id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090910.3 Rolnummer: C.09.0102.N-C.09.0108.N Kamer: REUN - Ch.Réunies/Verenigde Kamers Rechtsgebied: Bestuursrecht - Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-09-30 Raadplegingen: 867 - laatst gezien 2026-07-02 22:21 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090910.3 Fiches 1 - 4 De wetgever heeft het beroep van gerechtsdeurwaarder betrokken bij de openbare dienst van de rechtsbedeling en de organen die het korps besturen, zoals de Nationale Kamer, zijn in die hoedanigheid verbonden met de rechterlijke orde en kunnen niet louter op grond van hun aard en wijze van oprichting beschouwd worden als administratieve overheden in de zin van het artikel 14, Wet Raad van State; de omstandigheid dat de gerechtsdeurwaarders overwegend en dus niet uitsluitend betrokken zijn bij de dienst van de rechtsbedeling, belet niet dat de Nationale Kamer specifieke opdrachten zou krijgen van overheidswege die volledig los staan van haar gewone opdrachten en dat zij in die mate kan beschouwd worden als een administratieve overheid in de uitoefening van die specifieke opdrachten; de Nationale Kamer kan aldus beschouwd worden als een administratieve overheid in de voormelde zin wanneer zij bepaalde gezagsfuncties opneemt die haar door een regering zijn toevertrouwd en in zoverre die taken geen verband houden met de opdrachten die de wetgever haar heeft toevertrouwd om de goede werking van het gerecht te verzekeren; dit geldt in het bijzonder wanneer de Nationale Kamer bepaalde gezagstaken op zich neemt die tot de bevoegdheid van een regering behoren en haar door een regering zijn gedelegeerd en zij haar plaats die taken daadwerkelijk uitoefent, zoals de opdracht aan een of meer leden van de kamers heffingen in te vorderen
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTSDEURWAARDER PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie - Bevoegdheid Vrije woorden: Afdeling bestuursrechtspraak - Bevoegdheid - Beroep tot nietigverklaring - Akten en reglementen van administratieve overheden - Administratieve overheid - Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders - Aard Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 144 en 145 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 549 e.v. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTSDEURWAARDER PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie - Bevoegdheid Vrije woorden: Gerechtsdeurwaarders - Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders - Aard - Administratieve overheid - Raad van State - Afdeling bestuursrechtspraak - Beroep tot nietigverklaring - Akten en reglementen van administratieve overheden - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 144 en 145 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 549 e.v. Thesaurus CAS: GERECHTSDEURWAARDER UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTSDEURWAARDER PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie - Bevoegdheid Vrije woorden: Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders - Aard - Administratieve overheid - Raad van State - Afdeling bestuursrechtspraak - Beroep tot nietigverklaring - Akten en reglementen van administratieve overheden - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 144 en 145 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 549 e.v. Thesaurus CAS: CONFLICT VAN ATTRIBUTIE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTSDEURWAARDER PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie - Bevoegdheid Vrije woorden: Raad van State - Afdeling bestuursrechtspraak - Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders - Aard - Administratieve overheid - Beroep tot nietigverklaring - Akten en reglementen van administratieve overheden - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 144 en 145 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 549 e.v. Fiches 5 - 8 Conclusie van advocaat-generaal DUBRULLE. Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTSDEURWAARDER PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie - Bevoegdheid Vrije woorden: Afdeling bestuursrechtspraak - Bevoegdheid - Beroep tot nietigverklaring - Akten en reglementen van administratieve overheden - Administratieve overheid - Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders - Aard Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTSDEURWAARDER PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie - Bevoegdheid Vrije woorden: Gerechtsdeurwaarders - Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders - Aard - Administratieve overheid - Raad van State - Afdeling bestuursrechtspraak - Beroep tot nietigverklaring - Akten en reglementen van administratieve overheden - Bevoegdheid Thesaurus CAS: GERECHTSDEURWAARDER UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTSDEURWAARDER PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie - Bevoegdheid Vrije woorden: Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders - Aard - Administratieve overheid - Raad van State - Afdeling bestuursrechtspraak - Beroep tot nietigverklaring - Akten en reglementen van administratieve overheden - Bevoegdheid Thesaurus CAS: CONFLICT VAN ATTRIBUTIE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTSDEURWAARDER PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie - Bevoegdheid Vrije woorden: Raad van State - Afdeling bestuursrechtspraak - Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders - Aard - Administratieve overheid - Beroep tot nietigverklaring - Akten en reglementen van administratieve overheden - Bevoegdheid Tekst van de beslissing Nr. C.09.0102.N B M, eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- D. G.,
- D. M. J.,
- GERECHTSDEURWAARDERSKANTOOR DE MEUTER & CORSTJENS cvba, met zetel te 2000 Antwerpen, Amerikalei 122,
- L. H.,
- C. D.,
- P. A.,
- M. C.,
- W. J.,
- GERECHTSDEURWAARDERSKANTOOR MERTENS & WOUTERS cvba, met zetel te 2000 Antwerpen, Vrijheidsstraat 32 - bus 18, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerders woonplaats kiezen,
- NATIONALE KAMER VAN GERECHTSDEURWAARDERS VAN BELGIE, publiekrechtelijke rechtspersoon met rechtspersoonlijkheid blijkens artikel 549 van het Gerechtelijk Wetboek, opgericht bij wet van 5 juli 1963, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Henri Jasparlaan 93, verweerster, minstens in bindend- en gemeenverklaring opgeroepen partij, in aanwezigheid van:
- D. W. G.,
- B. G.,
