← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091005.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

3, eerste en tweede lid, van de wet van 6 augustus 1993 houdende sociale en diverse bepalingen (hierna ook afgekort: de wet van 6 augustus 1993); - de artikelen 19 en 20 van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 januari 1994 houdende regeling van de toekenning van specialisatiebeurzen door het Vlaams Instituut voor de bevordering van het wetenschappelijk-technologisch onderzoek in de industrie (B.S., 24 maart 1994); - de artikelen 1, 2, 3, 4 en 6 van het koninklijk besluit van 19 december 1995 betreffende de ontbinding van het Instituut tot aanmoediging van het wetenschappelijk onderzoek in nijverheid en landbouw (IWONL) en de overdracht van zijn opdrachten, goederen, rechten en verplichtingen (B.S., 19 januari 1996 , inwerkingtreding: 1 januari 1995, hierna ook afgekort: het koninklijk besluit van 19 december 1995); - artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut; - de artikelen 1, 2de lid, 2, §3, 2bis, §2, 3 en 9, evenals artikel 2 van de bijlage 4, van het koninklijk besluit van 5 juni 1957 houdende omwerking van het statuut van het Instituut tot Aanmoediging van het Wetenschappelijk Onderzoek in Nijverheid en Landbouw, zoals gewijzigd en aangevuld bij koninklijk besluit nr. 86 van 11 november 1967 tot wijziging en aanvulling van het koninklijk besluit van 5 juni 1957 houdende omwerking van het statuut van het Instituut tot aanmoediging van het Wetenschappelijk onderzoek in nijverheid en landbouw; - de artikelen 2 en 6 van het koninklijk besluit van 18 maart 1968 houdende uitvoeringsmaatregelen van artikel 2bis, §§

2, van het statuut van het Instituut tot aanmoediging van het wetenschappelijk onderzoek in nijverheid en landbouw. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verklaart de vordering van eerste verweerder jegens eisers ontvankelijk en de vordering van eerste eiser in vordering in tussenkomst en vrijwaring jegens tweede en derde verweerder ongegrond, en bevestigt het vonnis in de mate het vaststelt dat de schuld van het Instituut tot aanmoediging van het wetenschappelijk onderzoek in nijverheid en landbouw is overgegaan op de Belgische Staat, en zulks op grond van de hierna volgende overwegingen: "De Gemeenschappen stellen terecht dat het IWONL een nationale autonome instelling was, opgericht bij besluitwet van 27 december 1944 met als doel alle wetenschappelijk en technisch onderzoek waarbij de vooruitgang van nijverheid en landbouw gebaat is, door middel van toelagen uit te lokken, te bevorderen en aan te moedigen. Binnen dat doel kende zij zelf beurzen toe zonder dat daartoe door de Gemeenschappen opdracht werd gegeven hetzij expliciet, hetzij impliciet. In de wet van 16 maart 1954 wordt het IWONL vermeld als een instelling van openbaar nut behorend tot de klasse B. Dergelijke Instellingen zijn publiekrechtelijke rechtspersonen, bij federale wet ingericht, met een organisatie en beheersautonomie bij de uitoefening van hun activiteiten, doch onderworpen aan diverse controles waaronder het administratief toezicht (...). De Raad van State bevestigde dat dergelijke instellingen een organieke en technische autonomie genieten, een eigen beslissingsrecht dat niet aan een hiërarchische controle is onderworpen doch aan een loutere voogdij (...). In het koninklijk besluit van 5 juni 1975 houdende omwerking van het statuut van het IWONL, gewijzigd en aangevuld bij koninklijk besluit nr. 86 van 11 november 1967, werd de autonomie van het Instituut nogmaals benadrukt: In artikel 1, 2de lid, van het statuut: ‘het Instituut stelt zich ten doel alle wetenschappelijk en technisch onderzoek waarbij de vooruitgang van nijverheid en landbouw gebaat wordt, door middel van toelagen uit te lokken, te bevorderen en aan te moedigen' artikel 2bis, §2: ‘Binnen de perken van de begroting en onder de door de Koning bepaalde voorwaarden kan het instituut beurzen en mandaten voor onderzoek verlenen' artikel 4: ‘De raad van beheer beschikt over alle machten nodig tot verwezenlijking van het doel van het Instituut' Ook de koninklijk besluiten genomen ter uitvoering van dit statuut benadrukken de autonomie van het instituut: zo artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 maart 1968 houdende uitvoeringsmaat-regelen van artikel 2 bis §§

