← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090921.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090921.4 Rolnummer: S.08.0005.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-10-22 Raadplegingen: 539 - laatst gezien 2026-07-03 03:12 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit het geheel van de bepalingen van artikel 2, § 1, § 2, eerste lid, 1° en 2°, en tweede lid, van het koninklijk besluit van 23 december 1996; artikel 35, § 1, A, eerste en tweede lid en 35, § 3, eerste lid, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, en uit de aard van de regeling volgt dat de omstandigheid of het pensioen van de werknemer die als mijnwerker was tewerkgesteld en dit werk heeft stopgezet wegens het stilleggen van de opdelving, al dan niet berekend wordt volgens de bijzondere regels voor de mijnwerkers, bedoeld bij de artikelen 9 en 9bis van het koninklijk besluit nr. 50 en bij de artikelen 2 en 5 van het koninklijk besluit van 23 december 1996, onherroepelijk is vastgesteld uiterlijk 3 maanden nadat hij het voornoemde werk heeft stopgezet. Thesaurus CAS: PENSIOEN - WERKNEMERS UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Rustpensioen Vrije woorden: Rustpensioen voor mijnwerkers - Stopzetting van de activiteit wegens stillegging van de opdelving - Wijze van berekening - Datum van vaststelling Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 23-12-1996 - Artt. 2, §§ 1 en 2, eerste lid, 1° en 2°, en tweede lid Koninklijk Besluit - 21-12-1967 - Art. 35, § 1, A, eerste en tweede lid Koninklijk Besluit - 21-12-1967 - Art. 35, § 3, eerste lid Fiche 2 Om te bepalen of de werknemer die zijn tewerkstelling als mijnwerker heeft stopgezet ingevolge de sluiting van de Kempense steenkoolmijnen die in de periode van 1987 tot 1989 werd afgewikkeld, bij de stopzetting ten minste tien jaar gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling in de steenkoolmijnen bewijst zoals bedoeld bij artikel 35, § 1, A, tweede lid, 2°, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, kan er geen toepassing gemaakt worden van artikel 29, § 1, 3°, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, zoals gewijzigd bij artikel 50 van het koninklijk besluit van 10 juni 2001, ook al zou het pensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2005 ingaan. Of de bedoelde werknemer bij de stopzetting ten minste tien jaar gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling bewijst, moet integendeel worden bepaald met toepassing van artikel 29 van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen zoals van kracht vóór zijn wijziging bij artikel 50 van voormeld koninklijk besluit. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Werknemer - Rustpensioen Vrije woorden: Mijnwerker - Pensioen - Berekening van de gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling - Toepasselijke wettelijke bepaling Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 21-12-1967 - Artt. 29 en 35, § 1, A, tweede lid, 2° Tekst van de beslissing Nr. S.08.0005.N RIJKSDIENST VOOR PENSIOENEN, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Zuidertoren, Baraplein 3, eiser, vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 523, waar de eiser woonplaats kiest, tegen B.M. verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 11 oktober 2007 gewezen door het arbeidshof te Antwerpen. Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling

  1. Krachtens artikel 2, §1, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, gaat het rustpensioen in op de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens welke de belanghebbende het aanvraagt en ten vroegste op de eerste dag van de maand die volgt op deze waarin hij de pensioenleeftijd van 65 jaar bereikt. Artikel 2, §2, eerste lid, 1°, van dit koninklijk besluit bepaalt dat, in afwijking van §1, de pensioenleeftijd wordt vastgesteld op 55 of 60 jaar naargelang het een rustpensioen betreft om reden van een tewerkstelling respectievelijk als ondergronds of bovengronds mijnwerker. Artikel 2, §2, eerste lid, 2°, van dit koninklijk besluit bepaalt dat, in afwijking van §1, de pensioenleeftijd wordt bereikt wanneer de belanghebbende doet blijken van een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling als mijnwerker in de ondergrond of steengroeven met ondergrondse winning gedurende 25 jaren. Krachtens artikel 2, §2, tweede lid, van dit koninklijk besluit, gaat het rustpensioen in de in het eerste lid bepaalde gevallen in op de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens dewelke de belanghebbende het aanvraagt en ten vroegste op de eerste dag van de maand die volgt op deze waarin hij, naargelang het geval, één van de in het eerste lid vermelde leeftijden bereikt.
