← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090921.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 14

, § 3, eerste en tweede lid Thesaurus CAS: INDEPLAATSSTELLING UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Tenietgaan verbintenis - Betaling - Betaling met indeplaatsstelling Vrije woorden: Arbeidsongeval Overheidspersoneel - Medeaansprakelijkheid van het getroffen personeelslid - Vordering van de tewerkstellende overheid Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt.

Art. 14

, § 3, eerste en tweede lid Thesaurus CAS: VERBINTENIS UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Causaal verband Vrije woorden: Verbintenis uit onrechtmatige daad - Causaal verband - Fout van de werknemer Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt.

Art. 14, § 3, eerste en tweede lid Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - OVERHEIDSPERSONEEL.

BIJZONDERE REGELS UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - BESTUURSRECHT - Openbare dienst Vrije woorden: Medeaansprakelijkheid van het getroffen personeelslid - Vordering van de tewerkstellende overheid Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt.

Art. 14, § 3, eerste en tweede lid Annotaties Publicaties: Nj

W - BOONE Ingrid - 2009/213 p. 902-905 VAV - MUYLDERMANS Johan - 2010/2 - p. 148-153 Tekst van de beslissing Nr. C.08.0245.N 1. GEMEENTELIJK AUTONOOM HAVENBEDRIJF ANTWERPEN, autonoom gemeentebedrijf met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 2000 Antwerpen, Havennhuis, Entrepotkaai 1, 2. ETHIAS GEMEEN RECHT, onderlinge verzekeringsvereniging, met zetel te 4000 Luik, rue des Croisiers 24, eisers, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen D.G., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 2 maart 2007 in hoger beroep gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 29 juni 2009 verwezen naar de derde kamer. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift twee middelen aan. 1. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 14, §3, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector (waarvan het opschrift vóór wijziging bij wet van 19 oktober 1998 als volgt luidde: "wet betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector"), zoals van kracht vóór en na wijziging bij wetten van 19 oktober 1998 en 20 december 1995. Aangevochten beslissing In het bestreden vonnis van 2 maart 2007 verklaart de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout de vordering van de eerste eiser opzichtens de verweerder deels gegrond en veroordeelt de verweerder tot betaling aan de eerste eiser van de som van 8292,12 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de intrestvoet van 5 pct. vanaf een gemiddelde datum 18 november 1994 tot de dag van het vonnis, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet van de dag van het vonnis tot de dag der algehele betaling. De rechtbank van eerste aanleg, die in het tussenvonnis van 13 oktober 2006 reeds had beslist dat de verweerder en de heer R. elk voor de helft aansprakelijk zijn voor het litigieuze verkeersongeval van 6 september 1994 (aangevochten vonnis, p. 3, derde streepje), stoelt deze beslissing op volgende motieven : "(De eerste eiser) is in de rechten getreden van haar rechtsvoorgangster, de stad Antwerpen, werkgever van (de heer) R. , en vordert een vergoeding van 16.584,23 euro, bestaande uit het doorbetaald loon, inclusief patronale bijdragen, een vergoeding voor nacht- en/of zondagprestaties en kledijvergoeding, betaald aan haar werknemer R. in de periode van tijdelijke volledige werkonbekwaamheid van 6 september 1994 tot 31 januari 1995. Deze vordering werd door (de eerste eiser) gesteund op de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en beoogt de vergoeding voor de schade die hij heeft geleden uit de derving van de arbeidsprestaties van de werknemer in kwestie ingevolge de fout van een derde, met name (de verweerder). Het wordt niet betwist dat R. gedurende voornoemde periode van tijdelijke volledige werkonbekwaamheid van 6 september 1994 tot 31 januari 1995 geen arbeidsprestaties heeft verricht. Niettemin betaalde de werkgever, evenmin betwist door (de verweerder), de wedde aan zijn werknemer uit. De schade die (de eerste eiser) aanvoert bestaat niet uit de uitbetaling van de wedde op grond van een wettelijke, reglementaire of conventionele bepaling op zich, doch wel uit de derving van de tegenprestatie van de werknemer die werd doorbetaald, waardoor het oorzakelijk verband met de fout van (de verweerder) niet doorbroken is. (De eerste eiser) heeft zodoende wel degelijk schade geleden ingevolge de fout van (de verweerder) die los staat van de uitvoering van wettelijke, reglementaire of