← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090907.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090907.6 Rolnummer: C.08.0421.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-09-30 Raadplegingen: 234 - laatst gezien 2026-07-02 22:24 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De schending van een omzendbrief, die niet in het Belgisch Staatsblad is gepubliceerd, levert voor de overheid die hem heeft uitgevaardigd geen grond tot cassatie op. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Andere (wetten, decreten, ordonnanties, besluiten) Vrije woorden: Middel dat schending aanvoert van een omzendbrief - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1080 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatiemiddelen in burgerlijke zaken PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Andere (wetten, decreten, ordonnanties, besluiten) Vrije woorden: Omzendbrief die niet in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd - Cassatiemiddel - Burgerlijke zaken - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1080 Tekst van de beslissing Nr. C.08.0421.N VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de minister-president, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de minister van Onderwijs, met kabinet te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 15, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen D.I., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, waar de verweerster woonplaats kiest, en ten aanzien van GEMEENSCHAPSONDERWIJS, met zetel te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 20, in gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 maart 2008 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 18 juni 2009 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1, 2, 4 en 5 van het Besluit van 25 januari 1995 van de Vlaamse Regering betreffende de mededeling van de vaste benoeming aan het departement Onderwijs (B. St. 16 juni 1995, p. 17385), - en voor zoveel als nodig punten 3 en 5.

  1. van de Omzendbrief OND/1/6/cl van 23 december 1992 betreffende de mededeling van de vaste benoeming aan het Departement Onderwijs. Bestreden beslissing Na voeging van de beide hogere beroepen verklaart het hof van beroep te Brussel in het arrest van 19 maart 2008 deze hogere beroepen en het incidenteel beroep ontvankelijk doch alleen het incidenteel beroep van de verweerster in bepaalde mate gegrond. Met hervorming van de beslissing van de eerste rechter veroordeelt het hof van beroep de eiseres tot betaling aan de verweerster van 51.130,22 euro, verhoogd met verwijlintresten op 67.080,14 euro vanaf 1 januari 1995 tot 2 juni 1997 (het arrest vermeldt bij materiële misslag 1987), op 59.643,33 euro van 3 juni 1997 tot 5 december 1997 (het arrest vermeldt bij materiële misslag telkens 1987), en op 51.130,22 euro sedert 6 december 1997 (het arrest vermeldt bij materiële misslag 1987), en met de gerechtelijke intresten. Het hof verleent akte aan de verweerster van haar voorbehoud betreffende de eventueel door de VDAB en/of mutualiteit terug te vorderen vervangingsvergoedingen en veroordeelt de eiseres tot de kosten van beide aanleggen, behoudens het rolrecht van het verzoekschrift tot hoger beroep van de verweerster dat ten hare laste blijft. Het hof grondt zijn beslissing op volgende motieven (arrest vanaf p. 6, "Ten gronde"): "
  2. Tussen 1 januari 1994 en 31 december 1995 werd I.D. door de Vlaamse Gemeenschap uitbetaald als tijdelijk personeelslid. De Vlaamse Gemeenschap weigert het verschil tussen hetgeen zij aldus uitbetaalde en hetgeen aan I.D. als vast benoemd personeelslid toekomt, uit te betalen, om reden dat de vaste benoeming van I.D. geen uitwerking heeft ten aanzien van de overheid, en dit wegens de laattijdige mededeling, door het Gemeenschapsonderwijs, van de vaste benoeming.
  3. I.D. stelt dat haar vordering uit twee onderdelen met verschillende rechtsgronden bestaat, te weten, enerzijds, het recht op uitbetaling van de wedde, en, anderzijds, de schadevergoeding voor de bijkomende schade die supplementair werd veroorzaakt door de foutieve weigering om tot uitbetaling van de wedde over te gaan. Zij meent, in hoofdorde, dat de Vlaamse Gemeenschap de wedde dient te betalen, maar richt, in ondergeschikte orde, haar vordering ook wat dit onderdeel betreft, tegen het Gemeenschapsonderwijs, voor het geval het hof zou oordelen dat de vordering voortvloeit uit de foutieve nalatigheden van het Gemeenschapsonderwijs bij het benoemingsdossier.
