id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090915.1 Rolnummer: P.09.0060.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-09-22 Raadplegingen: 522 - laatst gezien 2026-07-03 02:38 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het gegeven dat derden, met name huurders van een feestzaal, hinder veroorzaken belet niet dat ingevolge artikel 22 Milieuvergunningsdecreet, de exploitant van de feestzaal verplicht is de nodige maatregelen te treffen om schade, hinder en zware ongevallen te voorkomen. Thesaurus CAS: MILIEURECHT UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Algemeen (leefmilieu) Vrije woorden: Milieuvergunningsdecreet - Artikel 22 - Voorkoming van schade, hinder en zware ongevallen - Geluidshinder - Omvang van de zorgvuldigheidsplicht Fiches 2 - 3 De bepaling van artikel 22 Milieuvergunningsdecreet is voor al degenen op wie de wet toepasselijk kan zijn, voldoende nauwkeurig om willekeurige vervolgingen en veroordelingen te vermijden; de omvang van voormelde zorgvuldigheidsplicht blijft niet beperkt tot het naleven van de algemene of de bijzondere voorwaarden van de vergunning noch moet zij vooraf bij ministerieel besluit worden gepreciseerd; deze zorgvuldigheidsplicht is algemeen en omvat elke maatregel van voorzichtigheid of voorzorg
(1).
(1)Cass., 4 feb. 2003, AR P.02.0615.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030204.4, A.C., 2003, nr 83; Cass., 17 juni 2008, AR P.06.1348.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080617.1, A.C., 2008, nr
- Thesaurus CAS: MILIEURECHT UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - LEEFMILIEU - Algemeen (leefmilieu) Vrije woorden: Milieuvergunningsdecreet - Artikel 22 - Maatregelen ter voorkoming van schade, hinder en zware ongevallen - Omvang van de zorgvuldigheidsplicht Milieuvergunningsdecreet - Artikel 22 - Zorgvuldigheidsplicht - Legaliteitsbeginsel Tekst van de beslissing Nr. P.09.0060.N C G V N, eiseres, met als raadsman mr. Paul Bekaert, advocaat aan de balie te Brugge, ter rechtszitting bijgestaan door mr. Valerie Soenen, advocaat bij de balie te Brugge, voor mr. Paul Bekaert, tegen
- J V, burgerlijke partij,
- V, burgerlijke partij,
- N D J, burgerlijke partij,
- M M, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 12 december
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 4, § 1, Milieuvergunningsdecreet en de rubriek 32.1 van de bijlage van Vlarem I alsook miskenning van het rechtsbeginsel ‘actori incumbit probatio': anders dan de appelrechters oordelen, kan de exploitatie van de eiseres niet onder artikel 32.1 Vlarem I worden gebracht omdat de zaak enkel bij bijzondere gelegenheden wordt verhuurd; de appelrechters miskennen het rechtsbeginsel ‘actori incumbit probatio' door te stellen dat de eiseres in haar polyvalente zaak meer dan twaalf gelegenheden per jaar en meer dan twee gelegenheden per maand een dansactiviteit gekoppeld aan een bijzondere gelegenheid zou organiseren.
- In zoverre het middel aanvoert dat de exploitatie van de eiseres niet onder artikel 32.1 Vlarem I valt en voldoet aan de daarin vermelde uitzondering betreffende feesten of lokalen waarin enkel dansactiviteiten gekoppeld aan bijzondere gelegenheden worden georganiseerd, verplicht dit het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is.
- In zoverre het middel opkomt tegen het oordeel van de appelrechters dat uit het onderzoek blijkt dat de eiseres in de zaal gedurende meer dan twaalf gelegenheden per jaar en meer dan twee gelegenheden per maand een dansactiviteit gekoppeld aan een bijzondere gelegenheid zou organiseren, komt het op tegen de onaantastbare feitelijke beoordeling van de appelrechters. Het middel is mitsdien niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 22 Milieuvergunningsdecreet en miskenning van het legaliteitsbeginsel: de eiseres kan niet aansprakelijk zijn voor de hinder veroorzaakt door derden; er is geen enkel bewijs dat de geluidshinder buitenmatig is; de appelrechters dienden aan te tonen dat de eiseres onvoldoende maatregelen zou hebben genomen om de hinder te voorkomen.
- Artikel 22 Milieuvergunningsdecreet bepaalt dat de exploitant van een inrichting verplicht is de exploitatievoorwaarden na te leven en dat hij, ongeacht de verleende vergunning, steeds de nodige maatregelen moet treffen om schade, hinder en zware ongevallen te voorkomen en, om bij ongeval, de gevolgen ervan voor de mens en het leefmilieu zo beperkt mogelijk te houden.
- Anders dan de eiseres voorhoudt, belet het gegeven dat derden, met name huurders van een feestzaal, hinder veroorzaken niet dat ingevolge voormelde wetsbepaling de exploitant van de feestzaal verplicht is de nodige maatregelen te treffen om schade, hinder en zware ongevallen te voorkomen. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.
