id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091001.8 Rolnummer: C.08.0252.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-20 Raadplegingen: 405 - laatst gezien 2026-07-02 21:59 Versie(s): Vertaling FR Fiche De regeling van artikel 21 Onteigeningswet strekt ertoe een zeer lage rentevoet te bepalen voor de bedragen die de onteigende onverschuldigd heeft ontvangen en legt hem aldus niet de bewijslast op dat de rente die hij heeft gewonnen op de opgenomen bedragen lager lag dan de wettelijke rentevoet of marktrentevoet
(1); hieruit volgt dat op de terug te betalen onteigeningsvergoeding interest verschuldigd is en dat die interest voor de periode vanaf de afhaling der gelden bij de Deposito- en Consignatiekas tot de dag van de terugbetaling berekend wordt aan de rentevoet van de basisherfinancieringstransacties van de Europese Centrale Bank; in afwijking hiervan is voor de periode voorafgaand aan 1 januari 1999 op deze vergoedingen voor de periode vanaf de afhaling van de Deposito- en Consignatiekas tot de terugbetaling ervan, een interest verschuldigd van 3 pct.
(1)Cass., 11 feb. 2005, AR C.04.0161.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050211.6, A.C., 2005, nr.
- Thesaurus CAS: ONTEIGENING TEN ALGEMENEN NUTTE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONTEIGENING - Hoogdringende omstandigheden - Vergoeding - Omvang Vrije woorden: Rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden - Strekking - Rentevoet - Onteigeningsvergoeding - Vermindering - Terugbetaling - Deposito- en Consignatiekas - Interest - Berekening Wettelijke bepalingen: Wet - 26-07-1962 - Art. 21 Tekst van de beslissing Nr. C.08.0252.N
- ROYAL HERAKLES HOCKEY CLUB, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te 2640 Mortsel, Ellebroeken 15,
- IMMOBILIERE HERAKLES, naamloze vennootschap, met zetel te 2610 Antwerpen, Mechanicalaan 10-12, eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de eiseressen woonplaats kiezen, tegen
- NMBS HOLDING, naamloze vennootschap van publiek recht, met zetel te 1060 Brussel, Frankrijkstraat 85,
- INFRABEL, naamloze vennootschap van publiekrecht, met zetel te 1070 Brussel, Barastraat 110, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 21 september 2004 gewezen door het hof van beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseressen voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; - artikel 21, - zoals gewijzigd door de wet van 6 april 2000 -, van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemene nutte; - artikel 4 van de wet van 6 april 2000 tot wijziging, wat de interesten op het terug te betalen gedeelte van de onteigeningsvergoeding betreft, van artikel 18 van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte en artikel 21 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemene nutte; - artikel 2 van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest; - de artikelen 1147 en 1153 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest: "Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond; Wijst (de eiseres) ervan af en bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen met dien verstande dat de bedragen der veroordelingen als volgt in euro's dienen te worden omgezet: (...) Veroordeelt (de eisers) tot de kosten van het hoger beroep, begroot (...)". na de vaststelling op p.10: "Tenslotte, werpen (de eiseres) op dat in geval van veroordeling tot terugbetaling van enige vergoeding enkel de intresten zoals berekend in artikel 21 van de onteigeningswet verschuldigd zijn". Grieven Krachtens het aangehaald artikel 21 van de wet van 26 juli 1962 is de onteigende, die veroordeeld wordt tot terugbetaling van het bedrag dat hij teveel heeft ontvangen, op dit bedrag de burgerlijke vruchten verschuldigd die hij heeft gewonnen of vermocht te winnen tot op datum van de veroordeling tot terugbetaling. Deze vruchten zijn steeds gelijk aan de interestvoet van de Deposito- en Consignatiekas voor de periode dat de gelden aldaar geconsigneerd zijn gebleven. Deze vruchten zijn vanaf de afhaling op de Deposito- en Consignatiekas gelijk aan 3 pct. voor de periode van die afhaling tot 1 januari 1999 en vanaf dan aan de interestvoet voor de basisherfinancieringstransacties van de Europese Centrale Bank. Krachtens artikel 4 van de aangehaalde wet van 6 april 2000, is voornoemd artikel 21 in die versie in werking getreden op 1 juni 2000, zijnde de eerste dag van de maand na die waarin de wet van 6 april 2000 in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd en van toepassing op de gedingen, die op 1 juni 2000 nog niet beslecht waren door een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak. Het bestreden eindvonnis a quo van 10 november 1998 veroordeelde beide de eisers tot terugbetaling van de nader bepaalde sommen aan verweerster, telkens "vermeerderd met de interesten die deze som in de deposito-en consignatiekas heeft verworven vanaf de dag der consignatie tot op de dag van de opname der gelden en met de wettelijke interesten vanaf die dag tot op de dag van de terugbetaling". Eerste onderdeel De eisers voerden in regelmatig genomen conclusies, neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Antwerpen op 28 januari 2003, op p.18 aan: "III.