  4. De Vlaamse Gemeenschap beroept zich op de omzendbrief OND.I/6/cl van 23 december 1992 betreffende de mededeling van de vaste benoeming aan het Departement Onderwijs, waarvan de artikelen 5.2 en 5.3 luiden: ‘5.
  5. De voormelde documenten (houdende mededeling van vaste benoemingen) worden toegezonden aan het bevoegde werkstation, uiterlijk twee maanden na de ingangsdatum van de vaste benoeming. Uiteraard kan de Administratie slechts na indiening van het dossier onderzoeken en de wedde of weddetoelagen aanpassen aan de vaste benoeming of de toelating tot de proeftijd. 5.
  6. De vaste benoemingen die aan alle gestelde voorwaarden voldeden, en die vóór 1 januari 1993 werden medegedeeld aan het Departement Onderwijs, worden beschouwd als zijnde medegedeeld overeenkomstig de regels die deze omzendbrief voorschrijft'. De Vlaamse Gemeenschap beroept zich vervolgens op het besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 1995 betreffende de mededeling van de vaste benoeming aan het Departement Onderwijs, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 16 juni 1995, waarvan artikel 2 voorziet dat, opdat de vaste benoeming uitwerking zou hebben ten aanzien van de overheid, de inrichtende macht ze uiterlijk drie maanden na de ingangsdatum ervan, aangetekend aan het Departement Onderwijs dient mede te delen, en dat de vaste benoeming dan uitwerking heeft op de ingangsdatum ervan.
  7. Wat betreft de wedde, blijkt uit de stukken dat het Gemeenschapsonderwijs inderdaad te laat, gelet op het bepaalde in de omzendbrief en het besluit, het dossier bij de Vlaamse Gemeenschap indiende. I.D. werd immers vast benoemd op 1 januari
  8. Het Gemeenschapsonderwijs deelde deze benoeming aan de Vlaamse Gemeenschap eerst mede op 3 februari
  9. Dit laat de Vlaamse Gemeenschap nog niet toe te stellen dat zij consequent handelde overeenkomstig de voormelde omzendbrief en besluit. De Vlaamse Gemeenschap kon aldus handelen ten aanzien van het Gemeenschapsonderwijs alleen, niet ten aanzien van I.D. . De overweging van de Raad van State in het arrest, dat de vordering tot schorsing verwierp, ‘dat (I.D. ) alle voordelen van een vaste benoeming geniet, zoals, voorbeelden ontleend aan de uiteenzetting (van I.D. ) over een moeilijk te herstellen nadeel, als vast benoemd personeelslid betaald worden, ook gedurende de vakantie, het genot van de regelingen inzake parttime werk en loopbaanonderbreking; dat (het Gemeenschapsonderwijs) zich onmogelijk kan verschuilen achter de weigering van (de Vlaamse Gemeenschap) om (de) vaste benoeming (van I.D. ) tegenover haar, (de Vlaamse Gemeenschap), uitwerking te doen hebben, daar, zoals (I.D. ) terecht stelt, zulks een zaak is tussen (het Gemeenschapsonderwijs) als benoemende overheid en (de Vlaamse Gemeenschap) als subsidiërende overheid, ‘waarmee' - woorden van (I.D. ) - ‘(I.D. ) juridisch geen uitstaans heeft en waarvoor zij niet hoeft op te draaien', geldt immers ook in onderhavige zaak. I.D. klaagt met recht ‘het juridisch steekspel' (...) tussen het Gemeenschapsonderwijs en de Vlaamse Gemeenschap omtrent de vraag wie gehouden is de wedde te betalen, aan. De voormelde omzendbrief en besluit regelen enkel de rechtsverhouding tussen het Gemeenschapsonderwijs en de Vlaamse Gemeenschap, niet deze tussen I.D. en de Vlaamse Gemeenschap. Het is immers niet het personeelslid dat mededeling van zijn vaste benoeming aan de Vlaamse Gemeenschap moet doen. I.D. doet terecht haar recht op wedde gelden tegenover de Vlaamse Gemeenschap, subsidiërende overheid. Het hoofdberoep van de Vlaamse Gemeenschap is ongegrond (...). Het incidenteel beroep van I.D. tegen de Vlaamse Gemeenschap is gegrond". Grief Zoals door het hof van beroep vastgesteld (arrest p. 2, onderaan), werd verweerster door de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs, thans het