- G. DE WILDE, burgerlijke vennootschap onder vorm van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 9000 Gent, Hoogstraat 25, met keuze van woonplaats bij mr. Dany Cornelis, advocaat, met kantoor te 9031 Drongen, Baarledorpstraat 93, tot bindendverklaring opgeroepen partijen, EN Nr. C.09.0108.N NATIONALE KAMER VAN GERECHTSDEURWAARDERS VAN BELGIË, publiekrechtelijke rechtspersoon met rechtspersoonlijkheid blijkens artikel 549 van het Gerechtelijk Wetboek, opgericht bij wet van 5 juli 1963, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Henri Jasparlaan 93, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen D. G., D. M. J., GERECHTSDEURWAARDERSKANTOOR DE MEUTER & CORSTJENS cvba, met zetel te 2000 Antwerpen, Amerikalei 122, L. H., C. D., P. A., M. C., W. J., GERECHTSDEURWAARDERSKANTOOR MERTENS & WOUTERS cvba, met zetel te 2000 Antwerpen, Vrijheidsstraat 32 - bus 18, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerders woonplaats kiezen, in aanwezigheid van: D. W. G., B. G., G. DE WILDE, burgerlijke vennootschap onder vorm van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 9000 Gent, Hoogstraat 25, met keuze van woonplaats bij mr. Dany Cornelis, advocaat, met kantoor te 9031 Drongen, Baarledorpstraat 93, B. M., tot bindend verklaring opgeroepen partijen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep in de zaak C.09.0102.N is gericht tegen een arrest, op 27 januari 2009 gewezen door de voorzitter van de XIIe kamer van de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak. De eiser B. voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Het cassatieberoep in de zaak C.09.0108.N, ingesteld door de Nationale kamer van gerechtsdeurwaarders van België, is gericht tegen hetzelfde arrest. De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN A. In de zaak C.09.0108.N Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 144 en 145 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - de artikelen 7, 14, 17 en 33 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 12 januari 1973; - de artikelen 509 tot en met 555quater, inzonderheid 516, 549 en 550, evenals 609, 610 en 1088 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 2 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen. Aangevochten beslissing Rechtdoende op verweerders' verzoekschriften tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders van 18 december 2008, waarvan hen kennis werd gegeven bij schrijven van de voorzitter van 23 december 2008, houdende de toewijzing van de opdracht van centraliserende gerechtsdeurwaarder in het kader van de fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen van Vlabel aan de kantoren B. (Antwerpen) en D. W. en B. (Gent), beveelt de Voorzitter van de twaalfde kamer van de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van deze beslissing na de exceptie van onbevoegdheid, opgeworpen door de eiseres, als volgt te hebben verworpen: "Exceptie betreffende de rechtsmacht van de Raad van State
- (De eiseres) en tussenkomende partijen werpen in een exceptie in essentie op dat de Raad van State onbevoegd is met betrekking tot de beroepsorde die (de eiseres) is: zij is een ‘sluitstuk' of ‘verlengde' van de rechterlijke macht, en geen ‘administratieve overheid' in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Te dezen hebben verzoekende partijen geanticipeerd op de exceptie en een betoog ontwikkeld in hun inleidende verzoekschriften waarin zij pogen aan te tonen waarom te dezen (de eiseres) als de in het voormelde artikel 14 bedoelde administratieve overheid moet worden aangemerkt. De partijen argumenteren aldus over tientallen bladzijden - van de meer dan 265 bladzijden die hun gezamenlijke geschriften bedragen - over de vraag van de rechtsmacht van de Raad van State.
- De Raad van State kan in een kort geding en a fortiori in een kort geding bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts een beperkt onderzoek wijden aan excepties die zijn rechtsmacht betreffen. Voor een verzoekende partij moet het nadeel dat zich kan voordoen bij het afwijzen van rechtsmacht doorgaans zwaarder worden ingeschat dan het nadeel dat een verwerende partij lijdt bij een eventuele schorsing van de tenuitvoerlegging van haar beslissing, waaraan dan toch een sterke schijn van onrechtmatigheid kleeft. Onder meer om die reden past het dan ook dat in een kort geding de Raad van State deze excepties eerder zou verwerpen dan aannemen tenzij indien zijn beperkt onderzoek uitwijst dat een dergelijke exceptie een hoge graad van ernst vertoont. Te dezen is het voorwerp van het geding een opdracht om invorderingen te verrichten, betreffende schuldvorderingen waarvan het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap titularis zijn. Deze zijn onmiskenbaar publiekrechtelijke rechtspersonen. De opdracht om in te vorderen komt uiteindelijk hun ten goede. In artikel 3 van het voormelde protocol komt de bevoegde minister, handelend voor de twee voormelde rechtspersonen, met (de eiseres) overeen dat Vlabel ‘alle opdrachten toevertrouwt aan de Nationale Kamer', die op haar beurt deze opdrachten nader verdeelt. In artikel 1 wordt Vlabel aangemerkt als ‘opdrachtgever voor de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen t.b.v. de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest' en in artikel 2 wordt van Vlabel gewag gemaakt als ‘optredende instantie voor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest'. Vlabel, als intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid, treedt in de constructie dus op als orgaan van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest en is uit zichzelf publiekrechtelijk van aard. De oorspronkelijke taak - de invordering - wordt dus een gedelegeerde opdracht die aan (de eiseres) wordt toegewezen, omdat de voormelde publiekrechtelijke rechtspersonen niet zelf, en evenmin door middel van hun verzelfstandigd agentschap, invorderingen willen verrichten. Dergelijke juridische constructie lijkt met zich mee te brengen dat de instantie die met de opdracht - van algemeen belang - wordt belast, wel degelijk in bepaalde gevallen kan worden beschouwd als een administratieve overheid bij het uitoefenen van die gedelegeerde opdracht, ongeacht zelfs haar eigen rechtsvorm: de Raad van State heeft in die zin reeds beslist ten aanzien van rechtspersonen handelende onder een private rechtsvorm: een nv (arrest nr. 43.109 van 1 juni 1993, inzake nv Egta Contractors); een vzw (arrest nr. 79.954 van 27 april 1999, inzake bvba Artabel e. a.). Met des te meer reden lijkt (de eiseres), wettelijk ingesteld op grond van artikel 549 e v. van het Gerechtelijk Wetboek, indien zij bij delegatie een opdracht uitvoert in de plaats van administratieve overheden zoals te dezen, als een administratieve overheid te mogen worden beschouwd in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dit lijkt zelfs het geval, ook indien zij niet als dusdanig zou mogen worden aangemerkt wanneer zij andere taken verricht dan deze van die welbepaalde opdracht. Ongeacht de vraag - overigens te berde gebracht in het tweede middel van de inleidende verzoekschriften - of (de eiseres) gelet op haar doelgebondenheid, wel bevoegd mag worden geacht om de in het geding zijnde opdracht te aanvaarden en uit te oefenen - lijkt zij te dezen de bedoeling te hebben gehad, door zich in te schakelen in de bestuurlijke werking van de Vlaamse administratie, om op te treden als een administratieve overheid en lijkt zij zich in elk geval als dusdanig te hebben voorgedaan. De Raad van State nam in die zin al aan dat een arrondissementskamer van notarissen als administratieve overheid was opgetreden (arrest nr. 78.921 van 23 februari 1999 inzake Meissters-Braham). Er