2 van het statuut IWONL: ‘Het IWONL kent specialisatiebeurzen en reisbeurzen toe. De beurzen worden toegekend door het Bureau van de Raad van Beheer van het IWONL. artikel 6 van het koninklijk besluit van 18 maart 1968: De raad van beheer van het IWONL legt de reglementen vast waarbij onder meer de wijze wordt bepaald waarop de kandidaturen moeten gesteld worden, de wijze waarop de beurzen worden toegekend, het bedrag van de beurzen, de betalings- en eventuele terugbetalingsmodaliteiten'. Met betrekking tot de financiering van het IWONL bepaalt het koninklijk besluit van 5 juni 1957 o.m.: - dat de Staat een jaarlijkse toelage aan het Instituut verleent (artikel 2 van de bijlage), - dat de voorwaarden waaronder het Instituut zijn bestemming vervult bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit worden vastgesteld (artikel 2, §3), - dat het Instituut wordt beheerd door een Raad van achttien leden die door de Koning worden aangesteld (artikel 3), - dat het Instituut onder de controle valt van de Ministers van Economische Zaken en van Landbouw (artikel 9). Na de regionalisering van een aantal materies die tot het activiteitsveld van het IWONL behoren, werden er toelagen toegekend door de Gemeenschappen. Dit veranderde evenwel niets aan het statuut van het IWONL dat een autonome federale overheidsinstelling bleef. Beide Gemeenschappen hebben trouwens een eigen instituut opgericht met dezelfde doelstelling als het IWONL. De omstandigheid dat elk van de Gemeenschappen aan het IWONL jaarlijkse toelagen toekende voor de uitbetaling van beurzen tast de autonomie van de Instelling niet aan en heeft nog niet voor gevolg dat zij de verantwoordelijkheid zouden moeten dragen voor de daaruit voortvloeiende verplichtingen zoals - in voorkomend geval - de betaling van sociale bijdragen. Daaruit kan geen lastgeving worden afgeleid. Zoals de Franse Gemeenschap terecht stelt veronderstelt lastgeving dat een persoon een ander belast met het verrichten van een rechtshandeling in zijn naam en voor zijn rekening. (Eisers) bewijzen geenszins dat de Gemeenschappen het IWONL ermee zouden hebben gelast om in hun naam en voor hun rekening bepaalde beurzen toe te kennen. De hierboven aangehaalde bepalingen wijzen er integendeel op dat het IWONL zelf, autonoom de beurzen toekende en de toekenningsvoorwaarden vaststelde. De Gemeenschappen wijzen erop: - dat volgens de Bijzondere Wet op de Hervorming van de instellingen (BWHI) van 8 augustus 1980, het wetenschappelijk onderzoek geen exclusieve bevoegdheid is van de Gemeenschappen maar een parallelle bevoegdheid; - dat tot 1 januari 2002 (uitvoering van de Lambermontakkoorden) het landbouwbeleid een federale bevoegdheid was evenals het wetenschappelijk onderzoek daarover, (één van de onderzoeksdomeinen die binnen de doelstellingen van het IWONL lagen) met toepassing van artikel 6bis, §2, 1°, BWHI, nadien waren de gewesten daarvoor bevoegd; - en dat voor het wetenschappelijk onderzoek m.b.t. de nijverheid (dat eveneens binnen de doelstellingen van het IWONL lag) zowel de gemeenschappen als de federale overheid bevoegd waren, gelet op de onderscheiden specifieke bevoegdheden van de federale overheid en de gewesten in die materie (artikel 6bis, §

§2, 1°, BWHI ...).

