← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090922.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090922.4 Rolnummer: P.09.1303.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2009-10-16 Raadplegingen: 442 - laatst gezien 2026-07-03 00:59 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het staat de rechter op grond van de feitelijke gegevens die hij vaststelt, te oordelen of hij die, overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 20 januari 1936 tot vereenvoudiging van sommige vormen van de strafvordering ten opzichte van de gedetineerde, verzet doet door middel van een verklaring aan de bestuurder van de strafinrichting of aan zijn gemachtigde, in het bezit was van het nodige bedrag om de kosten van de akte van de deurwaarder te dekken

(1).
(1)Zie Cass., 3 maart 1982, A.C., 1981-82, nr 389; RW, 1983-84, 2918 met noot VANDEPLAS, A. Thesaurus CAS: VERZET UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Verzet (strafrecht) Vrije woorden: Strafzaken - Gedetineerde - Artikel 2, eerste lid, K.B. 20 januari 1936 - Verzet door verklaring aan de bestuurder van de strafinrichting - Voorwaarde - Niet in het bezit zijn van het nodige bedrag om de kosten van de akte van de deurwaarder te dekken - Beoordeling van het vervuld zijn van deze voorwaarde - Bevoegdheid van de rechter Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Verzet (strafrecht) Vrije woorden: Verzet - Strafzaken - Gedetineerde - Artikel 2, eerste lid, K.B. 20 januari 1936 - Verzet door verklaring aan de bestuurder van de strafinrichting - Voorwaarde - Niet in het bezit zijn van het nodige bedrag om de kosten van de akte van de deurwaarder te dekken - Beoordeling van het vervuld zijn van deze voorwaarde Fiche 3 De artikelen 664 en 665, Gerechtelijk Wetboek, die betrekking hebben op de rechtsbijstand, waarop zij die onvermogend zijn recht hebben, bevatten geen algemeen rechtsbeginsel houdende het recht op kosteloosheid van de akten van rechtspleging voor onvermogenden. Thesaurus CAS: RECHTSBIJSTAND UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Verzet (strafrecht) Vrije woorden: Artikelen 664 en 665, Gerechtelijk Wetboek Fiche 4 Artikel 2, eerste lid, koninklijk besluit van 20 januari 1936 tot vereenvoudiging van sommige vormen van de strafvordering ten opzichte van de gedetineerde, kent aan de gedetineerde veroordeelde het recht toe verzet te doen door een verklaring afgelegd aan de directeur van de strafinrichting wanneer hij niet in het bezit is van het vereiste bedrag om de kosten van de akte van gerechtsdeurwaarder te dekken; dit recht vereist niet dat hij die verzet doet, onvermogend is als bedoeld in de artikelen 508/13 en 664 en volgende Gerechtelijk Wetboek. Thesaurus CAS: VERZET UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Verzet (strafrecht) Vrije woorden: Strafzaken - Gedetineerde - Artikel 2, eerste lid, K.B. 20 januari 1936 - Verzet door verklaring aan de bestuurder van de strafinrichting - Voorwaarde - Artikelen 580/13 en 664, Gerechtelijk Wetboek - Niet beschikken over voldoende inkomsten - Toepasselijkheid Fiche 5 Het koninklijk besluit van 18 december 2003 tot vaststelling van de voorwaarden voor de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand is genomen ter uitvoering van de artikelen 508/13 en 676 Gerechtelijk Wetboek, welke betrekking hebben op de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand en is enkel van toepassing op zij die onvermogend zijn als bedoeld in die bepalingen; hieruit volgt dat die bepalingen geen verband houden met het recht bepaald in artikel 2, eerste lid, koninklijk besluit van 20 januari 1936 tot vereenvoudiging van sommige vormen van de strafvordering ten opzichte van de gedetineerde, voor de gedetineerde veroordeelde om verzet te doen door een verklaring afgelegd aan de directeur van de strafinrichting wanneer hij niet in het bezit is van het vereiste bedrag om de kosten van de akte van gerechtsdeurwaarder te dekken. Thesaurus CAS: RECHTSBIJSTAND UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Verzet (strafrecht) Vrije woorden: Juridische tweedelijnsbijstand en rechtsbijstand - K.B. 18 december 2003 - Volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de bijstand - Toepassingsgebied Fiche 6 Artikel 674bis, Gerechtelijk Wetboek, dat betrekking heeft op het recht van hij die onvermogend is om rechtsbijstand te krijgen teneinde afschrift van stukken van een dossier te verkrijgen, heeft geen uitstaan met het recht bepaald in artikel 2, eerste lid, koninklijk besluit van 20 januari 1936 tot vereenvoudiging van sommige vormen van de strafvordering ten opzichte van de gedetineerde, voor de gedetineerde veroordeelde om verzet te doen door een verklaring afgelegd aan de directeur van de strafinrichting wanneer hij niet in het bezit is van het vereiste bedrag om de kosten van de akte van gerechtsdeurwaarder te dekken. Thesaurus CAS: RECHTSBIJSTAND UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Verzet (strafrecht) Vrije woorden: Artikel 674bis, Gerechtelijk Wetboek - Rechtsbijstand met het oog op het verkrijgen van afschriften van stukken uit het dossier Tekst van de beslissing Nr. P.09.1303.N N. R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. France Blanmailland, advocaat bij de balie te Brussel, ter rechtszitting bijgestaan door mr. Luc Walleyn, advocaat bij de balie te Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 29 april
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van het koninklijk besluit van 26 (lees: 20) januari 1936 gelezen in samenhang met artikel 674bis Gerechtelijk Wetboek.
