtstreeks schade kan lijden doordat haar rechten beperkingen ondergaan ingevolge het bouwverbod dat de subjectieve rechten dewelke kleefden aan de bouwvergunning komt beknotten door een daad van de overheid; (...) dat (de verweerster) in ieder geval de kosten waarvan zij terugbetaling vordert heeft betaald en voorgeschoten minstens in de plaats van de eigenaars van de percelen; Dat nu de tekst van de wetgeving niet toelaat (de verweerster) van een recht op schadevergoeding uit te sluiten er geen onevenredigheid of ongelijkheid in behandeling blijkt te bestaan; Dat er geen aanleiding is tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof" (vonnis a quo dd. 16 mei 2002, pp. 6-9). Grieven
  5. Luidens artikel 52N, §1, tweede lid, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud houdt de aanduiding als beschermd duingebied of als voor het duingebied belangrijk landbouwgebied, vanaf de publicatie van het besluit een volledig bouwverbod in, ongeacht de bestemming van het goed volgens de in uitvoering van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, vastgestelde en goedgekeurde bestemmingsplannen of verleende verkavelingsvergunningen. Dit bouwverbod vestigt een erfdienstbaarheid van algemeen nut. Als beperking van het eigendomsrecht in het algemeen belang door een niet foutieve handeling van de overheid, doet ze voor de eigenaar geen recht op vergoeding ontstaan, tenzij de wet of het decreet anders bepaalt. Artikel 54N, §1, van voornoemde wet op het natuurbehoud voorziet in een recht op schadevergoeding ingevolge het bouwverbod "wanneer dit verbod, volgend uit een definitieve aanduiding als beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied, een einde maakt aan de bestemming volgens de geldende plannen van aanleg of verkavelingsvergunningen die de grond had de dag voorafgaand aan de bekendmaking van het besluit tot voorlopige aanduiding als beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied". Naar luid van artikel 54N, §2, van de wet op het natuurbehoud, ontstaat het recht op schadevergoeding "bij overdracht van het goed, bij de afgifte van een weigering van bouwvergunning of bij de afgifte van een negatief stedenbouwkundig attest, mits de overdracht of de afgifte geschiedt na de bekendmaking van het besluit tot definitieve aanduiding als beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied". De vergoedbare schade is, naar luid van artikel 54N, §4, van de wet op het natuurbehoud, "enkel de waardevermindering rechtstreeks voortvloeiende uit het in artikel 52 bedoelde bouwverbod". Echter dient, naar luid van hetzelfde voorschrift, de waardevermindering ten belope van twintig procent zonder vergoeding te worden gedoogd. Deze waardevermindering die voor schadeloosstelling in aanmerking komt dient, naar luid van artikel 54N, §3, van de wet op het natuurbehoud, "te worden geraamd als het verschil tussen eensdeels de waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving, geactualiseerd tot op de dag van het ontstaan van het recht op schadevergoeding en verhoogd met de lasten en kosten, zonder rekening te houden met het bouwverbod, en anderdeels de waarde van het goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding". Artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 8 oktober 1996 tot uitvoering van artikel 54 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, bepaalt welke waarde als "waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving" moet worden beschouwd, en welke waarde als "waarde van het goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding" moet worden beschouwd. Artikel 2, eerste lid, van hetzelfde besluit bepaalt op welke wijze de waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving moet worden geactualiseerd, en bepaalt in zijn tweede lid de wijze van verhoging van de geactualiseerde verwervingswaarde met "de lasten en kosten": "De aldus geactualiseerde waarde wordt verhoogd met de kosten van verwerving en met de uitgaven die de aanvrager heeft gedaan met het oog op de realisatie van de bestemming van het goed tot op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het bouwverbod volgend uit een definitieve aanduiding als beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied". De aldus uitgewerkte vergoedingsregeling voor de waardevermindering ingevolge het bouwverbod wegens de bescherming als duingebied, is geïnspireerd door de planschadevergoeding zoals deze voorzien was in artikel 37 van de Stedenbouwwet en in het koninklijk besluit van 24 oktober 1978 tot uitvoering van artikel 37, tweede lid, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw.