  2. Krachtens artikel 35, §1, A, eerste lid, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, hierna Algemeen Reglement Werknemerspensioenen genoemd, worden de perioden van onvrijwillige werkloosheid met arbeidsperioden gelijkgesteld voor de berekening van het pensioen overeenkomstig de bijzondere regels voor mijnwerkers, bedoeld bij de artikelen 9 en 9bis van het koninklijk besluit nr. 50 en bij de artikelen 2 en 3 van de wet van 20 juli 1990 en bij de artikelen 2 en 5 van het koninklijk besluit van 23 december 1996, op voorwaarde dat de mijnwerker de bij de reglemente¬ring inzake onvrijwillige werkloosheid bepaalde uitkeringen geniet. Artikel 35, §1, A, tweede lid, van het Algemeen Reglement Werknemers-pensioenen bepaalt dat de perioden van activiteit als werknemer worden geacht te beantwoorden aan de bepalingen van deze littera indien de mijnwerker opgehouden heeft aangesloten te zijn bij het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers wegens het stilleggen van de opdelving in de in artikel 3, eerste lid, 3°, bedoelde onderneming die hem tewerkstelde en voor zover: 1° hij het werk in voornoemde ondernemingen heeft stopgezet of zijn aansluiting bij het Nationaal Pensioenfonds heeft opgehouden na 1 juli 1957 indien het gaat om een in een steenkoolmijn tewerkgestelde mijnwerker (...); 2° hij bij de stopzetting ten minste tien jaar gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling in voornoemde ondernemingen bewijst; 3° de toestand bedoeld bij 1° aan de Rijksdienst voor pensioenen ter kennis gebracht werd binnen de drie maanden nadat hij zich voorgedaan heeft. Artikel 35, §3, eerste lid, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, zoals ingevoegd bij koninklijk besluit van 11 september 1989, bepaalt dat voor de berekening volgens de bijzondere regels bedoeld in §1, eerste lid, van het pensioen van de werknemer die onder toepassing valt van het koninklijk besluit van 20 juli 1989, waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 12 juli 1989, gesloten in de Nationale Gemengde Mijncommissie betreffende de begeleidingsmaatregelen voor de steenkolen-onderneming van het Kempische bekken, de periode gelegen tussen de datum waarop hij het werk in die onderneming heeft stopgezet en 31 december 1996 met arbeidsperioden in voornoemde onderneming wordt gelijkgesteld, voor zover bij de Rijksdienst voor pensioenen de werkgevers- en werknemersbijdragen worden betaald die verschuldigd zouden zijn indien hij als mijnwerker was blijven voort-werken. Uit het geheel van de voormelde bepalingen en de aard van de regeling volgt dat de omstandigheid of het pensioen van de werknemer die als mijnwerker was tewerkgesteld en dit werk heeft stopgezet wegens het stilleggen van de opdelving, al dan niet berekend wordt volgens de bijzondere regels voor de mijnwerkers, bedoeld bij de artikelen 9 en 9bis van het koninklijk besluit nr. 50 en bij de artikelen 2 en 5 van het koninklijk besluit van 23 december 1996, onherroepelijk is vastgesteld uiterlijk 3 maanden nadat hij het voornoemde werk heeft stopgezet.
  3. Krachtens artikel 29, eerste lid, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, zoals van toepassing op de pensioenen ingegaan vóór 1 januari 2005, wordt voor de toepassing van het koninklijk besluit nr. 50 als gewoonlijk en hoofdzakelijk aangezien, elke tewerkstelling in hoedanigheid van werknemer die zich normaal over 185 dagen van minstens 4 uur per kalenderjaar uitstrekt, of elke tewerkstelling in dezelfde hoedanigheid die minstens 1480 uur per kalenderjaar omvat. Artikel 3ter, eerste lid, 6°, van de Pensioenwet Werknemers, ingevoegd bij artikel 27 van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot het in overeenstemming brengen van de sociale zekerheid met het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2005 ingaan, bepaalt dat onder "gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling" wordt verstaan: de tewerkstelling als werknemer die per kalenderjaar overeenkomt met minstens één derde van de prestaties van de maatpersoon. De Koning bepaalt voor de toepassing van deze bepaling, wat hieronder moet worden verstaan: a) voor de jaren van tewerkstelling gelegen vóór 1992, b) voor de speciale categorieën van personen die onderworpen zijn aan de toepassing van dit besluit. Artikel 29, §1, 3°, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, zoals gewijzigd bij artikel 50 van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot het in overeenstemming brengen van sommige koninklijke besluiten inzake sociale zekerheid met het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2005 ingaan, bepaalt: "Met toepassing van artikel 3ter, eerste lid, 6°, van het koninklijk besluit nr. 50, wordt onder ‘gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling' verstaan: (...) voor de jaren gelegen tussen 31 december 1977 en 1 januari 1992, (...), de tewerkstelling als werknemer die zich over ten minste 104 dagen per kalenderjaar uitstrekt (...)".