- Interesten Aangaande de eventuele berekening van de interesten op eventueel te veel ontvangen vergoedingen verwijzen (de eisers), naar artikel 3 van de wet van 6 april 2000 tot wijziging, wat de interesten op het terug te betalen gedeelte van de onteigeningsvergoeding betreft, van artikel 18 van de wet 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte en artikel 21 van de wet van 26 juli 1962 betreffend de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemene nutte: ‘Indien in de loop van de procedure de onteigeningsvergoeding bij rechtelijke uitspraak wordt verminderd en de onteigende dan ook wordt veroordeeld tot de terugbetaling van het bedrag dat hij teveel heeft ontvangen, is hij op dit bedrag de burgerlijke vruchten verschuldigd die hij heeft gewonnen of vermocht te winnen tot op datum van de veroordeling tot terugbetaling. Deze vruchten zijn steeds gelijk aan de interestvoet van de Deposito- en Consignatiekas voor de periode dat gelden aldaar geconsigneerd bleven en aan de interestvoet voor de basisherfinancieringstransacties van de Europese Centrale Bank vanaf de afpaling ervan'. Voor de berekening van de eventuele interesten kan het hof enkel nog rekening houden met voormeld artikel. De beschouwingen van (de verweerster) dienaangaande bij conclusie zijn dan ook overbodig want strijdig met deze wettelijke bepalingen". Hieruit volgt dat het bestreden arrest, dat al de beschikkingen van het bestreden eindvonnis a quo van 10 november 1998 bevestigt, maar met geen enkel motief op deze aanvoering antwoordt, niet naar genoegen van recht gemotiveerd is (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Tweede onderdeel Onderhavig geding was op 1 juni 2000 nog niet beslecht met een in kracht van gewijsde gegane beslissing enerzijds en de eerste rechter, die op 10 november 1998 uitspraak deed, voor de inwerkingtreding op voornoemde datum, kon daarom slechts interesten toekennen aan de wettelijke intrestvoet zoals bepaald in artikel 2 van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest anderzijds. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, dat het bestreden eindvonnis a quo van 10 november 1998 in al zijn beschikkingen bevestigt, onwettig op de door de eisers terug te betalen bedragen aan de verweerster burgerlijke vruchten en moratoire interesten toekent aan de wettelijke interestvoet zoals bepaald in artikel 2 van voornoemde wet van 5 mei 1865 (schending van artikel 2 van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest en de artikelen 1147 en 1153 van het Burgerlijk Wetboek), die vanaf 23 december 1997 slechts 3 pct. mochten bedragen en vanaf 1 januari 1999 de interestvoet voor de basisherfinancieringstransacties van de Europese Centrale Bank (schending van artikel 21 van het aangehaald artikel 21 van de wet van 26 juli 1962 op de onteigening ten algemene nutte en 4 van de aangehaalde wet van 6 april 2000 tot wijziging van voornoemde wet, wat betreft de interesten op het terug te betalen gedeelte van de onteigeningsvergoeding en de artikelen 1147 en 1153 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Het arrest bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen en oordeelt aldus dat de eerste eiseres aan de eerste verweerster een bedrag van 2.952.144 BEF (73.181,74 euro) moet terugbetalen, vermeerderd met de interest die deze som in de Deposito- en Consignatiekas heeft verworven vanaf de dag der consignatie tot op de dag van de opname der gelden en met de intrest aan de wettelijke interestvoet vanaf die dag tot op de dag van de terugbetaling. Het arrest oordeelt tevens dat de eerste eiseres aan de eerste verweerster een bedrag van 109.333 BEF (2.710,29 euro) moet terugbetalen, vermeerderd met de intrest die deze som in de Deposito- en Consignatiekas heeft verworven vanaf de dag der consignatie tot op de dag van de opname der gelden en met de interest aan de wettelijke interestvoet vanaf die dag tot op de dag van de terugbetaling.