Gemeenschapsonderwijs, met ingang van 1 januari 1994 vast benoemd als lerares voor het secundair onderwijs aan het Koninklijk Atheneum en de Middenschool te E. en werd van deze benoeming eind 1993 kennis gegeven aan de betrokkene. Luidens artikel 1 van het Besluit van 25 januari 1995 van de Vlaamse Regering betreffende de mededeling van de vaste benoeming aan het departement Onderwijs (B. St. 16 juni 1995, p. 17385), dat luidens zijn artikel 5, §1, uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1995, is dit besluit van toepassing op de nader omschreven personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs. Er werd niet betwist dat verweerster tot deze personeels-leden behoorde. Artikel 2 van hetzelfde Besluit bepaalt dat opdat de vaste benoeming uitwerking zou hebben ten aanzien van de overheid, de inrichtende macht ze uiterlijk drie maanden na de ingangsdatum ervan, aangetekend (met het formulier bedoeld in artikel 3) aan het departement Onderwijs dient mee te delen. In dat geval heeft de vaste benoeming uitwerking op de ingangsdatum ervan. Deze regel vormt een bevestiging van wat voorheen reeds werd gesteld in de Omzendbrief "OND/I/6/cl" van 23 december 1992 betreffende de mededeling van de vaste benoeming aan het Departement Onderwijs. Onder nummer 3 wordt immers vermeld: "Opdat een vaste benoeming van een personeelslid uitwerking zou hebben ten aanzien van de overheid, moet zij door de inrichtende macht op de hierna vermelde wijze worden meegedeeld aan het Departement Onderwijs". Nummer 5.
  10. van deze omzendbrief vermeldt dat de documenten (inzake de benoeming) moeten worden toegezonden aan het bevoegde werkstation uiterlijk twee maanden na de ingangsdatum van de vaste benoeming. Aldus kan een vaste benoeming van een personeelslid, waarvan niet binnen de twee, later drie maanden na de ingangsdatum van de benoeming op de voorgeschreven wijze melding wordt gemaakt aan de overheid, te weten het "werkstation" of het Departement Onderwijs, "geen uitwerking" hebben ten aanzien van deze overheid, wat wil zeggen dat het benoemingsbesluit geen gevolgen kan hebben voor de overheid en het betrokken personeelslid zich ten aanzien van deze overheid niet kan beroepen op zijn benoeming. Ten onrechte stelt het hof van beroep dat dit Besluit van de Vlaamse Regering en deze omzendbrief enkel de rechtsverhouding tussen het Gemeenschapsonderwijs, als inrichtende macht, en de Vlaamse Gemeenschap, als overheid, regelen en niet deze tussen I.D. en de overheid. Wanneer de benoeming van het personeelslid voor de overheid geen uitwerking kan hebben, betreft dit in de eerste plaats de rechtsverhouding tussen dit personeelslid en de overheid. Dit personeelslid kan zich in dat geval ten aanzien van de overheid niet beroepen op de vaste benoeming. Artikel 4, §1, van hetzelfde Besluit van de Regering omschrijft de gevallen waarin deze mededeling moet geschieden, waaronder "een eerste vaste benoeming". Het hof van beroep stelt tevens vast (arrest p. 7, nr. 4) dat het Gemeenschapsonderwijs de benoeming van verweerster slechts op 3 februari 1995 mededeelde aan de eiseres, het weze meer dan twee of zelfs drie maanden na de ingangsdatum van deze benoeming, het weze 1 januari
  11. Deze benoeming kon bijgevolg ten aanzien van de eiseres "geen uitwerking hebben". Het hof van beroep kon derhalve niet wettig oordelen dat de verweerster terecht haar recht op wedde kon doen gelden tegenover de eiseres. Het hof van beroep schendt dienvolgens alle in het middel genoemde wetsbepalingen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  12. Het middel voert aan dat de appelrechters de artikelen 1, 2, 4 en 5 van het besluit van 25 januari 1995 van de Vlaamse Regering betreffende de mededeling van de vaste benoeming aan het departement onderwijs en voor zoveel als nodig de punten 3 en 5.