De omstandigheid dat het IWONL jaarlijks een verslag aan de Gemeenschappen diende over te maken is niet van aard om de lastgeving aan te tonen. De publieke oorsprong van de bestaansmiddelen van de Instellingen van openbaar nut Klasse B, rechtvaardigt een toezicht van de subsidiërende overheid over de daadwerkelijke aanwending van de middelen door de gesubsidieerde instelling (...). Dat na de ontbinding van het IWONL een positief saldo aan de Gemeenschappen werd teruggestort toont evenmin het bewijs van een lastgeving aan. Het is volkomen normaal dat wanneer een Instelling wordt opgeheven, het ongebruikte bedrag aan subsidies dat niet werd toegekend voor het doel waarvoor ze werden toegekend aan de subsidiërende overheid wordt teruggestort. De vorderingen in vrijwaring van de Belgische Staat en het IWONL tegen de Gemeenschappen gebaseerd op een lastgeving komt derhalve niet gegrond voor. Het koninklijk besluit van 19 december 1995 betreffende de ontbinding van het IWONL en de overdracht van zijn opdrachten, goederen, rechten en verplichtingen bepaalt in zijn artikelen 1 tot en met 4: Artikel

  1. Voor de toepassing van dit besluit moet worden verstaan onder: - het Instituut: het IWONL - de Departementen: het ministerie van Economische Zaken en het Ministerie van Middenstand en Landbouw. Artikel 2 Het Instituut wordt ontbonden. Met het oog hierop blijft het Instituut gedurende de volledige duurtijd van de ontbinding voortbestaan en wordt het vertegenwoordigd door zijn Raad van Bestuur. Artikel 3 De statutaire opdrachten van het Instituut worden aan de Departementen overgedragen, ieder wat hem betreft: Artikel
  2. De eigen middelen en beschikbare en onbeschikbare reserves worden overgedragen aan de Departementen volgens de oorsprong van de gelden. De personeelsschulden worden overgedragen aan de Departementen volgens de overgedragen personeelsleden. De overige schulden worden aan de Departementen overgedragen volgens de hiermee verband houdende opdracht. Artikel 6 De goederen, rechten en verplichtingen niet toegekend krachtens de artikelen 4 en 5 worden aan de Departementen overgedragen volgens een inventaris opgesteld door de Raad van Bestuur. Hieruit volgt dat mocht het IWONL nog een schuld hebben t.a.v. de RSZ - wat hierna verder zal worden onderzocht - deze werd overgedragen aan de federale departementen van Economische Zaken enerzijds en Middenstand en Landbouw anderzijds zodat de enige opvolger de Belgische Staat is en niet de Gemeenschappen. Het IWONL is ontbonden door het koninklijk besluit van 15 april
  3. Volgens art 2 van dit koninklijk besluit is het IWONL pas op 29 juni 2002 ontbonden en is het saldo van de financiële rekeningen overgedragen aan de Staat. Tot dan bleef de Raad van Bestuur bestaan. Deze kon derhalve tot die datum geldig worden aangesproken. Daaruit volgt dat de vordering ingeleid bij dagvaarding van 3 november 1999 voor zover gericht tegen de Raad van Bestuur van het IWONL ontvankelijk was, en tevens t.a.v. de Belgische Staat, als rechtsopvolger van het IWONL. Daaruit volgt eveneens dat de tegen de Gemeenschappen ingestelde vordering in tussenkomst en vrijwaring gesteund op een lastgeving ongegrond is (arrest, pp. 20-24). Grieven Eerste onderdeel Schending van de artikelen 159 van de Grondwet, 17 van het Gerechtelijk Wetboek, 74, §§