lijkt dan ook in de huidige stand van het geding te moeten worden aangenomen dat (de eiseres) bij het nemen van de bestreden beslissing is opgetreden als de in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bedoelde administratieve overheid, zodat haar beslissingen als de thans bestredene, in voorkomend geval door de Raad van State kunnen worden nietigverklaard en in haar tenuitvoerlegging geschorst. De exceptie wordt niet aanvaard want zij vertoont niet de vereiste hoge graad van ernst". Grief Eerste onderdeel Naar luid van de artikelen 609 van het Gerechtelijk Wetboek en 33 van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State doet het Hof uitspraak over de voorziening in cassatie tegen de arresten, waarbij de afdeling administratie van de Raad van State beslist van de vordering geen kennis te kunnen nemen, daar deze behoort tot de bevoegdheid van de rechterlijke overheid, evenals tegen de arresten, waarbij de genoemde afdeling afwijzend beschikt op een exceptie van onbevoegdheid, gegrond op de overweging dat de vordering tot de bevoegdheid van deze overheid behoort. Blijkens artikel 144 van de Grondwet behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken. Artikel 145 van de Grondwet stelt voorts dat geschillen over politieke rechten tot de bevoegdheid van de rechtbanken behoren, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen. Naar luid van artikel 7 van de bij koninklijk besluit van 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling administratie van deze raad uitspraak bij wijze van arresten in de gevallen voorzien bij deze wet en de bijzondere wetten. Artikel 14 van deze gecoördineerde wetten stelt dat de Raad van State meer bepaald uitspraak doet over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden, evenals van de wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblees, van het Rekenhof en van het Arbitragehof, van de Raad van State en de administratieve rechtscolleges evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad van Justitie met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel. Artikel 17, §1, van diezelfde wetten bepaalt voorts dat wanneer een akte of een reglement van een administratieve overheid vatbaar is voor vernietiging krachtens artikel 14, §§ 1 en 3, de Raad van State als enige de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan kan bevelen (eerste lid). In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan de schorsing bij voorraad worden bevolen, zonder dat de partijen of sommige van hen zijn gehoord. In dit geval worden in het arrest dat de voorlopige schorsing beveelt de partijen binnen drie dagen opgeroepen om te verschijnen voor de kamer die uitspraak doet over de bevestiging van de schorsing (derde lid). De verzoeker dient, wanneer hij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert, te opteren hetzij voor een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid, hetzij voor een gewone schorsing. Hij kan op straffe van niet-ontvankelijkheid noch gelijktijdig noch opeenvolgend hetzij opnieuw het derde lid toepassen, hetzij in zijn in §3 bedoeld verzoekschrift andermaal de schorsing vorderen (vijfde lid). Blijkens artikel 17, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging alleen worden bevolen als ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement kunnen verantwoorden en op voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen nadeel kan berokkenen. Artikel 17, §3, van deze wetten stelt voorts dat, behoudens in het geval van uiterst dringende noodzakelijkheid, in één en dezelfde akte zowel de vordering tot schorsing als het beroep tot nietigverklaring worden ingesteld. Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat de Raad van State slechts dan de bij de wet vereiste rechtsmacht heeft om uitspraak te doen, zowel over het beroep tot nietigverklaring als over een vordering tot schorsing, het weze bij uiterst dringende noodzakelijkheid, wanneer hij vaststelt dat de vordering onder zijn bevoegdheid ressorteert. Wordt deze bevoegdheid betwist door een der partijen, dan zal hij de vordering tot schorsing slechts kunnen onderzoeken en derhalve nagaan of er ernstige middelen worden aangevoerd op grond waarvan de beslissing zou kunnen worden vernietigd wanneer hij vaststelt dat hij daartoe de nodige rechtsmacht bezit, zonder dat hij zich daarbij kan beperken tot een "beperkt onderzoek" en er zich ermee vergenoegen vast te stellen dat de exceptie (g)een hoge graad van ernst vertoont. Indien de Raad de vordering tot schorsing kan toewijzen wanneer de middelen die voor hem worden opgeworpen ernstig zijn en de vernietiging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement kunnen verantwoorden en derhalve op grond van een sterke schijn van onrechtmatigheid, geldt deze redenering niet voor zijn bevoegdheid of rechtsmacht. Anders ge¬zegd, de Raad van State kan zich niet bevoegd achten omdat er aan de aangevochten beslissing een sterke schijn van onrechtmatigheid kleeft of omdat de exceptie naar zijn oordeel geen "hoge ernst" vertoont. Hij dient vast te stellen dat de vordering tot schorsing wel degelijk een handeling, uitgaande van een administratieve overheid, zoals bedoeld in artikel 14, §1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, viseert, op straffe van uitspraak te doen in aangelegenheden waarin enkel de rechter van de rechterlijke macht rechtsmacht bezit om over de gevorderde schorsing uitspraak te doen. Besluit Waar de Raad van State in het bestreden arrest oordeelt dat de Raad van State in een kort geding en a fortiori in een kort geding bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts een beperkt onderzoek dient te wijden aan excepties die zijn rechtsmacht betreffen en dat het past dat de Raad deze excepties eerder zou verwerpen dan aan te nemen, tenzij indien zijn beperkt onderzoek uitwijst dat een dergelijke exceptie een hoge graad van ernst vertoont, omdat voor een verzoekende partij het nadeel dat zich kan voordoen bij het afwijzen van rechtsmacht doorgaans zwaarder moet worden ingeschat dan het nadeel dat een verwerende partij lijdt bij een eventuele schorsing van de tenuitvoerlegging van haar beslissing en vervolgens de door de eiseres opgeworpen exceptie van onbevoegdheid verwerpt omdat zij niet de vereiste hoge graad van ernst vertoont, verantwoordt hij zijn beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 144, 145 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994, 609, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, 7, 14, §1, 17, §§ 1, 2 en 3, en 33 van de bij koninklijk besluit van 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State). Tweede onderdeel Naar luid van artikel 144 van de Grondwet behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken. Artikel 145 van de Grondwet stelt voorts dat geschillen over politieke rechten tot de bevoegdheid van de rechtbanken behoren, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen. Blijkens artikel 7 van de bij koninklijk besluit van 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling administratie van