conventionele verplichting. Artikel 14, §3, tweede en derde lid, van de wet betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector van 3 juli 1967, stelt overigens dat de rechtspersonen of instellingen (vernoemd in artikel 1 van de wet) die de last van de bezoldiging dragen, van rechtswege in alle rechten, vorderingen en rechtsmiddelen (treden) die het slachtoffer overeenkomstig §1 mocht kunnen doen gelden tegen de persoon die verantwoordelijk is voor het arbeidsongeval of de beroepsziekte tot het bedrag van de bezoldiging uitgekeerd gedurende de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Hieruit volgt dat de betaling door (de eerste eiser), inclusief patronale bijdragen en andere vergoedingen deel uitmakende van de wedde, niet finaal voor rekening van (de eerste eiser) diende te blijven. De schade wordt naar billijkheid begroot ten bedrage van alle uitgaven die (de eerste eiser) heeft verricht zonder arbeidsprestaties te ontvangen, met name de tijdens de periode van tijdelijke volledige werkonbekwaamheid door (de eerste eiser) uitgekeerde brutovergoedingen, inclusief de patronale bijdragen en de overig(

  1. e)gevorderde vergoedingen. De werkgever kan evenwel maar verhaal nemen op de derde aansprakelijke op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek tot beloop van het bedrag overeenstemmend met het aandeel van (
  2. de)derde in de totale schade (...). Gelet op de gedeelde aansprakelijkheid bij helften, is de vordering van (de eerste eiser) ten belope van de helft gegrond, derhalve 16.584,23 euro: 2 = 8.292,12 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan een intrestvoet van 5 pct. vanaf een gemiddelde datum 18.11.1994" (vonnis, pp. 9-10, nr. 4.1.2). Grieven 1. Overeenkomstig de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, verplichten elke daad, nalatigheid of voorzichtigheid van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden. Indien een ongeval wordt veroorzaakt door de samenlopende fouten van twee personen, kan de derde schadelijder die zelf geen fout heeft begaan, op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek vanwege elk van de aansprakelijken aanspraak maken op volledige vergoeding van zijn schade. De overheid die ingevolge de fout van een derde krachtens de op haar rustende contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting de wedde en de op die wedde rustende bijdragen moet doorbetalen zonder arbeidsprestaties te ontvangen, is gerechtigd op schadevergoeding voor zover zij hierdoor schade lijdt. Het bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting sluit niet uit dat schade in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek ontstaat, tenzij blijkens de inhoud of de strekking van de overeenkomst, de wet of het reglement, de te verrichten uitgave of prestatie definitief voor rekening moet blijven van diegene die zich ertoe verbonden heeft of deze ingevolge de wet of het reglement moet verrichten. 2. De rechtbank van eerste aanleg te Turnhout stelt in het bestreden vonnis vast dat - de eerste eiser op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek aanspraak maakt op vergoeding voor de schade die hij geleden heeft uit de derving van arbeidsprestaties van zijn werknemer tengevolge van een fout van verweerder, - uit artikel 14, §3, van de wet van 3 juli 1967 volgt dat de betaling door de eerste eiser van de wedde van zijn werknemer, inclusief patronale bijdragen en andere vergoedingen deel uitmakende van de wedde, niet finaal voor rekening van de eerste eiser moet blijven, - de door eerste eiser geleden schade aldus bestaat in de tijdens de periode van tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid uitgekeerde brutovergoedingen, inclusief patronale bijdragen en de overige gevorderde vergoedingen. Niettemin veroordeelt de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout de verweerder slechts tot betaling van de helft van het door de eerste eiser gevorderde bedrag om reden dat de aansprakelijkheid bij helften werd verdeeld tussen de verweerder en de heer R. . Nu de rechtbank, enerzijds, geen fout in hoofde van eerste eiser weerhoudt en evenmin beslist dat de eerste eiser burgerrechtelijk aansprakelijk is voor de door haar werknemer R. begane fout en, anderzijds, vaststelt dat uit de toepasselijke wettelijke bepaling - artikel 14, §3, van de wet van 3 juli 1967 - volgt dat de betaling van de wedde door de eerste eiser, inclusief patronale bijdragen en overige vergoedingen, niet finaal voor zijn rekening moet blijven, is de beslissing waarbij de verweerder, derde aansprakelijke, slechts ver¬oordeeld wordt tot betaling van de helft van de door de eerste eiser, ingevolge doorbetaling van de wedde van de heer R. , geleden schade, niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, van artikel 14, §3, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector (waarvan het opschrift vóór wijziging bij wet van 19 oktober 1998 als volgt luidde: "wet betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector"), zoals van kracht vóór en na wijziging bij wetten van 19 oktober 1998 en 20 december 1995). 2. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 14 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector (waarvan het opschrift vóór wijziging bij wet van 19 oktober 1998 als volgt luidde: "wet betreffende de schade-vergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector"), zoals van kracht vóór en na wijziging bij wetten van 19 oktober 1998 en 20 december 1995, en vóór wijziging bij wet van 17 mei 2007; - de artikelen 46, zoals van kracht vóór en na wijziging bij wetten van 20 mei 1998, 25 januari 1999, 24 december 1999, 10 augustus 2001 en 27 december 2004, en 47, zoals van kracht vóór en na wijziging bij wetten van 12 augustus 2000 en 10 augustus 2001, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971. Aangevochten beslissing In het bestreden vonnis van 2 maart 2007 verklaart de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout de vordering van de tweede eiseres opzichtens de verweerder deels gegrond en veroordeelt de verweerder tot betaling aan de tweede eiseres van 2991,89 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan een intrestvoet van 5 pct. vanaf 12 maart 1995 op 1741,89 euro tot de dag van het vonnis en vanaf 6 september 1995 op 1250 euro tot de dag van het vonnis, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de dag van het vonnis tot de dag der algehele betaling. De rechtbank van eerste aanleg, die in het tussenvonnis van 13 oktober 2006 reeds had beslist dat de verweerder en de heer R. elk voor de helft aansprakelijk zijn voor het litigieuze verkeersongeval van 6 september 1994 (aangevochten vonnis, p. 3, derde streepje), stoelt deze beslissing op volgende motieven: "(De tweede eiseres) vordert in haar hoedanigheid van arbeidsongevallenverzekeraar vergoedingen voor de volgende schade: - medische kosten: Een bedrag van 140.515 BEF wordt gevorderd, en blijkt uit de voorgelegde stukken, doch wordt door (de tweede eiseres) foutief omgezet in 16.584,23 euro. (De verweerder) betwist de vordering van (de tweede eiseres) niet, zodat, na juiste omrekening in euro, een bedrag van 3.483,78 : 2 (gelet op de gedeelde aansprakelijkheid bij helften) = 1.741,89 euro wordt toegekend, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan 5 pct. vanaf een gemiddelde datum van betalingen, 12.03.1995 (met name tussen 20 oktober 1994 en 3 augustus 1995). - vergoeding blijvende ongeschiktheid: (De tweede eiseres) vordert terzake een bedrag van 2.500,00 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf datum consolidatie, 6 september 1995. (De verweerder) betwist de vordering enkel voor wat de gevorderde intrestvoet betreft, waaromtrent de rechtbank hoger reeds oordeelde dat een intrestvoet van 5 pct. dient te worden gehanteerd. De vordering is zodoende in hoofdsom gegrond voor 2.500,00 euro: 2 (gelet op de gedeelde aansprakelijkheid bij helften) = 1.250,00 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan een intrestvoet van 5 pct. vanaf datum consolidatie, 6 september 1995" (vonnis, pp. 10-11, nr. 4.1.3). Grieven 1.1 Artikel 14, §1, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector (waarvan het opschrift vóór wijziging bij wet van 19 oktober 1998 als volgt luidde: "wet betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector"), bepaalt de gevallen waarin de rechtsvordering inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid, ongeacht de uit deze wet voortvloeiende rechten, mogelijk blijft voor het slachtoffer of zijn rechthebbenden. Artikel 14, §2, van deze wet voorziet dat, onverminderd de bepalingen van §1, de in artikel 1 bedoelde personen en instellingen verplicht zijn de vergoedingen en renten die voortvloeien uit deze wet te betalen en dat de volgens het gemeen recht toegekende schadevergoeding evenwel niet kan worden samengevoegd met de krachtens deze wet toegekende vergoedingen. Uit artikel 14, §3, van de wet van 3 juli 1967, zoals van kracht vóór en na wijziging bij wetten van 19 oktober 1998 en 20 december 1995, volgt dat toepassing van het bepaalde in deze wet van rechtswege meebrengt dat de rechtspersonen of instellingen die de last van de rente dragen, in alle rechten, vorderingen en rechtsmiddelen treden welke het slachtoffer of zijn rechthebbenden overeenkomstig §1 mochten kunnen doen gelden tegen de persoon die verantwoordelijk is voor het arbeidsongeval en zulks tot het bedrag van de renten en de vergoedingen door deze bepaald en van het bedrag gelijk aan het kapitaal dat die renten vertegenwoordigt. Bovendien treden de rechtspersonen of instellingen die de last van de bezoldiging dragen van rechtswege in alle rechten, vorderingen en rechtsmiddelen die het slachtoffer overeenkomstig §1 mocht kunnen doen gelden tegen de persoon die verantwoordelijk is voor het arbeidsongeval tot het bedrag van de bezoldiging uitgekeerd gedurende de periode van tijdelijke ongeschiktheid. 