id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091001.6 Rolnummer: D.07.0024.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2009-10-20 Raadplegingen: 590 - laatst gezien 2026-07-02 21:58 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, artikel 6.1 EVRM en artikel 14.3.g IVBPR, houden onder meer het recht in voor de beklaagde of vervolgde niet te moeten bijdragen tot het bewijs van de ten laste gelegde feiten en mee te werken aan zijn veroordeling; die regels zijn in beginsel toepasselijk in het tuchtrecht ook al kan de concrete invulling van die rechten afhangen van de specifieke aard van de tuchtprocedures
(1)De bestreden beslissing bevestigt de beslissing van de provinciale raad, die de verweerster veroordeelde tot een schorsing van een maand wegens de tenlasteleggingen A-E en vernietigt de beslissing tot waarschuwing van de verweerster wegens de tenlastelegging F (d.i. het niet eerbiedigen van de principes van waardigheid, moraliteit, eer, bescheidenheid en toewijding in de beroepsuitoefening), door een leugenachtige verklaring af te leggen tegenover de onderzoekers, i.v.m. het niet naleven van de wachtdienstregeling. Het cassatiemiddel is gericht tegen deze laatste beslissing, gewezen op het hoger beroep van de Nationale Raad en de magistraat-assessor en als volgt gemotiveerd: "Art. 6 EVRM is van toepassing in tuchtzaken. Iemand die vervolgd wordt kan bijgevolg niet verplicht worden om zichzelf te beschuldigen, ook als dit inhoudt dat hij niet loyaal meewerkt aan het onderzoek. De provinciale raad legde ten onrechte een tuchtsanctie op aan (verweerster) voor haar houding tijdens het tuchtonderzoek." Het O.M. concludeerde tot gegrondheid van beide onderdelen. Wat het eerste onderdeel betreft verwees het naar het arrest Funke van 25 februari 1993 van het EHRM (Publ.Cour Eur. D.H., Série A, nr. 256 A) dat (in een strafzaak) het, m.b.t. het door art. 6.1 EVRM gewaarborgde recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak, deze het recht heeft erkend te zwijgen en te weigeren bij te dragen tot zijn inbeschuldigingstelling. De overheid beschikt inderdaad over dwangmaatregelen om, spijts deze houding van de verdachte, het bestaan van het misdrijf te bewijzen. De tuchtoverheid in de vrije beroepen beschikt daarover niet. Ze is dus aangewezen op een loyale medewerking van de vervolgde beroepsbeoefenaar aan het tuchtonderzoek om haar taak te vervullen, dit is de handhaving van de eer, de bescheidenheid, de eerlijkheid of de waardigheid van het beroep. Het afleggen van valse verklaringen leek het O.M. niet verzoenbaar met die loyale houding. Ook het zwijgrecht kan nooit zover gaan dat men het recht verkrijgt valse verklaringen af te leggen om aan een verdenking te ontsnappen. Daardoor wordt de tuchtactie lamgelegd. Het recht op een eerlijk proces dat de tuchtrechtelijk ter verantwoording geroepen beroepsbeoefenaar tegen de willekeur van zijn tuchtoverheid moet beschermen, laat hem niet toe het spel oneerlijk te spelen als die tuchtoverheid over geen andere wettelijke middelen beschikt om haar handhavingplicht te vervullen. Ten slotte komt het invullen van deze verplichting ook hem, als lid van de beroepsorde, ten goede. Een orde die deze oneerlijkheid moet accepteren straalt negatief af op haar leden en op de buitenwereld. De bestreden beslissing sluit elke beperking van het zwijgrecht uit, ook als dit botst met de vereiste loyaliteit in een tuchtonderzoek. Het cassatiemiddel komt hiertegen op. Volgens het O.M. vocht het eerste onderdeel terecht deze uitsluiting aan, waardoor de beslissing o.m. de draagwijdte van art. 6 EVRM schond. Het meende dat het tweede onderdeel dan ook, subsidiair, terecht aanvoerde dat artikel 6.1 EVRM, zelfs in een (dus niet-strafrechtelijk) tuchtonderzoek, niet het recht inhoudt om daarin valse verklaringen af te leggen tegenover de tuchtoverheid. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - ANDERE VERDRAGEN - Tweede Facultatief Protocol van 19 december 1966 bij het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (VN) Vrije woorden: Recht van verdediging - Tenlastelegging - Bewijs - Gevolg - Tuchtzaken - Toepasselijkheid Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - ANDERE VERDRAGEN - Tweede Facultatief Protocol van 19 december 1966 bij het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (VN) Vrije woorden: Artikel 14, § 3, g - Recht van verdediging - Tenlastelegging - Bewijs - Gevolg - Tuchtzaken - Toepasselijkheid Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - ANDERE VERDRAGEN - Tweede Facultatief Protocol van 19 december 1966 bij het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (VN) Vrije woorden: Verdrag Rechten van de Mens - Artikel 6.1 - Verdrag burgerrechtenen politieke rechten - Artikel 14, § 3, g - Tenlastelegging - Bewijs - Gevolg - Tuchtzaken - Toepasselijkheid Tekst van de beslissing Nr. D.07.0024.N
- NATIONALE RAAD VAN DE ORDE VAN APOTHEKERS, met zetel te 1060 Brussel, Henri Jasparlaan 94,
- BAEYENS Willy, in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Nationale Raad van de Orde van apothekers, met zetel te 1060 Brussel, Henri Jasparlaan 94,
- VAN CAUWELAERT Kristien, ere-kamervoorzitter van het Hof van Beroep te Brussel, in haar hoedanigheid van magistraat-bijzitter van voormelde Nationale Raad, eisers, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen S. M., apotheker, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing op 18 oktober 2007 gewezen door de raad van beroep van de Orde der apothekers met het Nederlands als voertaal. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Het cassatieberoep is beperkt tot de veroordeling op grond van de tenlastelegging F. Eerste onderdeel
- Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, artikel 6.1 EVRM en artikel 14.3.g IVBPR, houden onder meer het recht in voor de beklaagde of vervolgde niet te moeten bijdragen tot het bewijs van de ten laste gelegde feiten en mee te werken aan zijn veroordeling. Die regels zijn in beginsel toepasselijk in het tuchtrecht ook al kan de concrete invulling van die rechten afhangen van de specifieke aard van de tuchtprocedures.
- Het onderdeel gaat ervan uit dat die regels zonder meer niet verzoenbaar zijn met de waarheidsvinding in het tuchtrecht en niet mogen worden toegepast op vervolgingen in tuchtzaken. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel gaat ervan uit dat de vervolging geen betrekking heeft op strafbare feiten in de zin van artikel 6 EVRM en voert aan dat de waarborgen die dit artikel geeft in dit geval niet mogen gegeven worden aan een vervolgde.
- De bestreden beslissing oordeelt niet dat de vervolging geen betrekking heeft op strafbare feiten maar gaat er integendeel van uit dat artikel 6 EVRM zonder meer toepasselijk was, waarmede meteen de appelrechters te kennen geven dat de feiten wel konden gelden als feiten die konden leiden tot een straf in de zin van artikel 6 EVRM. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 353,24 euro jegens de eisende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Albert Fettweis, Beatrijs Deconinck en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 1 oktober 2009 uitgesproken door voorzitter Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091001.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20111125.2 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120405.4 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121116.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100304.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div