deze raad uitspraak bij wijze van arresten in de gevallen voorzien bij deze wet en de bijzondere wetten. Volgens artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de Raad van State uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden, evenals van de wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblees, van het Rekenhof en van het Arbitragehof, van de Raad van State en de administratieve rechtscolleges evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad van Justitie met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel. Artikel 17, §1, van diezelfde wetten bepaalt voorts dat wanneer een akte of een reglement van een administratieve overheid vatbaar is voor vernietiging krachtens artikel 14, §§ 1 en 3, de Raad van State als enige de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan kan bevelen (eerste lid). In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan de schorsing bij voorraad worden bevolen, zonder dat de partijen of sommige van hen zijn gehoord (derde lid). Uit de samenlezing van deze bepalingen volgt dat de Raad van State slechts dan de vereiste rechtsmacht bezit om uitspraak te doen over een vordering tot schorsing, weze het bij uiterst dringende noodzakelijkheid, wanneer er sprake is van een handeling, uitgaande van een administratieve overheid die vatbaar is voor vernietiging voor de Raad van State. Zijn in beginsel administratieve overheden in de zin van dit artikel 14, §1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de instellingen, opgericht of erkend door de federale overheid, de overheid van de gemeenschappen en gewesten, de provincies of gemeenten, die belast zijn met een openbare dienst en niet behoren tot de rechterlijke of wetgevende macht, in zoverre hun werking door de overheid wordt bepaald en gecontroleerd en zij beslissingen kunnen nemen die derden binden, meer bepaald door de eigen verplichtingen tegenover anderen eenzijdig te bepalen of door verplichtingen van die anderen eenzijdig vast te stellen. De instellingen van de rechterlijke macht en in het verlengde daarvan de beroepsorden van de ministeriële ambtenaren, inzonderheid van de gerechtsdeurwaarders, en van de balie, die nauw betrokken zijn bij de werking van het gerecht, werden daarentegen aan de rechtsmacht van de Raad van State onttrokken, behoudens de bij artikel 14, §1, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalde uitzondering, die van restrictieve interpretatie is, en dit ongeacht de aard van de handelingen die zij stellen of de hoedanigheid waarin zij zouden optreden. Handelingen die met machtsoverschrijding worden gesteld door de tuchtrechtelijke overheden van openbare en ministeriële ambtenaren en van de balie zullen bij toepassing van de artikelen 610 en 1088 van het Gerechtelijk Wetboek aan het Hof van Cassatie moeten worden voorgelegd. Bij de artikelen 509 tot en met 555quater van het Gerechtelijk Wetboek, opgenomen in dezelfde titel als deze waarin ook de organen van de rechterlijke macht evenals de balie aan bod komen, wordt het ambt van gerechtsdeurwaarder geregeld. Naar luid van artikel 549 van het Gerechtelijk Wetboek groepeert de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders van België alle gerechtsdeurwaarders van België, die blijkens artikel 516 van het Gerechtelijk Wetboek, behoudens andersluidende wettelijke bepalingen, alleen bevoegd zijn tot het opstellen en betekenen van alle exploten en tot het tenuitvoerleggen van alle gerechtelijke beslissingen, akten of titels in uitvoerbare vorm, kunnen worden aangesteld om vaststellingen te doen van zuiver materiële feiten, ter griffie de uitgiften, akten en uittreksels van alle processtukken kunnen lichten en de verzoekschriften indienen die zij krachtens de wet kunnen ondertekenen, tevens, op verzoek van de advocaten van de partijen alle andere verzoekschriften ter griffie kunnen neerleggen, de afschriften en vertalingen van documenten in hun bezit voor eensluidend kunnen tekenen en uittreksels kunnen opstellen van alle akten van hun ambt en evenals de notarissen de schattingen en openbare verkopingen van meubelen en roerende goederen kunnen verrichten. De taak van de gerechtsdeurwaarder bestaat zodoende in essentie in het verlenen van zijn medewerking aan het gerecht, waarbij hij enerzijds optreedt als ministerieel ambtenaar, anderzijds als beoefenaar van een vrij beroep, die als zodanig onderworpen is aan de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen (artikel 2). De gerechtsdeurwaarders zijn onderworpen aan een tuchtregeling waaromtrent de beslissingen zijn toegewezen aan hetzij een eigen beroepsorgaan, hetzij de rechterlijke macht. Naar luid van artikel 549 van het Gerechtelijk Wetboek vormen alle gerechtsdeur-waarders samen de Nationale Kamer die rechtspersoonlijkheid geniet. Blijkens artikel 550 van het Gerechtelijk Wetboek heeft de Nationale Kamer tot taak te waken over de eenvormigheid van de tucht en van de regels van de deontologie onder haar leden en voor de uitvoering van de hen betreffende wetten en verordeningen, de belangen van haar leden te verdedigen en hen in alle omstandigheden te vertegenwoordigen, de verkiezing van de leden van de vaste raad te organiseren, jaarlijks de rekeningen die de vaste raad haar voorlegt, alsmede de begroting goed te keuren, jaarlijks het bedrag van de bijdrage vast te stellen, het reglement voorgesteld door de vaste raad goed te keuren en in de afgifte van het stage- en praktijkboekje te voorzien. Als zodanig vormt de eiseres, die alle gerechtsdeurwaarders groepeert, het sluitstuk van deze beroepsorde, die een verlengstuk van het gerecht vormt, waarvan alle handelingen, het weze reglementen dan wel handelingen met een individuele draagwijdte, zijn onttrokken aan de jurisdictie van de Raad van State. Zoals door de Raad van State en het Grondwettelijk Hof zelf meermaals geoordeeld, was het destijds immers het duidelijk inzicht van de wetgever om alles wat het ambt van gerechtsdeurwaarder (betreft), waarvan de regeling, net zoals deze van de balie, werd opgenomen in deel II, getiteld "Rechterlijke organisatie", van het Gerechtelijk Wetboek, binnen de sfeer van de rechterlijke macht te houden. Besluit Waar de Raad van State in het bestreden arrest besluit dat de beslissing van de eiseres tot toewijzing van de opdracht van centraliserende gerechtsdeurwaarder in het kader van de fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen van Vlabel aan de kantoren B. (Antwerpen) en D. W. en B. (Gent) kennelijk vatbaar is voor een annulatieberoep voor de Raad van State, terwijl de beslissing uitgaat van een beroepsorde, die zelf een verlengstuk van de rechterlijke macht vormt, waarvan de handelingen door de wetgever binnen de rechterlijke macht werden gehouden, verantwoordt de Raad zijn beslissing dat de exceptie van onbevoegdheid niet de vereiste hoge graad van ernst vertoont, niet naar recht (schending van de artikelen 144, 145 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994, 7, 14, §1, 17, §1, eerste en derde lid, 33 van de bij koninklijk besluit van 12 april 