1.2 Eenzelfde regeling geldt inzake arbeidsongevallen in de private sector. Artikel 46, §1, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bepaalt de gevallen waarin, ongeacht de uit deze wet voortvloeiende rechten, de rechtsvordering inzake burgerlijke aansprakelijkheid mogelijk blijft voor de getroffene of zijn rechthebbenden. Artikel 46, §2, van deze wet voorziet dat, onverminderd de bepalingen van §1, de verzekerings-onderneming verplicht is de vergoedingen, die voortvloeien uit deze wet te betalen binnen de bij de artikelen 41 en 42 gestelde termijn en dat de volgens het gemeen recht toegekende vergoeding, die geen betrekking kan hebben op de vergoeding van de lichamelijke schade zoals zij gedekt is door deze wet, mag worden samengevoegd met de krachtens deze wet toegekende vergoedingen. Artikel 47 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, zoals van kracht vóór en na wijziging bij wetten van 10 augustus 2001 en 12 augustus 2000, voorziet dat de arbeidsongevallenverzekeraar een rechtsvordering kan instellen tegen de voor het arbeidsongeval aansprakelijke tot beloop van de overeenkomstig artikel 46, §2, eerste lid, van deze wet gedane uitkeringen en de ermee overeenstemmende kapitalen. De verzekeraar kan die burgerlijke vordering instellen op dezelfde wijze als het slachtoffer of zijn rechthebbenden en wordt gesubrogeerd in de rechten die de getroffene of zijn rechthebbenden bij niet-vergoeding overeenkomstig artikel 46, §2, eerste lid, krachtens het gemeen recht, hadden kunnen uitoefenen. 2. De artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek verplichten diegene die door zijn schuld aan een ander schade berokkent, die schade integraal te vergoeden, wat impliceert dat de schadelijder teruggeplaatst wordt in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien de onrechtmatige daad niet was begaan. Wanneer de schade veroorzaakt werd door de samenlopende fouten van een derde en van het slachtoffer zelf, en zij elk voor de helft voor de schade aansprakelijk zijn, zal de derde aansprakelijke de helft van de schade aan het slachtoffer dienen te vergoeden. 3. De vordering die de arbeidsongevallenverzekeraar ingevolge artikel 14 van de wet van 3 juli 1967, of de artikelen 46 en 47 van de wet van 10 april 1971, kan instellen tegen de derde die voor een arbeidsongeval aansprakelijk is, berust op een indeplaatsstelling waardoor de schuldvordering zelf van de getroffene of van diens rechthebbenden uit hun vermogen overgaat naar de verzekeraar tot beloop van de door deze betaalde vergoedingen en van het kapitaal dat de door hem verschuldigde waarde van de jaarlijkse vergoedingen of renten vertegenwoordigt. Uit, enerzijds, de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en, anderzijds, artikel 14 van de wet van 3 juli 1967 of de artikelen 46 en 47 van de wet van 10 april 1971, volgt dat, wanneer een deel van de door een arbeidsongeval ontstane schade door de schuld van een aansprakelijke derde is veroorzaakt, de arbeidsongevallenverzekeraar die aan de getroffene of zijn rechthebbenden de wettelijke vergoedingen heeft betaald, en aldus de door de derde berokkende schade geheel of gedeeltelijk heeft vergoed, tot beloop van het betaalde in de plaats is gesteld van de getroffene of zijn rechthebbenden wat betreft hun recht op integrale vergoeding van de schade die hun door de derde is toegebracht, voor zover daarbij het bedrag van de schadeloosstelling die hun krachtens het gemene recht toekomt, niet wordt overschreden. Die subrogatie is niet beperkt tot de fractie van de betaalde wettelijke vergoedingen die gelijk is aan de fractie van de aansprakelijkheid die ten laste van de derde komt. Het beperken van het subrogatierecht van de arbeidsongevallenverzekeraar tot die fractie, zou hetzij de getroffene of zijn rechthebbenden, in strijd met het in artikel 14 van de wet van 3 juli 1967, of artikel 46 van de wet van 10 april 1971 bepaalde, de mogelijkheid kunnen bieden om wettelijke en gemeenrechtelijke vergoedingen voor dezelfde schade te cumuleren, hetzij de aansprakelijke derde de mogelijkheid bieden om zich een onwettig voordeel te verschaffen doordat hij de schade die hij heeft veroorzaakt, niet integraal vergoedt. Het bestreden vonnis schendt derhalve de in de aanhef van het middel aangehaalde wetsbepalingen door de subrogatoire vordering van de tweede eiseres tegen de verweerder te beperken tot de helft van de door de tweede eiseres aan de getroffene betaalde wettelijke vergoedingen, op de enkele grond dat de verweerder slechts voor de helft aansprakelijk is voor de ontstane schade. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Krachtens de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, is degene die door zijn schuld aan een ander schade berokkent, verplicht deze schade integraal te vergoeden, wat impliceert dat de benadeelde teruggeplaatst wordt in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien de daad waarover hij zich beklaagt, niet was gesteld. 2. De overheid die ingevolge de fout van een derde, krachtens de op haar rustende wettelijke of reglementaire verplichtingen, de wedde en de op die wedde rustende bijdragen moet doorbetalen zonder arbeidsprestaties te ontvangen, is gerechtigd op schadevergoeding voor zover zij hierdoor schade lijdt. 3. Het bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting sluit niet uit dat schade, in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek ontstaat, tenzij wanneer, blijkens de inhoud of de strekking van de overeenkomst, de wet of het reglement, de te verrichten uitgave of prestatie definitief voor rekening moet blijven van diegene die zich ertoe heeft verbonden of die ze ingevolge de wet of het reglement moet verrichten. 4. Het vonnis oordeelt dat: - de schade van de eiser niet bestaat in de uitbetaling van de wedde op grond van een wettelijke, reglementaire of conventionele bepaling op zich, maar uit de derving van de tegenprestatie van het personeelslid aan wie de wedde werd doorbetaald, zodat het oorzakelijk verband met de fout van de verweerder niet werd doorbroken; - deze schade naar billijkheid wordt begroot op het bedrag van alle uitgaven die de eiser heeft verricht zonder arbeidsprestaties te ontvangen, namelijk de tijdens de periode van tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid door de eiser uitgekeerde brutovergoedingen, inclusief de patronale bijdragen en de overige gevorderde vergoedingen. Het oordeelt tevens dat uit de subrogatie bepaald in artikel 14, §3, tweede en derde lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, blijkt dat de betaling door de eiser van de wedde, inclusief patronale bijdragen en andere vergoedingen deel uitmakende van de wedde, in beginsel niet finaal voor rekening van de eiser moet blijven. 5. Uit de voormelde wettelijke subrogatie in de rechten van het slachtoffer blijkt evenwel ook dat, in de mate dat de arbeidsongeschiktheid van het getroffen personeelslid te wijten is aan zijn eigen schuld, de financiële last van de doorbetaling van de wedde voor rekening van de tewerkstellende overheid moet blijven. De arbeidsongeschiktheid die te wijten is aan de schuld van het getroffen personeelslid zelf, is een risico dat de wetgever definitief ten laste van de werkgever heeft willen leggen. Wanneer de arbeidsongeschiktheid van het personeelslid veroorzaakt is door de samenlopende fouten van het personeelslid zelf en van een derde, kan de tewerkstellende overheid derhalve slechts aanspraak maken op vergoeding van de schade die hij daardoor lijdt tot beloop van het aandeel van de derde aansprakelijke in de schade. 6. De beslissing van het bestreden vonnis waarbij de verweerder, derde aansprakelijke, veroordeeld wordt tot betaling van de helft van de door de eiser betaalde bedragen omdat de aansprakelijkheid voor het ongeval tussen de verweerder en het arbeidsongeschikte personeelslid R. tussen beiden dient te worden verdeeld, elk voor de helft, is bijgevolg naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel 7. De tweede eiser vorderde in zijn appelconclusie in ondergeschikte orde dat in geval van verdeling van de aansprakelijkheid, de gevorderde bedragen zouden worden herleid volgens de aansprakelijkheidsverdeling. Het middel is nieuw, mitsdien niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten begroot op de som van 507,42 euro jegens de eisende partijen en op de som van 104,36 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 21 september 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090921.1 Gerelateerde publicatie(
  3. s)geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2010:ARR.20101026.9 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110207.4 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110530.4 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121023.5 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130124.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.