  4. Krachtens artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, beschikt de wet alleen over het toekomende en heeft zij geen terugwerkende kracht. Een nieuwe wet is in de regel niet alleen van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.
  5. Uit wat voorafgaat volgt dat om te bepalen of de werknemer die zijn tewerkstelling als mijnwerker heeft stopgezet ingevolge de sluiting van de Kempense steenkoolmijnen die in de periode van 1987 tot 1989 werd afgewikkeld, bij de stopzetting ten minste tien jaar gewoonlijke en hoofdzakelijk tewerkstelling in de steenkoolmijnen bewijst zoals bedoeld bij artikel 35, §1, A, tweede lid, 2°, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, er geen toepassing kan worden gemaakt van artikel 29, §1, 3°, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, zoals gewijzigd bij artikel 50 van het voormelde koninklijk besluit van 10 juni 2001, ook al zou het pensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2005 ingaan. Of de bedoelde werknemer bij de stopzetting ten minste tien jaar gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling in de steenkoolmijnen bewijst, moet integendeel worden bepaald met toepassing van artikel 29 van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen zoals van kracht vóór zijn wijziging bij artikel 50 van het voormelde koninklijk besluit van 10 juni
  6. Het arrest stelt vast dat: - de verweerder in de mijn was tewerkgesteld van 1 augustus 1978 tot en met 21 juni 1987, datum waarop aan de arbeidsovereenkomst een einde kwam ingevolge de sluiting van de mijn, waarna hij tot 1993 gelijkgestelde dagen kan inroepen en van 1993 tot 2002 arbeidsprestaties leverde; - gelet op de op de individuele rekening genoteerde gegevens, de verweerder enkel het bewijs kan leveren van een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling als ondergronds mijnwerker gedurende 25 jaren indien hij aanspraak kan maken op de toepassing van artikel 35, §1, A, tweede lid, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen; - de verweerder enkel in de jaren 1979 tot en met 1986, dit zijn 8 jaren, ten minste 185 dagen tewerkstelling per kalenderjaar bewijst als ondergronds mijnwerker. Het arrest oordeelt dat de verweerder aan 10 jaar tewerkstelling als ondergronds mijnwerker komt zodat, rekening gehouden met de jaren die hij als arbeider heeft gewerkt en de gelijkgestelde jaren na zijn activiteit als mijnwerker, die mogen meegeteld worden, hij een beroepsloopbaan heeft van 25 jaar "mijnwerker" en aldus vanaf 1 januari 2005 aanspraak kan maken op een rustpensioen, op grond dat: - het recht op het rustpensioen werknemers dient vastgesteld te worden rekening houdend met de wettelijke en reglementaire bepalingen die gelden op de ingangsdatum van het rustpensioen, in dezen dus 1 januari 2005; - volgens artikel 29 van het Algemeen Reglement Werknemerspensioen, zoals gewijzigd bij artikel 50 van koninklijk besluit van 10 juni 2001 met inwerkingtreding op 1 januari 2005, een "gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling" slechts een tewerkstelling vereist die zich in de bedoelde jaren uitstrekt over ten minste 104 dagen per kalenderjaar; - uit het administratief dossier blijkt dat de verweerder voor de kalenderjaren 1978 tot en met 1987 telkens meer dan 104 dagen tewerkstelling aantoont. Door aldus met toepassing van artikel 29, §1, 3°, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, zoals gewijzigd bij artikel 50 van het voormelde koninklijk besluit van 10 juni 2001, te oordelen dat de verweerder bij de stopzetting van zijn tewerkstelling als mijnwerker ingevolge het stilleggen van de opdelving, ten minste tien jaar gewoonlijke en hoofdzakelijk tewerkstelling in de steenkoolmijnen bewijst, zoals bedoeld bij artikel 35, §1, A, tweede lid, 2°, van het Algemeen Reglement Werknemerspensioenen, schendt het arrest deze laatste wettelijke bepaling en verantwoordt het niet wettig zijn beslissing dat de verweerder vanaf 1 januari 2005 aanspraak kan maken op een rustpensioen. Het middel is gegrond. Kosten
  7. Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek dient de eiser te worden veroordeeld in de kosten. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiser in de kosten. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Brussel. De kosten zijn begroot op de som van 312,18 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 21 september 2009 uitgesproken door afdelings-voorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090921.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231204.3N.1 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241209.3F.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.