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, 509 tot en met 555quater, inzonderheid 516, 549, 550, 609, 2°, 610 en 1088 van het Gerechtelijk Wetboek en voor zoveel als nodig artikel 2 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen). Derde onderdeel Naar luid van artikel 144 van de Grondwet behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken. Artikel 145 van de Grondwet stelt voorts dat geschillen over politieke rechten tot de bevoegdheid van de rechtbanken behoren, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen. Blijkens artikel 7 van de bij koninklijk besluit van 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling administratie van deze raad uitspraak bij wijze van arresten in de gevallen voorzien bij deze wet en de bijzondere wetten. Volgens artikel 14, §1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de Raad van State uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden, evenals van de wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblees, van het Rekenhof en van het Arbitragehof, van de Raad van State en de administratieve rechtscolleges evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad van Justitie met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel. Artikel 17, §1, van diezelfde wetten bepaalt voorts dat wanneer een akte of een reglement van een administratieve overheid vatbaar is voor vernietiging krachtens artikel 14, §§ 1 en 3, de Raad van State als enige de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan kan bevelen (eerste lid). In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan de schorsing bij voorraad worden bevolen, zonder dat de partijen of sommige van hen zijn gehoord (derde lid). Uit de samenlezing van deze bepalingen volgt dat de Raad van State slechts dan de vereiste rechtsmacht bezit om uitspraak te doen over een vordering tot schorsing, weze het bij uiterst dringende noodzakelijkheid, wanneer er sprake is van een akte of reglement, uitgaande van een administratieve overheid, die vatbaar is voor vernietiging voor de Raad van State. Instellingen, opgericht of erkend door de federale overheid, de overheid van de gemeenschappen en gewesten, de provincies of gemeenten, die belast zijn met een openbare dienst of taak van algemeen belang en die niet behoren tot de wetgevende of rechterlijke macht, zijn in beginsel administratieve overheden in zoverre hun werking door de overheid wordt bepaald en gecontroleerd en zij beslissingen kunnen nemen die derden binden. De omstandigheid dat een administratieve overheid aan een derde, inzonderheid een beroepsorganisatie, die nauw betrokken is bij de werking van het gerecht, zoals uiteengezet in het tweede onderdeel, één van haar taken zou toevertrouwen, maakt van die derde nog geen administratieve overheid, indien deze derde niet tegelijk wordt bekleed met het imperium of het overheidsgezag, zijnde de bevoegdheid om in het rechtsverkeer ter verwezenlijking van doeleinden die van algemeen belang zijn eenzijdig beslissingen te nemen die derden binden, meer bepaald door de eigen verplichtingen tegenover anderen eenzijdig te bepalen of door de verplichtingen van die anderen eenzijdig vast te stellen. Indien te dezen uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat de eiseres bij een samenwerkingsprotocol, gesloten met de bevoegde Vlaamse minister van Financiën, belast werd met de aanstelling van een centraliserende gerechtsdeurwaarder, zulks overeenkomstig de in het samenwerkingsprotocol bepaalde voorwaarden inzake de keuze van de aan te stellen deurwaarders, aangehaald op pagina 4 van het bestreden arrest, om de invorderingstaken, waarvan sprake in het protocol, uit te voeren en deze vanuit een centraal punt te beheren ten overstaan van Vlabel, blijkt hieruit geenszins dat de eiseres, die daarbij slechts optrad als tussenschakel, hierbij met enig overheidsgezag in hoger vernoemde zin werd bekleed. Besluit Op grond van de gedane vaststellingen, waaruit geenszins blijkt dat de eiseres uit het samenwerkingsprotocol met de Vlaamse overheid de bevoegdheid putte om eenzijdig, ter verwezenlijking van een taak van algemeen belang, te onderscheiden van de taak die haar bij artikel 550 van het Gerechtelijk Wetboek wordt verleend, eenzijdige bindende beslissingen te nemen, vermocht de Raad van State niet wettig te beslissen dat de eiseres lijkt te mogen worden beschouwd als een administratieve overheid in de zin van artikel 14, §1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (schending van de artikelen 14, §1, en 17, §1, van de bij koninklijk besluit van 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, 509 tot en met 555quater, inzonderheid 516, 549 en 550 van het Gerechtelijk Wetboek) en kon het derhalve niet wettig beslissen dat de door de eiseres opgeworpen exceptie van onbevoegdheid niet de vereiste hoge graad van ernst vertoonde (schending van de artikelen 144, 145 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994, 7, 14, §1, 17, §§ 1, 2 en 3, van de gecoördineerde wetten van 12 april 1973 op de Raad van State en 609, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek). B. In de zaak C.09.0102.N Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 144 en 145 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - de artikelen 7, 14 en 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 12 januari 1973; - de artikelen 509 tot en met 555quater van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest beslist: "Artikel
- De zaken nrs. A.190.847/XII-5663 en A.190.918/XII-5668 worden gevoegd wat de vorderingen tot schorsing betreft. (...) Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van (de tiende verweerster) van 18 december 2008, houdende de toewijzing van de opdracht van centraliserende gerechtsdeurwaarder in het kader van de fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen van Vlabel aan (de eiser) (Antwerpen) en (de elfde tot en met de dertiende verweerders) (Gent). Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 1000 euro, komen te laste van (de eiser) en (de elfde tot en met de dertiende verweerders), elk voor een vierde". op grond van de motieven (...): "Exceptie betreffende de rechtsmacht van de Raad van State
- (De tiende verweerster) en (de eiseres en de elfde tot en met de dertiende verweerders) werpen in een exceptie in essentie op dat de Raad van State onbevoegd is met betrekking tot de beroepsorde die de verwerende partij is: zij is een ‘sluitstuk' of ‘verlengde' van de rechterlijke macht, en geen ‘administratieve overheid' in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Te dezen hebben (de eerste tot en met de negende verweerders) geanticipeerd op de exceptie en een betoog ontwikkeld in hun inleidende verzoekschrift en waarin zij pogen aan te tonen waarom te dezen (de tiende verweerster) als de in het voormelde artikel 14 bedoelde administratieve overheid moet worden aangemerkt. De partijen argumenteren aldus over tientallen bladzijden - van de meer dan 265 bladzijden die hun gezamenlijke geschriften bedragen - over de vraag van de rechtsmacht van de Raad van State.