  3. Het middel preciseert niet welk artikel van het bedoelde besluit het arrest schendt. In zoverre het schending van het koninklijk besluit van 20 januari 1936 aanvoert, is het middel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert aan dat het onderzoek van de voorwaarden om in de gevangenis verzet aan te tekenen, behoort tot de bevoegdheid van de gevangenisdirecteur.
  5. Artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 20 januari 1936 tot vereenvoudiging van sommige vormen van de strafvordering ten opzichte van de gedetineerde, bepaalt: "Wanneer hij die verzet doet, zich in hechtenis bevindt en het vereiste bedrag niet in zijn bezit heeft om de kosten van de akte van de deurwaarder te dekken, kan het verzet tegen de veroordeling in strafzaken, uitgesproken door de hoven van beroep, de correctionele rechtbanken en de politierechtbanken, gedaan worden door middel van een verklaring aan de bestuurder van de strafinrichting of aan zijn gemachtigde."
  6. Het staat de rechter op grond van de feitelijke gegevens die hij vaststelt, te oordelen of hij die verzet doet door middel van een verklaring aan de bestuurder van de strafinrichting of aan zijn gemachtigde, in het bezit was van het nodige bedrag om de kosten van de akte van gerechtsdeurwaarder te dekken. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat enkel de directeur van de strafinrichting of zijn gevolmachtigde dit beoordeelt, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  7. Het onderdeel voert aan dat: - het arrest ten onrechte stelt dat de directeur van de strafinrichting niet kon oordelen dat de eiser in de voorwaarden was om in de gevangenis verzet te doen; - de voorwaarde in het bezit te zijn van de vereiste geldsom om de kosten van de akte van de gerechtsdeurwaarder te dekken niet geldt gelet op het algemene rechtsbeginsel vervat in de artikelen 664 en 665 Gerechtelijk Wetboek krachtens dewelke de kosteloosheid van de rechtsplegingsakten geldt voor zij die onvermogend zijn en overeenkomstig artikel 1, § 2, koninklijk besluit van 18 december 2003 tot vaststelling van de voorwaarden voor de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand, de gedetineerde behoudens tegenbewijs beschouwd wordt als een persoon wiens inkomsten onvoldoende zijn, zodat elke gedetineerde recht heeft op kosteloze rechtsbijstand en kosteloze rechtspleging; - de algemene regel van artikel 674bis Gerechtelijk Wetboek volgens dewelke de kosteloze rechtsbijstand kan toegekend worden door de rechter, voor verzet door een gedetineerde vervangen is door de procedure bepaald in het koninklijk besluit van
  8. Anders dan het onderdeel aanvoert, oordeelt het arrest niet dat de directeur van de strafinrichting niet kon oordelen dat de eiser in de voorwaarden was om in de gevangenis verzet aan te tekenen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  9. De artikelen 664 en 665 Gerechtelijk Wetboek bevatten geen algemeen rechtsbeginsel houdende het recht op kosteloosheid van de akten van rechtspleging voor onvermogenden.
  10. Artikel 2, eerste lid, koninklijk besluit van 20 januari 1936 voormeld, kent aan de gedetineerde veroordeelde het recht toe verzet te doen door een verklaring afgelegd aan de directeur van de strafinrichting wanneer hij niet in het bezit is van het vereiste bedrag om de kosten van de akte van gerechtsdeurwaarder te dekken. Dit recht vereist niet dat hij die verzet doet, onvermogend is als bedoeld in de artikelen 508/13 en 664 en volgende Gerechtelijk Wetboek.
  11. De artikelen 664 en volgende Gerechtelijk Wetboek hebben betrekking op de rechtsbijstand waarop zij die onvermogend zijn, recht hebben. Het koninklijk besluit van 18 december 2003 tot vaststelling van de voorwaarden voor de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand is genomen ter uitvoering van de artikelen 508/13 en 676 Gerechtelijk Wetboek, welke betrekking hebben op de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand en is enkel van toepassing op zij die onvermogend zijn als bedoeld in die bepalingen. Hieruit volgt dat die bepalingen geen verband houden met het recht bepaald in artikel 2, eerste lid, koninklijk besluit van 20 januari 1936 voornoemd.
  12. Artikel 674bis Gerechtelijk Wetboek heeft betrekking op het recht van hij die onvermogend is om rechtsbijstand te krijgen teneinde afschrift van stukken van een dossier te verkrijgen. Die bepaling heeft geen uitstaans met het recht verzet te doen door een verklaring aan de directeur van de strafinrichting. In zoverre faalt het onderdeel naar recht. Tweede middel
  13. Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 860 Gerechtelijk Wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat het gebruik van de kosteloze verzetsprocedure van het koninklijk besluit van 1936 zonder hierop recht te hebben, de niet-ontvankelijkheid van het verzet met zich meebrengt; geen enkele bepaling van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een ten onrechte verkregen kosteloze rechtspleging de nietigheid van de akte of van de daardoor ingeleide rechtspleging voor gevolg heeft.
