← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090915.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

§ 3

Wet Europees Aanhoudingsbevel, alleen mogelijk is wanneer de toelaatbaarheid van de strafvordering in de uitvaardigende Staat afhankelijk is van de aanwezigheid van de over te leveren persoon. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL UTU-thesaurus: STRAFRECHT - AANHOUDINGSBEVEL - EUROPEES Vrije woorden: Aanhouding en overlevering met het oog op de instelling van strafvervolging Fiche 2 Uit de bepalingen betreffende het Europees aanhoudingsbevel blijkt niet dat een reeds ingestelde strafvervolging het uitvaardigen van een Europees aanhoudingsbevel zou belemmeren; de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel met het oog op de overlevering van een gezochte persoon vereist dat vooraf tegen hem een strafvervolging is ingesteld. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL UTU-thesaurus: STRAFRECHT - AANHOUDINGSBEVEL - EUROPEES Vrije woorden: Reeds ingestelde strafvervolging - Toepassing Fiches 3 - 4 Wanneer prima facie het Europees aanhoudingsbevel door een bevoegde rechterlijke autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie is uitgevaardigd, blijft het onderzoek naar de tenuitvoerlegging ervan beperkt tot de voorwaarden bepaald in de artikelen 4 tot 8 Wet Europees Aanhoudingsbevel, zonder dat artikel 2, § 2 en § 3 Wet Europees Aanhoudingsbevel noch andere wets- en verdragsbepalingen daarenboven een verder onderzoek naar de wettelijke bevoegdheid van de uitvaardigende autoriteit vereisen. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL UTU-thesaurus: STRAFRECHT - AANHOUDINGSBEVEL - EUROPEES Vrije woorden: Bevoegde uitvaardigende rechterlijke autoriteit - Beoordeling Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - AANHOUDINGSBEVEL - EUROPEES Vrije woorden: Tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel - Bevoegde uitvaardigende rechterlijke autoriteit - Beoordeling Tekst van de beslissing Nr. P.09.1363.N M E, gedetineerd op grond van een Europees aanhoudingsbevel, eiser, met als raadsman mr. Walter Van Steenbrugge, advocaat bij de balie te Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 27 augustus 2009. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 2, §

§ 3

, Wet Europees Aanhoudingsbevel: overeenkomstig de bewoordingen van de wet beoogt het Europees aanhoudingsbevel het ‘instellen' van de strafvervolging, dit is wanneer de aanwezigheid van de betrokkene vereist is om de strafvervolging in de uitvaardigende Staat toe te laten; daar in Duitsland de strafvervolging kan worden ingesteld ten laste van een afwezige beklaagde en het Duitse recht eveneens voorziet in de mogelijkheid om zich te laten vertegenwoordigen, beslist het bestreden arrest ten onrechte tot de uitvoerbaarverklaring van het Europees aanhoudingsbevel.

  1. De Wet Europees Aanhoudingbevel beoogt de omzetting van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, en moet bijgevolg overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit worden uitgelegd.
  2. Artikel 1.1 van dit kaderbesluit bepaalt: "Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel."
  3. Uit die bepaling blijkt geenszins dat de overlevering "met het oog op de instelling van strafvervolging" zoals bepaald in artikel 2, §

§ 3

Wet Europees Aanhoudingsbevel, alleen mogelijk is wanneer de toelaatbaarheid van de strafvordering in de uitvaardigende Staat afhankelijk is van de aanwezigheid van de over te leveren persoon. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel 5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 2, §

§ 3

Wet Europees Aanhoudingsbevel: overeenkomstig de bewoordingen van de wet beoogt het Europees aanhoudingsbevel het ‘instellen' van de strafvervolging; een strafvervolging is ingesteld van zodra een rechter is geadieerd; te dezen was de strafvervolging ten laste van de eiser reeds ingesteld op het ogenblik waarop de Duitse autoriteiten het Europees aanhoudingsbevel hebben uitgevaardigd; bijgevolg was het Europees aanhoudingsbevel met het oog op de instelling van een reeds ingestelde strafvervolging zonder voorwerp; de appelrechters verklaren dit bevel ten onrechte uitvoerbaar.

  1. Uit artikel 1.1 van het voormelde kaderbesluit van 13 juni 2002 blijkt niet dat een reeds ingestelde strafvervolging het uitvaardigen van een Europees aanhoudingsbevel zou belemmeren. De uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel met het oog op de overlevering van een gezochte persoon vereist dat vooraf tegen hem een strafvervolging is ingesteld. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede middel in zijn geheel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 2, §

§ 3

Wet Europees Aanhoudingsbevel, de artikelen 12 en 149 Grondwet en de artikelen 5 en 6 EVRM: een Europees aanhoudingsbevel betreft een gerechtelijke beslissing die genomen wordt door de bevoegde uitvaardigende rechterlijke autoriteit, met het oog op de aanhouding en de overlevering van een persoon gezocht met oog op de instelling van strafvervolging of de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of veiligheidsmaatregel, zodat, eerste onderdeel, een Europees aanhoudingsbevel slechts uitvoerbaar kan worden verklaard indien het werd uitgevaardigd door een lid van de rechterlijke macht en dus niet door de vervolgende instantie en, tweede onderdeel, een Europees aanhoudingsbevel slechts door het onderzoeksgerecht uitvoerbaar kan worden verklaard na controle of degene die het Europees aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd, daartoe wel bevoegd is conform de interne wetgeving.

  1. Het voormelde kaderbesluit van 13 juni 2002, zoals omgezet door de Wet Europees Aanhoudingsbevel, berust op een stelsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen die overeenkomstig de wetgeving van de uitvaardigende Staat werden genomen. De rechterlijke organisatie van de uitvoerende lidstaat is niet bepalend voor het uitvaardigen van het Europees aanhoudingsbevel, waarvan de regelmatigheid alleen door de rechterlijke autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat kan worden onderzocht.
  2. Het stelsel van overlevering berust aldus op een ruim onderling vertrouwen in de verschillende wetgevingen van de lidstaten en van hun toepassing, in zoverre daarbij de fundamentele grondrechten worden geëerbiedigd.
  3. Wanneer prima facie het Europees aanhoudingsbevel door een bevoegde rechterlijke autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie is uitgevaardigd, blijft het onderzoek naar de tenuitvoerlegging ervan beperkt tot de voorwaarden bepaald in de artikelen 4 tot 8 Wet Europees Aanhoudingsbevel, zonder dat artikel 2, § 2 en § 3 Wet Europees Aanhoudingsbevel noch de overige wets- en verdragsbepalingen die het middel aanhaalt, daarenboven een verder onderzoek naar de wettelijke bevoegdheid van de uitvaardigende autoriteit vereisen. Het middel faalt in zijn beide onderdelen naar recht. Ambtshalve onderzoek van de beslissing
  4. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 72,80 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère en Geert Jocqué, en op de openbare rechtszitting van 15 september 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090915.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.