- De Raad van State kan in een kort geding en a fortiori in een kort geding bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts een beperkt onderzoek wijden aan excepties die zijn rechtsmacht betreffen. Voor een verzoekende partij moet het nadeel dat zich kan voordoen bij het afwijzen van rechtsmacht doorgaans zwaarder worden ingeschat dan het nadeel dat een verwerende partij lijdt bij een eventuele schorsing van de tenuitvoerlegging van haar beslissing, waaraan dan toch een sterke schijn van onrechtmatigheid kleeft. Onder meer om die reden past het dan ook dat in een kort geding de Raad van State deze excepties eerder zou verwerpen dan aannemen tenzij indien zijn beperkt onderzoek uitwijst dat een dergelijke exceptie een hoge graad van ernst vertoont. Te dezen is het voorwerp van het geding een opdracht om invorderingen te verrichten, betreffende schuldvorderingen waarvan het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap titularis zijn. Deze zijn onmiskenbaar publiekrechtelijke rechtspersonen. De opdracht om in te vorderen komt uiteindelijk hun ten goede. In artikel 3 van het voormelde protocol komt de bevoegde minister, handelend voor de twee voormelde rechtspersonen, met de verwerende partij overeen dat Vlabel ‘alle opdrachten toevertrouwt aan de Nationale Kamer', die op haar beurt deze opdrachten nader verdeelt. In artikel 1 wordt Vlabel aangemerkt als ‘opdrachtgever voor de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen t.b.v. de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest' en in artikel 2 wordt van Vlabel gewag gemaakt als ‘optredende instantie voor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest'. Vlabel, als intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid, treedt in de constructie dus op als orgaan van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest en is uit zichzelf publiekrechtelijk van aard. De oorspronkelijke taak - de invordering - wordt dus een gedelegeerde opdracht die aan (de tiende verweerster) wordt toegewezen, omdat de voormelde publiekrechtelijke rechtspersonen niet zelf en evenmin door middel van hun verzelfstandigd agentschap, invorderingen willen verrichten. Dergelijke juridische constructie lijkt met zich mee te brengen dat de instantie die met de opdracht - van algemeen belang - wordt belast, wel degelijk in bepaalde gevallen kan worden beschouwd als een administratieve overheid bij het uitoefenen van die gedelegeerde opdracht, ongeacht zelfs haar eigen rechtsvorm: de Raad van State heeft in die zin reeds beslist ten aanzien van rechtspersonen handelende onder een private rechtsvorm: een nv (arrest nr. 43 .109 van 1 juni 1993, inzake nv Egta Contractors); een vzw (arrest nr. 79.954 van 27 april 1999, inzake bvba Artabel e.a.). Met des te meer reden lijkt (de tiende verweerster), wettelijk ingesteld op grond van artikel 549 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek, indien zij bij delegatie een opdracht uitvoert in de plaats van administratieve overheden zoals te dezen, als een administratieve overheid te mogen worden beschouwd in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dit lijkt zelfs het geval, ook indien zij niet als dusdanig zou mogen worden aangemerkt wanneer zij andere taken verricht dan deze van die welbepaalde opdracht. Ongeacht de vraag - overigens te berde gebracht in het tweede middel van de inleidende verzoekschriften - of (de tiende verweerster) gelet op haar doelgebondenheid, wel bevoegd mag worden geacht om de in het geding zijnde opdracht te aanvaarden en uit te oefenen - lijkt zij te dezen de bedoeling te hebben gehad, door zich in te schakelen in de bestuurlijke werking van de Vlaamse administratie, om op te treden als een administratieve overheid en lijkt zij zich in elk geval als dusdanig te hebben voorgedaan. De Raad van State nam in die zin al aan dat een arrondissementskamer van notarissen als administratieve overheid was opgetreden (arrest nr. 78.921 van 23 februari 1999 inzake M.-B.). Er lijkt dan ook in de huidige stand van het geding te moeten worden aangenomen dat (de tiende verweerster) bij het nemen van de bestreden beslissing is opgetreden als de in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bedoelde administratieve overheid, zodat haar beslissingen als de thans bestredene, in voorkomend geval door de Raad van State kunnen worden nietig verklaard en in haar tenuitvoerlegging geschorst. De exceptie wordt niet aanvaard want zij vertoont niet de vereiste hoge graad van ernst". Grieven Krachtens artikel 17, §1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973, is de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, bevoegd om, in geval van uiterst dringende noodzakelijkheid, de schorsing van de tenuitvoerlegging te bevelen van een akte of een reglement van een administratieve overheid, wanneer die akte of dat reglement vatbaar is voor vernietiging krachtens artikel 14, §1, van die wetten. Krachtens artikel 14, §1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, doet de Raad uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden. Instellingen, opgericht of erkend door de federale overheid, de overheid van de gemeenschappen en gewesten, de provincies of gemeenten, die belast zijn met een openbare dienst of taak van algemeen belang, zijn in beginsel administratieve overheden, in zoverre hun werking door de overheid wordt bepaald en gecontroleerd en zij beslissingen kunnen nemen die derden binden. Wanneer dergelijke instelling evenwel tot de sfeer van de wetgevende macht of de rechterlijke macht behoren, zijn zij dat evenwel niet. Uit de voorbereidende werken en de algemene strekking van "Boek IV Gerechtsdeurwaarders" van het Tweede Deel van het Gerechtelijk Wetboek, dat de "Rechterlijke organisatie" behandelt, blijkt dat de wettelijke regeling van het ambt van gerechtsdeurwaarder deel uitmaakt van de bredere regeling in het Gerechtelijk Wetboek inzake de rechterlijke macht. Het zijn ministeriële ambtenaren benoemd door de Koning, waarvan het aantal wettelijk vastgelegd is, die gehouden zijn hun taak, tot het opstellen van en betekenen van alle exploten en tot het tenuitvoerleggen van alle gerechtelijke beslissingen, akten of titels in uitvoerbare vorm, uit te voeren, tegen een vastgesteld tarief, terwijl zij ook materiële vaststellingen kunnen doen, waarbij aan hun optreden een authentiek karakter verbonden is. Zij zijn onderworpen aan een tuchtregeling, waaromtrent de beslissingen zijn toegewezen aan ofwel een eigen beroepsorgaan of aan de rechterlijke macht. Als overkoepelende instantie met afzonderlijke rechtspersoonlijkheid, waarvan alle gerechtsdeurwaarders