  13. van de omzendbrief OND/I/6/cl van 23 december 1992 betreffende de mededeling van de vaste benoeming aan het departement onderwijs schenden door de eiseres te veroordelen tot betaling van onder meer het gederfd loon waarop de verweerster als vast benoemde lerares aanspraak kon maken tussen 1 januari 1994 en 31 december 1995, ondanks de vaststelling dat de beslissing tot vaste benoeming door het Gemeenschapsonderwijs niet aan de eiseres was meegedeeld binnen de termijn die door het vermelde besluit of vermelde omzendbrief is opgelegd.
  14. De schending van een omzendbrief, die niet in het Belgisch Staatsblad is gepubliceerd, levert voor de overheid die hem heeft uitgevaardigd geen grond tot cassatie op. In zoverre het middel schending aanvoert van de omzendbrief OND/I/6/cl van 23 december 1992 betreffende de mededeling van de vaste benoeming aan het departement onderwijs, die niet in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd, is het niet ontvankelijk.
  15. Krachtens artikel 40, §2, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, zoals te dezen van toepassing, bepaalt de Vlaamse Executieve de regels volgens welke de vaste benoeming wordt meegedeeld aan het departement onderwijs opdat zij uitwerking zouden hebben ten aanzien van de overheid.
  16. Krachtens artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 1995 betreffende de mededeling van de vaste benoeming aan het departement onderwijs, genomen in uitvoering van het voormelde decreet van 27 maart 1991, en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 16 juni 1995, dient de inrichtende macht, opdat de vaste benoeming uitwerking zou hebben ten aanzien van de overheid, ze uiterlijk drie maanden na de ingangsdatum ervan, aangetekend aan het departement Onderwijs mee te delen. De vaste benoeming heeft dan uitwerking op de ingangsdatum ervan. Krachtens artikel 4, §1, 1°, van dit besluit, doet de inrichtende macht de in artikel 2 bedoelde mededeling bij een eerste vaste benoeming. Krachtens artikel 5, §1, heeft het besluit uitwerking met ingang van 1 januari
  17. Krachtens §2 van dit artikel, worden de in artikel 4 bedoelde benoemingen die vóór 1 januari 1995 werden meegedeeld aan het departement beschouwd als zijnde meegedeeld overeenkomstig de regels die dit besluit voorschrijft. Hieruit volgt dat dit besluit enkel van toepassing is op de benoemingen die zijn gebeurd vanaf 1 januari
  18. Het middel dat er verkeerdelijk van uitgaat dat de vaste benoeming van de verweerster die dateert van 1 januari 1994 en aan de Vlaamse Gemeenschap werd meegedeeld op 3 februari 1995 geen uitwerking had ten aanzien van de eiseres omdat de mededeling van haar benoeming onder het toepassingsgebied valt van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 1995 betreffende de mededeling van de vaste benoeming aan het departement onderwijs kan niet worden aangenomen. Vordering tot bindendverklaring
  19. De verwerping van het cassatieberoep ontneemt alle belang aan de vordering tot bindendverklaring. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van 536,63 euro jegens de eisende partij en op de som van 301,82 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 7 september 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090907.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.