- In zoverre het middel aanvoert dat er geen enkel bewijs is dat de geluidshinder buitenmatig is, verplicht dit het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
- De bepaling in artikel 22, tweede lid, Milieuvergunningsdecreet, houdt in dat, ongeacht de verleende vergunning, de exploitant van een inrichting steeds de nodige maatregelen moet treffen om schade, hinder en zware ongevallen te voorkomen en, om bij ongeval, de gevolgen ervan voor de mens en het leefmilieu zo beperkt mogelijk te houden. Die bepaling is voor al degenen op wie de wet toepasselijk kan zijn, voldoende nauwkeurig om willekeurige vervolgingen en veroordelingen te vermijden. De omvang van voormelde zorgvuldigheidsplicht blijft niet beperkt tot het naleven van de algemene of de bijzondere voorwaarden van de vergunning noch moet zij vooraf bij ministerieel besluit worden gepreciseerd. Deze zorgvuldigheidsplicht is algemeen en omvat elke maatregel van voorzichtigheid of voorzorg.
- Gelet op het algemeen karakter van de in deze wetsbepaling vervatte zorgvuldigheidsplicht, kan de exploitant van een inrichting zich schuldig maken aan de overtreding ervan indien wordt vastgesteld dat de veroorzaakte hinder de hinder overtreft die een redelijk mens in dezelfde omstandigheden moet aanvaarden. Daaraan doet geen afbreuk het feit dat noch het openbaar ministerie noch de appelrechters vaststellen welke specifieke voorzorgsmaatregelen de exploitant van de inrichting dient te nemen om hinder te voorkomen.
- De appelrechters oordelen, op grond van de vaststellingen die zij vermelden (arrest p. 14), dat het vaststaat dat in de periode vermeld in de telastlegging D voor de verweerders, onmiddellijke overburen van de feestzaal, door de exploitatie ervan geluidshinder werd veroorzaakt die de hinder overtreft die een redelijk mens in dezelfde omstandigheden moet aanvaarden, ook al is de feestzaal gevestigd op een industrieterrein en zijn de enige in de buurt aanwezige woningen, opgericht vóór het gewestplan, zonevreemd. Zij verantwoorden zodoende hun beslissing omtrent het bewezen zijn van telastlegging D naar recht. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 22 Milieuvergunningsdecreet doordat niet wordt gespecifieerd welke voorzorgsmaatregelen eiseres diende te nemen, kan het niet worden aangenomen.
- Voor het overige geldt dat bij arrest nr. 36/2008 van 4 maart 2008 het Grondwettelijk Hof voor recht zegt: "De artikelen 22, tweede lid, en 39 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning schenden niet de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten." In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters door de toepassing van artikel 22 Milieuvergunningsdecreet ten aanzien van eiseres het legaliteitsbeginsel miskennen, faalt het naar recht. Derde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 149 Grondwet en 163, eerste lid, Wetboek van Strafvordering: de appelrechters hebben niet op gemotiveerde wijze de argumentatie van de eiseres omtrent het feit dat de polyvalente zaal geen dansgelegenheid bevat, beantwoord; zij zijn niet ingegaan op de voorzorgsmaatregelen van de eiseres om de eventuele geluidshinder te voorkomen noch op het argument dat het aan het openbaar ministerie en de verweerders toekwam om aan te tonen welke voorzorgsmaatregelen de eiseres had dienen te nemen; de appelrechters zijn niet ingegaan op het verweer betreffende de ongeldigheid van de geluidsmetingen en motiveren niet hoe zij tot een vermogensvoordeel verworven uit de telastlegging B van 10.000 euro komen; de appelrechters gaan niet in op de argumenten van de eiseres omtrent de burgerlijke rechtsvorderingen.
- Door op grond van de vaststellingen die het bevat (arrest p. 11 en 12), te oordelen dat de door de eiseres uitgebate inrichting onder rubriek 32.1 van de bijlage 1 van Vlarem I valt en telastlegging B bewezen te verklaren, stellen de appelrechters vast dat eiseres een inrichting exploiteert die een dansgelegenheid omvat. Aldus beantwoorden de appelrechters het verweer van de eiseres. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.
- Verder stellen de appelrechters vast dat de eiseres, met uitzondering van het aanbrengen van een sas bij de ingang waarvan niet gemeld wordt wanneer zulks gebeurde, naliet toereikende geluidsisolerende en geluidswerende saneringswerken te laten uitvoeren aan het gebouw. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters niet zijn ingegaan op de voorzorgsmaatregelen van de eiseres om de eventuele geluidshinder te voorkomen, berust het op een onvolledige lezing van het bestreden arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Anders dan de eiseres aanvoert, baseren de appelrechters zich niet op de geluidsmetingen van 12 december 2004 om de gegrondheid van de vordering van de verweerders aan te tonen. Zij oordelen dat de verweerders aantonen dat zij als gevolg van de geregeld terugkerende geluidshinder en het nachtlawaai door de uitbating van de feestzaal in de periode waarop de bewezen telastleggingen betrekking hebben, last hadden van slaapstoornissen en sommige onder hen zelfs van medisch-psychische stoornissen en dat hun levenskwaliteit, woongenot en nachtrust hierdoor ernstig werd verstoord, waardoor zij morele schade hebben geleden. Het middel berust in zoverre op een onvolledige lezing van het bestreden arrest en mist dus feitelijke grondslag.