lid zijn, vormt de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders het sluitstuk van deze beroepsorde gezien de bevoegdheden die haar zijn toegekend in de artikelen 549 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek. Het is met andere woorden klaar dat de wetgever het duidelijk inzicht heeft gehad om alles wat het ambt van gerechtsdeurwaarder aangaat binnen de sfeer van de rechterlijke macht te houden, zoals laatst nog aangetoond door de wetswijziging van 6 april 1992 strekkende tot het invoeren van een beroepsprocedure tegen de disciplinaire beslissingen van de raad van de arrondissementskamers. Bijgevolg ressorteren al de reglementen, net zoals al de handelingen met individuele draagwijdte van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders niet onder de vernietigingsbevoegdheid van de Raad van State. Daarbij is het onverschillig dat aan de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders in het protocol van samenwerking inzake de gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen in opdracht van de Vlaamse Belastingdienst van 18 december 2008 de opdracht werd gegeven om o.m. ook de centraliserende gerechtsdeurwaarder aan te duiden. Immers, de beslissing om een kandidatuur voor die taak te weren, is geen beslissing die derden bindt, nu dergelijke beslissing geen verplichtingen ten aanzien van derden doet ontstaan. De omstandigheid dat die opdracht in onderlinge afspraak werd toevertrouwd, weze het bij delegatie, doet aan het voorgaande niets af en heeft niet tot gevolg dat de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders voor de bestreden beslissing van 18 december 2008 als een administratieve overheid is opgetreden, vermits een handeling, die geen openbare gezagsuitoefening of enig imperiumgehalte in zich draagt, niet van aard verandert enkel omdat de toebedeling ervan uitgaat van rechtspersonen, die uit zichzelf publiekrechtelijk van aard zijn. Hieruit volgt dat het bestreden arrest zich onwettig rechtsmacht, die tot de gewone rechtbanken toebehoort (schending van de artikelen 144 en 145 van de gecoördineerde Grondwet) toeëigent om de schorsing te bevelen van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders van 18 december 2008, houdende de toewijzing van de opdracht van centraliserend gerechtsdeurwaarder in het kader van de fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen van Vlabel aan de eiser en aan de dertiende verweerder, vermits de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders geen administratieve overheid in de zin van artikel 14, §1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is, omdat zij tot de sfeer van de rechtelijke macht behoort (schending van de artikelen 144 en 145 van de gecoördineerde Grondwet, de artikelen 7, 14 en 17, §1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 509 tot en met 555quater van het Gerechtelijk Wetboek) en met betrekking tot de opdracht om de centraliserend gerechtsdeurwaarder aan te duiden zij geen voor derden bindende beslissing neemt, waarbij de omstandigheid dat die taak bij wijze van delegatie wordt verleend door rechtspersonen, die uit zichzelf publiekrechtelijk van aard zijn daar geen imperiumgehalte aan toekent en niets verandert (schending van de artikelen 144 en 145 van de gecoördineerde Grondwet en van de artikelen 7, 14 en 17, §1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling A. Voeging
- De twee cassatieberoepen zijn gericht tegen hetzelfde arrest. Het behoort de zaken te voegen. B. In de zaak C.09.0108.N Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 17, §1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973 (hierna Wet Raad van State), is de Raad van State bevoegd om de schorsing van de tenuitvoerlegging te bevelen van een akte of een reglement van een administratieve overheid wanneer die akte of dat reglement vatbaar is voor vernietiging krachtens artikel 14, §1, van die wetten.
- De Raad van State heeft dan slechts de bij de wet vereiste rechtsmacht om uitspraak te doen zowel over het beroep tot nietigverklaring als over een vordering tot schorsing, wanneer hij vaststelt dat de vordering tot zijn bevoegdheid behoort. Wanneer deze bevoegdheid wordt betwist moet hij dit onderzoeken en hierover uitspraak doen.
- Het bestreden arrest oordeelt met opgave van redenen dat de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders van België (hierna : Nationale Kamer) te dezen optreedt als een administratieve overheid en als dusdanig mag worden beschouwd voor de taak die haar wordt gedelegeerd door de Vlaamse overheid. Het leidt hieruit af dat de beslissingen van de Nationale Kamer in deze context vatbaar zijn voor vernietiging en schorsing.
- De redenen dat de Raad van State maar een beperkt onderzoek uitvoert naar de excepties die zijn rechtsmacht betreffen, in zijn oordeel belangen afweegt en rekening houdt met de graad van ernst van de exceptie, zijn overtollige redenen. Het onderdeel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk, zoals door de verweerders wordt opgeworpen. Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 144 van de Grondwet behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken. Volgens artikel 145 van de Grondwet behoren geschillen over politieke rechten tot de bevoegdheid van de rechtbanken, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen.
- Krachtens artikel 14, §1, eerste lid, Wet Raad van State, doet de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bij wijze van arrest, uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring wegens overschrijding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden, van de wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblees, van het Rekenhof, van het Grondwettelijk Hof, van de Raad van State en de administratieve rechtscolleges, evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad voor Justitie met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel.
- Het statuut van de gerechtsdeurwaarders, hun taakuitoefening en de inrichting van het ambt zijn geregeld door boek IV met als opschrift "Gerechtsdeurwaarders" van het tweede deel van het Gerechtelijk Wetboek met als opschrift "Rechterlijke Organisatie". Het statuut van deze openbare en ministeriële ambtenaren die nauw betrokken zijn bij de werking van het gerecht, maakt aldus deel uit van de bredere regeling in het Gerechtelijk Wetboek van de rechterlijke organisatie.
- Alle gerechtsdeurwaarders van het land vormen samen de Nationale Kamer die zowel de belangen van haar leden vertegenwoordigt als zorgt voor de goede werking van het korps in de vervulling van zijn taken in dienst van het gerecht.