  6. Uit artikel 54N van de wet op het natuurbehoud kan worden afgeleid dat niet alle schade geleden ingevolge het bouwverbod voor vergoeding in aanmerking komt, en evenmin eenieder die schade heeft geleden ingevolge het bouwverbod, aanspraak kan maken op vergoeding. Rekening houdende met de aard, de doelstelling en de berekeningswijze van de schadeloosstelling wegens waardevermindering ingevolge het bouwverbod, kan slechts de eigenaar, of desgevallend een ander zakelijk gerechtigde, aanspraak maken op de vergoeding die een compensatie vormt voor de eigendomsbeperking die voortvloeit uit het bouwverbod. De omstandigheid dat bij de berekening van de schadeloosstelling ook rekening wordt gehouden met de "lasten en kosten" (art. 54N, §3, wet op het natuurbehoud), in het uitvoeringsbesluit nader omschreven als "de kosten van verwerving en de uitgaven die de aanvrager heeft gedaan met het oog op de realisatie van de bestemming van het goed", betekent niet dat eenieder die uitgaven heeft verricht "met het oog op de realisatie van de bestemming van het goed", hiervoor vergoeding kan vorderen. Deze "lasten en kosten" werden door de wetgever niet als een afzonderlijke vergoeding voor het bouwverbod voorzien, doch maken integraal deel uit van de berekening van de vergoeding voor de waardevermindering van het getroffen goed, zodat ook alleen de eigenaar, of desgevallend een ander zakelijk gerechtigde, hierop aanspraak kan maken.
  7. Te dezen blijkt uit de vaststellingen van het bestreden arrest en de door de appelrechters overgenomen overwegingen van het vonnis a quo, - dat de twee litigieuze percelen gelegen te Koksijde getroffen zijn door het bouwverbod ingevolge de bescherming als duingebied, - dat de verweerster geen eigenaar is van deze percelen, doch enkel "titularis van vorderingsrechten", - dat aan de verweerster op 6 januari 1999 een negatief stedenbouwkundig attest nummer 1 werd afgeleverd, - dat de verweerster geen vordering instelt tot het bekomen van een vergoeding voor waardevermindering, maar schadevergoeding vordert voor de infrastructuurwerken die zij uitvoerde, en die zij als uitgaven "met het oog op de realisatie van de bestemming van het goed", in de zin van artikel 54N, §3, van de wet op het natuurbehoud, en artikel 2 van het besluit van 8 oktober 1996, kwalificeerde. Nu overeenkomstig artikel 54N van de wet op het natuurbehoud en artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 8 oktober 1996, alleen de waardevermindering van het getroffen goed voor vergoeding in aanmerking komt, slechts de eigenaar, of desgevallend een ander zakelijk gerechtigde, op deze vergoeding aanspraak kan maken, en geen afzonderlijk recht op schadevergoeding is voorzien voor eenieder die uitgaven heeft verricht "met het oog op de realisatie van de bestemming van het goed", kon het bestreden arrest, op grond van de vaststellingen en overwegingen die het bevat, niet wettig oordelen dat noch de wet op het natuurbehoud noch het uitvoeringsbesluit van de Vlaamse regering van 8 oktober 1996 het recht op schadevergoeding onderwerpen aan de hoedanigheid van eigenaar, dat de omstandigheid dat de verweerster geen eigenaar is van het getroffen goed, haar niet uitsluit van schadevergoeding, en kon het dienvolgens de eiser niet wettig veroordelen tot vergoeding van de uitgaven die de verweerster verrichtte "met het oog op de realisatie van de bestemming van het goed" (schending van artikelen 54, en voor zoveel als nodig 52, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, zoals deze werd aangevuld door het decreet van de Vlaamse Regering van 14 juli 1993, houdende maatregelen tot bescherming van de maritieme duinstreek, voornoemde bepalingen in hun huidige versie, hiervoren aangegeven als 52N en 54N, en artikelen 2 en voor zoveel als nodig 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 8 oktober 1996 tot uitvoering van artikel 54 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  