  14. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 860 Gerechtelijk Wetboek preciseert het niet hoe en waardoor het arrest die bepaling schendt. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
  15. Zoals blijkt uit het antwoord op het tweede onderdeel van het eerste middel, heeft de mogelijkheid verzet te doen zoals bepaald in artikel 2, eerste lid, koninklijk besluit van 20 januari 1936 tot vereenvoudiging van sommige vormen van de strafvordering ten opzichte van de gedetineerde, niets uitstaande met de kosteloze rechtspleging bedoeld in de artikelen 664 en volgende Gerechtelijk Wetboek. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt niet dat de eiser de kosteloze rechtspleging zoals bepaald in de artikelen 664 en volgende Gerechtelijk Wetboek gekregen heeft. In zoverre het middel aanvoert dat het ten onrechte verkrijgen van de kosteloze rechtspleging de niet-ontvankelijkheid van het verzet niet met zich kan meebrengen, kan het niet aangenomen worden.
  16. In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 5 en 860 Gerechtelijk Wetboek, is het afgeleid uit de vergeefs hierboven aangevoerde onwettigheden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel Eerste onderdeel
  17. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 5 en 6 EVRM: met betrekking tot het verzet van 11 april 2008 oordeelt het arrest ten onrechte dat het verzet aangetekend op 11 april 2008 bij verklaring afgelegd aan de gevangenisdirecteur niet ontvankelijk is; aldus is de eiser, die bij verstek was veroordeeld en zich in de voorwaarden bevond om bij verklaring aan de gevangenisdirecteur verzet te doen, in de onmogelijkheid gesteld zich te verdedigen voor een onafhankelijke rechter en zijn vrijheidsberoving te betwisten.
  18. De verzetsprocedure bepaald bij de artikelen 187 en volgende Wetboek van Strafvordering heeft niets uitstaande met de vrijheidsberoving van de persoon die verzet doet. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 5 EVRM, faalt het naar recht.
  19. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de eiser zich in de voorwaarden bevond om zijn verzet te doen bij eenvoudige verklaring aan de gevangenisdirecteur en aldus de voorwaarden vervulde bepaald in artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 20 januari 1936 tot vereenvoudiging van sommige vormen van de strafvordering ten opzichte van de gedetineerde, komt het op tegen het onaantastbare oordeel van het tegendeel door het arrest en vergt het een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.
  20. De enkele omstandigheid dat de rechter oordeelt dat het verzet niet ontvankelijk is omdat de vereisten voorgeschreven bij artikel 2, eerste lid, van het voormelde koninklijk besluit niet vervuld zijn, houdt niet in dat daardoor het recht van de beklaagde zijn veroordeling bij verstek opnieuw voor te leggen aan een rechter hem ontzegd wordt. In zoverre het onderdeel miskenning van het recht op toegang tot de rechter als bedoeld in artikel 6 EVRM aanvoert, faalt het naar recht. Tweede onderdeel
  21. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: het arrest verklaart het tweede verzet, gedaan op 18 april 2008, ten onrechte niet ontvankelijk.
  22. Gelet op de hierna uit te spreken vernietiging, behoeft het onderdeel geen antwoord. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - artikel 149 Grondwet
  23. Met betrekking tot het verzet gedaan bij exploot betekend op 18 april 2008 oordeelt het arrest dat de belangen van de eiser geschaad zijn daar de verkeerde vermeldingen op het exploot van betekening van het vonnis bij verstek hem misleid hebben over het bevoegde openbaar ministerie aan wie het exploot van verzet diende te worden betekend of minstens van aard waren hem of de gerechtsdeurwaarder desbetreffende in verwarring te brengen. Anderzijds oordeelt het arrest dat er geen reden is af te wijken van de regel van artikel 187 Wetboek van Strafvordering luidens hetwelk het verzet wordt betekend aan het openbaar ministerie, aan de vervolgende partij of aan de andere partijen. Het overweegt desbetreffende dat de eiser aanvankelijk gedagvaard werd op verzoek van de federale procureur die tijdens de behandeling van de zaak bij verstek heeft gevorderd, zodat de akte van verzet bij exploot aan dit openbaar ministerie moest betekend worden. Op die grond verklaart het arrest de akte van verzet die is betekend aan de procureur des Konings niet ontvankelijk.
  24. Die redenen zijn tegenstrijdig zodat het arrest de voormelde grondwettelijke bepaling schendt. Ambtshalve onderzoek van de beslissing over het verzet gedaan op 11 april 2008
  25. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over het verzet gedaan bij exploot betekend op 18 april
  26. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser in de helft der kosten en laat de overige kosten ten laste van de Staat. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Begroot de kosten op 169,65 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare rechtszitting van 22 september 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090922.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20141126.1 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20161005.1 ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.093 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.