- De wetgever heeft aldus het beroep van gerechtsdeurwaarder betrokken bij de openbare dienst van de rechtsbedeling en de organen die het korps besturen, zoals de Nationale Kamer, zijn aldus in die hoedanigheid verbonden met de rechterlijke orde en kunnen aldus niet louter op grond van hun aard en wijze van oprichting beschouwd worden als administratieve overheden in de zin van het genoemde artikel
- De omstandigheid dat de gerechtsdeurwaarders overwegend en dus niet uitsluitend betrokken zijn bij de dienst van de rechtsbedeling, belet niet dat de Nationale Kamer specifieke opdrachten zou krijgen van overheidswege die volledig los staan van haar gewone opdrachten en dat zij in die mate kan beschouwd worden als een administratieve overheid in de uitoefening van die specifieke opdrachten.
- De Nationale Kamer kan aldus beschouwd worden als een administratieve overheid in de zin van artikel 14 Wet Raad van State wanneer zij bepaalde gezagsfuncties opneemt die haar door een regering zijn toevertrouwd en in zoverre die taken geen verband houden met de opdrachten die de wetgever haar heeft toevertrouwd om de goede werking van het gerecht te verzekeren. Dit geldt in het bijzonder wanneer de Nationale Kamer welomschreven gezagstaken op zich neemt die tot de bevoegdheid van een regering behoren en haar door een regering zijn gedelegeerd en zij in haar plaats die taken daadwerkelijk uitoefent, zoals de opdracht aan een of meer leden van de kamers heffingen in te vorderen.
- Het arrest oordeelt dat: - de bevoegde minister, handelend voor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest, met de Nationale Kamer van de gerechtsdeurwaarders overeenkomt dat Vlabel alle opdrachten tot invordering toevertrouwt aan de Nationale Kamer die op haar beurt deze opdrachten nader verdeelt onder haar leden; - Vlabel als intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid in de constructie optreedt als orgaan van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Gewest en uit zichzelf publiekrechtelijk van aard is. - de oorspronkelijke taak - de invordering - dus een gedelegeerde opdracht wordt die aan de Nationale Kamer wordt toegewezen, omdat de voormelde publiekrechtelijke rechtspersonen niet zelf en evenmin door middel van hun verzelfstandigd agentschap, invorderingen willen verrichten; - dergelijke juridische constructie met zich mee lijkt te brengen dat de instantie, die met die opdracht - van algemeen belang - wordt belast wel degelijk in bepaalde gevallen kan worden beschouwd als een administratieve overheid bij het uitoefenen van die gedelegeerde opdracht, ongeacht zelfs haar eigen rechtsvorm; - de Nationale Kamer, wettelijk ingesteld op grond van de artikelen 549 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, indien zij bij delegatie een opdracht uitvoert in de plaats van de administratieve overheden zoals te dezen, als een administratieve overheid lijkt te mogen worden beschouwd; - dit zelfs het geval lijkt, ook indien zij niet als dusdanig zou mogen worden aangemerkt wanneer zij andere taken verricht dan deze van die welbepaalde opdracht; - de Nationale Kamer de bedoeling lijkt te hebben gehad door zich in te schakelen in de bestuurlijke werking van de Vlaamse administratie om op te treden als een administratieve overheid en zij zich in elk geval als dusdanig lijkt te hebben voorgedaan. Het arrest leidt hieruit af dat dan ook "in de huidige stand van het geding moet worden aangenomen dat de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders bij het nemen van de bestreden beslissing d.i. de toewijzing van de opdracht van centraliserend gerechtsdeurwaarder in het kader van de fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen van Vlabel, is opgetreden als de in artikel 14 van de (Wet Raad van State) bedoelde overheid zodat haar beslissingen in voorkomend geval door de Raad van State kunnen worden nietigverklaard en in haar tenuitvoerlegging worden geschorst". Het arrest schendt aldus de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen niet. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- Het onderdeel gaat ervan uit dat de Nationale Kamer geen bindende beslissingen kan nemen die derden verbinden, meer bepaald door de eigen verplichtingen tegenover anderen eenzijdig te bepalen of door verplichtingen van die anderen eenzijdig vast te stellen. Volgens het onderdeel trad de Nationale Kamer op als tussenschakel maar niet als een overheid.
- Uit het arrest blijkt dat, om redenen die niet als dusdanig worden bekritiseerd, de Nationale Kamer op grond van de gehanteerde constructie belast werd met een opdracht van algemeen belang en zelf die opdracht uitvoerde in plaats van de administratieve overheid en zich inschakelde in de bestuurlijke werking van de Vlaamse administratie. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. C. Zaak C.09.0102.N
- Uit het antwoord op het tweede onderdeel van het middel in de zaak C.09.0108.N blijkt dat de Nationale kamer een openbare overheid is die hoewel overwegend aansluitend bij de rechterlijke organisatie ook een overheidstaak heeft opgenomen als administratieve overheid. De vraag of zij beslissingen kon nemen die derden kunnen binden, vraag die relevant zou zijn indien zij een privaatrechtelijk orgaan zou zijn, is te dezen zonder belang. Het middel kan niet worden aangenomen. Bindendverklaring (in beide zaken)
- De verwerping van het cassatieberoep ontneemt alle belang aan de vorderingen tot bindendverklaring. Dictum Het Hof, in verenigde kamers, Voegt de zaken C.09.0102.N en C.09.0108.N. Verwerpt de cassatieberoepen en de vorderingen tot bindendverklaring. Veroordeelt de respectieve eisers in de kosten van hun cassatieberoep. De kosten in de zaak C.09.0102.N zijn begroot op de som van 2091,54 euro jegens de eisende partij en op de som van 172,36 euro jegens de verwerende partijen sub 1 tot en met
- De kosten in de zaak C.09.0108.N zijn begroot op de som van 1160,59 euro jegens de eisende partij en op de som van 172,36 euro jegens de verwerende partijen sub 1 tot en met
- Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, verenigde kamers, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, de voorzitters Ivan Verougstraete en Christian Storck, de afdelingsvoorzitters Edward Forrier, Jean de Codt, Frédéric Close, Paul Mathieu, de raadsheren Didier Batselé, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Geert Jocqué en op de openbare rechtszitting van 10 september 2009 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van Guy Dubrulle, advocaat-generaal, met bijstand van hoofdgriffier Chantal Van Der Kelen. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090910.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090910.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100319.6 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110530.1 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.217.992 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.221.025 ECLI:BE:RVSCE:2015:ARR.230.568 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.233.846 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.216 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.832 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div