- Het arrest verwerpt en beantwoordt aldus het in het onderdeel bedoelde verweer van de eiseressen dat op de terug te betalen onteigeningsvergoedingen voor de periode vanaf de opname der gelden bij de Deposito- en Consignatiekas tot de dag van de terugbetaling geen interest verschuldigd is aan de wettelijke interestvoet maar aan de rentevoet van de basisherfinancieringstransacties van de Europese Centrale Bank. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het arrest stelt vast dat het onteigeningsbesluit van 26 maart 1979 werd genomen op grond van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemenen nutte.
- Krachtens artikel 21, eerste lid, van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemene nutte, zoals vervangen door artikel 3 van de wet van 6 april 2000, is de onteigende, indien in de loop van de procedure, de onteigeningsvergoeding bij rechterlijke uitspraak wordt verminderd en hij wordt veroordeeld tot de terugbetaling van het bedrag dat hij teveel heeft ontvangen, op dit bedrag de burgerlijke vruchten verschuldigd die hij heeft gewonnen of vermocht te winnen tot op datum van de veroordeling tot terugbetaling; de vruchten zijn steeds gelijk aan de interestvoet van de Deposito- en Consignatiekas voor de periode dat de gelden aldaar geconsigneerd bleven en aan de interestvoet voor de basisherfinancieringstransacties van de Europese Centrale Bank vanaf de afhaling ervan. Krachtens het tweede lid van deze wetsbepaling bedragen de vruchten, voor de periode voorafgaand aan 1 januari 1999, 3 pct. voor de periode vanaf de afhaling van de Deposito- en Consignatiekas. Krachtens artikel 4, tweede lid, van de wet van 6 april 2000 tot wijziging, wat de interesten op het terug te betalen gedeelte van de onteigeningsvergoeding betreft, van artikel 18 van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemene nutte en artikel 21 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemene nutte, is deze wet van toepassing op de gedingen die, op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan, nog niet zijn beslecht door een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak. Deze regeling strekt ertoe een zeer lage rentevoet te bepalen voor de bedragen die de onteigende onverschuldigd heeft ontvangen en legt hem aldus niet de bewijslast op dat de rente die hij heeft gewonnen op de opgenomen bedragen lager lag dan de wettelijke rentevoet of marktrentevoet.
- Hieruit volgt dat op de terug te betalen onteigeningsvergoeding interest verschuldigd is en dat die interest voor de periode vanaf de afhaling der gelden bij de Deposito- en Consignatiekas tot de dag van de terugbetaling berekend wordt aan de rentevoet van de basisherfinancieringstransacties van de Europese Centrale Bank. In afwijking hiervan is voor de periode voorafgaand aan 1 januari 1999 op deze vergoedingen voor de periode vanaf de afhaling van de Deposito- en Consignatiekas tot de terugbetaling ervan, een interest verschuldigd van 3 pct.
- Het arrest dat oordeelt dat de eiseressen interest aan de wettelijke rentevoet verschuldigd zijn op de terug te betalen onteigeningsvergoeding voor de periode sedert de afhaling der gelden bij Deposito- en Consignatiekas tot de dag van de terugbetaling, schendt artikel 21 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemenen nutte. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het oordeelt over de interest die de eiseressen op de terug te betalen onteigeningsvergoedingen verschuldigd zijn vanaf de opname der gelden bij Deposito- en Consignatiekas tot de dag van de terugbetaling. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 1 oktober 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091001.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050211.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div