8. Krachtens artikel 52, §1, eerste lid, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, kan de Vlaamse Regering in afwijking van de bepalingen van het Decreet van 21 oktober 1997 inzake het natuurbehoud en het natuurlijk milieu op voordracht van het Instituut voor Natuurbehoud, met het oog op de bescherming, de ontwikkeling en het beheer van de maritieme duinstreek, delen van de maritieme duinstreek als beschermd duingebied aanduiden. Krachtens artikel 52, §1, tweede lid, van voormelde wet, houdt de aanduiding als beschermd duingebied vanaf de publicatie van het besluit een volledig bouwverbod in, ongeacht de bestemming van het goed volgens de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen, van kracht in de ruimtelijke ordening of volgens de verleende verkavelingsvergunningen. Krachtens artikel 54, §1, van voormelde wet, is ingevolge het in artikel 52 bedoelde bouwverbod schadevergoeding verschuldigd wanneer dit verbod, volgend uit een definitieve aanduiding als beschermd duingebied, een einde maakt aan de bestemming volgens de geldende plannen van aanleg of verkavelingsvergunningen die de grond had de dag voorafgaand aan de bekendmaking van het besluit tot voorlopige aanduiding als beschermd duingebied. Krachtens artikel 54, §3, van voormelde wet, dient de waardevermindering die voor de schadeloosstelling in aanmerking komt, te worden geraamd als het verschil tussen eensdeels de waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving, geactualiseerd tot op de dag van het ontstaan van het recht op schadevergoeding en verhoogd met de lasten en kosten, zonder rekening te houden met het bouwverbod, en anderdeels de waarde van het goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding. Krachtens artikel 54, §4, van voormelde wet, komt enkel de waardevermindering rechtstreeks voortvloeiende uit het in artikel 52 bedoelde bouwverbod in aanmerking voor schadevergoeding en moet de waardevermindering ten belope van twintig procent zonder vergoeding worden gedoogd. Krachtens artikel 2, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 oktober 1996 tot uitvoering van artikel 54 van voormelde wet, wordt de geactualiseerde waarde van het goed verhoogd met de kosten van verwerving en met de uitgaven die de aanvrager heeft gedaan met het oog op de realisatie van de bestemming van het goed.
  9. Uit het geheel van deze bepalingen en inzonderheid de aard, de doelstelling en de berekeningswijze van de schadeloosstelling wegens waardevermindering ingevolge het bouwverbod, volgt dat alleen de eigenaar of de houder van een zakelijk recht op het goed aanspraak kan maken op een vergoeding voor de geleden eigendomsbeperking.
  10. De appelrechters oordelen dat niet enkel de eigenaar of de houder van een zakelijk recht de vergoeding kan vragen voor de waardevermindering bedoeld in artikel 54 van de wet en schenden aldus deze wetsbepaling. Het middel is gegrond.
  11. De verweerster werpt op dat artikel 54 van de wet als hier voren uitgelegd de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt door het recht op schadevergoeding voor te behouden aan eigenaars of houders van zakelijke rechten. De verweerster verduidelijkt niet hoe de wetgever een discriminatie in het leven kan roepen door aan de eigenaars en houders van zakelijke rechten een beperkt recht tot schadeloosstelling te verlenen. De verweerster verduidelijkt niet op grond van welke hoedanigheid, vergelijkbaar met die van een eigenaar of houder van een zakelijk recht, zij in afwezigheid van een ongeoorloofde discriminatie, recht zou moeten hebben op een vergoeding. Het verweermiddel is onnauwkeurig. Het Hof kan geen prejudiciële vraag stellen aan het Grondwettelijk Hof zonder gevaar zich te vergissen over de aard van de beweerde discriminatie. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 7 september 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090907.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.