- Anders dan de eiseres voorhoudt verduidelijken de appelrechters wel hoe zij tot een vermogensvoordeel verworven uit de telastlegging B van 10.000 euro komen. Zij oordelen immers dat bij gebrek aan gegevens omtrent het juiste aantal verhuringen in de ten laste gelegde periode, rekening gehouden wordt met het gegeven dat de minimale verhuurprijs van 250 euro deels een vergoeding voor de kosten van onderhoud, verwarming en elektriciteit omvat en een exploitatie van het pand als polyvalente zalen, waarvoor vanaf maart 2003 een melding was gedaan, ook in een zekere opbrengst had geresulteerd, zodat het vermogensvoordeel verworven uit de tenlastelegging B moet worden begroot op 10.000 euro. Het middel dat uitgaat van een onvolledige lezing van het bestreden arrest, mist in zoverre dus grondslag.
- In zoverre het middel ten slotte aanvoert dat de appelrechters niet zijn ingegaan op de argumenten van de eiseres omtrent de burgerlijke rechtsvorderingen, specifieert de eiseres niet op welke argumenten de appelrechters niet zijn ingegaan. Het middel is in zoverre bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 1382 Burgerlijk Wetboek en 870 Gerechtelijk Wetboek: de appelrechters hadden moeten oordelen dat de verweerders hun schade niet bewijzen omdat de attesten die zij ter staving van hun schade hebben voorgelegd, dateren van na de datum van de dagvaarding en buiten de periode waarop de tenlasteleggingen betrekking hebben, en andere bewijzen niet voorliggen; de appelrechters houden geen rekening met de subjectieve gevoeligheid in hoofde van de verweerders voor geluidshinder en er werden nooit correcte geluidsmetingen verricht zodat er objectief gesproken geen sprake is van bewezen geluidshinder.
- In zoverre het middel aanvoert dat, anders dan de appelrechters oordelen, het bewijs van de schade van de verweerders niet voorligt, komt het op tegen de onaantastbare feitelijke beoordeling van de appelrechters met betrekking tot het bestaan van de schade in hoofde van de verweerders. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
- Vervolgens oordelen de appelrechters dat de verweerders aantonen dat zij als gevolg van de geregeld terugkerende geluidshinder en het nachtlawaai door de uitbating van de feestzaal in de periode waarop de bewezen telastleggingen betrekking hebben, last hadden van slaapstoornissen en sommige onder hen zelfs van medisch-psychische stoornissen en dat hun levenskwaliteit, woongenot en nachtrust hierdoor ernstig werd verstoord, waardoor zij morele schade hebben geleden. Aansluitend stellen zij dat wanneer de verweerders ook attesten voorleggen van ondervonden hinder na de periode waarop de bewezen telastleggingen betrekking hebben, dient opgemerkt dat zij geen vergoeding kunnen toekennen voor schade die zou zijn geleden na de periode waarop de bewezen tenlasteleggingen betrekking hebben, dit bij afwezigheid van bewezen verband met de ten laste gelegde misdrijven. Anders dan de eiseres voorhoudt: - steunen de appelrechters niet op de kwestieuze attesten van de burgerlijke partijen maar oordelen ze dat er andere gegevens zijn om te besluiten dat de burgerlijke partijen het bestaan van schade bewijzen; - houden zij wel rekening met de subjectieve gevoeligheid in hoofde van de verweerders; - oordelen zij dat de schade is bewezen op grond van andere gegevens dan de geluidsmeting van 12 december
- Het middel dat in zoverre berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, mist feitelijke grondslag. Vijfde middel
- Het middel voert schending aan van het KB van 24 februari 1977 houdende vaststelling van geluidsnormen voor muziek in openbare en private inrichtingen: de appelrechters baseren zich voor de beoordeling van de gegrondheid van de vordering van de verweerders onder meer op de resultaten van de geluidsmetingen gedaan op 12 december 2004 terwijl deze geluidsmetingen niet conform het KB van 24 februari 2007 zijn.
- Anders dan het middel aanvoert baseren de appelrechters zich niet op de geluidsmetingen van 12 december 2004 bij de beoordeling van de burgerlijke rechtsvorderingen. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten Begroot de kosten op 104,15 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère en Geert Jocqué, en op de openbare rechtszitting van 15 september 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090915.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030204.4 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080617.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div