3, eerste en tweede lid, van de wet van 6 augustus 1993 en van de artikelen 1, 2, 3, 4 en 6, van het koninklijk besluit van 19 december 1995 betreffende de ontbinding van het Instituut tot aanmoediging van het wetenschappelijk onderzoek in nijverheid en landbouw (IWONL) en de overdracht van zijn opdrachten, goederen, rechten en verplichtingen. Krachtens artikel 74, §1, van de wet van 6 augustus 1993 werd het Instituut tot aanmoediging van het wetenschappelijk onderzoek in nijverheid en landbouw (IWONL) afgeschaft op de datum vast te stellen door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit. Artikel 74, §3, eerste lid, van diezelfde wet luidt als volgt: "De Koning regelt, met het oog op die afschaffing, bij in Ministerraad overlegde besluiten, de overdracht van de opdrachten, goederen, rechten en verplichtingen naar de diensten die hij aanwijst." Artikel 74, §3, tweede lid, van diezelfde wet luidt als volgt: "In de gevallen waarin het Instituut opdrachten als lasthebber van een Gemeenschap of een Gewest heeft uitgevoerd, worden die opdrachten en de daarbij horende rechten en verplichtingen overgedragen aan de respectievelijke lastgevers op een datum overeen te komen tussen het Instituut en elke betrokken lastgever." Daar waar artikel 74, §3, eerste lid, van de wet van 6 augustus 1993 houdende sociale en diverse bepalingen aldus enerzijds aan de Koning de bevoegdheid verleende om bij in Ministerraad overlegde besluiten de opdrachten, het personeel, de goederen, rechten en verplichtingen van het IWONL over te dragen naar de diensten die de Koning aanwijst, voorzag deze wet in artikel 74, §3, tweede lid, in een specifieke wettelijke regeling voor de situatie waarin het IWONL als lasthebber van de gemeenschappen optrad. In de Memorie van Toelichting bij deze wet (Parl. St., Kamer, 1040/1, 1992-93, p. 29) wordt verduidelijkt dat "het verlenen van toelagen of beurzen door het IWONL met financiële middelen ter beschikking gesteld door de Gemeenschappen en Gewesten (...) lastgevingen (vormen). De goederen, rechten en verplichtingen die eruit voortvloeien worden overgedragen aan de lastgever". Bij koninklijk besluit van 19 december 1995 betreffende de ontbinding van het Instituut tot aanmoediging van het wetenschappelijk onderzoek in nijverheid en landbouw (IWONL) en de overdracht van zijn opdrachten, goederen, rechten en verplichtingen werd dit Instituut, volgens de aanhef van dit koninklijk besluit, ontbonden "gelet op de wet van 6 augustus 1993 houdende sociale en diverse bepalingen, inzonderheid op artikel 74, §3, eerste lid". Bij dit koninklijk besluit werd derhalve slechts het lot geregeld van de eigen goederen, rechten en verplichtingen van het Instituut, zonder dat evenwel een regeling werd getroffen of kon getroffen worden in verband met de rechten en verplichtingen verbonden aan het verlenen van toelagen of beurzen door het IWONL met financiële middelen ter beschikking gesteld door de Gemeenschap, waarvan het lot reeds was bepaald bij artikel 74, §3, tweede lid, van de wet van 6 augustus

  1. Gelet op de hiërarchie van de rechtsnormen hebben de bepalingen van het koninklijk besluit van 19 december 1995, getroffen in uitvoering van artikel 74, §3, eerste lid, van de wet van 6 augustus 1993, immers geen afbreuk kunnen doen aan artikel 74, §3, tweede lid, van dezelfde wet dat het lot van die schulden reeds bij wet had geregeld. Aangezien de rechten en verplichtingen verbonden aan het verlenen van beurzen door het IWONL met middelen ter beschikking gesteld door de Gemeenschappen krachtens artikel 74, §3, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1993 waren overgedragen naar de Gemeenschappen, is de vordering van eerste verweerder die ertoe strekt loonmatigingsbijdragen voor de jaren 1993-94 berekend op die beurzen te innen, onontvankelijk, daar eisers niet de schuldenaar van deze mogelijke schuld zijn. Het bestreden arrest oordeelt evenwel dat eisers het bestaan van een lastgeving niet bewijzen en dat uit de daarbij geciteerde artikelen 1, 2, 3, 4 en 6 van het koninklijk besluit van 19 december 1995 volgt dat "mocht het IWONL nog een schuld hebben t.a.v. de RSZ - wat hierna verder zal worden onderzocht - deze werd overgedragen aan de federale Departementen van Economische Zaken enerzijds en Middenstand en Landbouw anderzijds zodat de enige opvolger de Belgische Staat is en niet de Gemeenschappen" (arrest, pp. 23-24). Door te oordelen dat de beurzen die door het IWONL werden toegekend met financiële middelen ter beschikking gesteld door de Gemeenschappen niet berusten op een lastgeving waardoor niet alleen de goederen en rechten, maar ook de verplichtingen die eruit voortvloeiden werden overgedragen aan die Gemeenschappen, daar waar deze lastgeving zijn grondslag vindt in artikel 74, §3, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1993, schendt het arrest deze wetsbepaling evenals, voor zoveel als nodig, het wettelijk begrip "lastgeving" zoals vervat in de artikelen 1984 en 1998 van het Burgerlijk Wetboek. Door te oordelen dat eisers de rechtsopvolgers zijn van het IWONL voor de schulden die verbonden zijn aan de beurzen krachtens de artikelen 1, 2, 3, 4 en 6 van het koninklijk besluit van 19 december 1995, daar waar deze bepalingen getroffen werden in uitvoering van artikel 74, §3, eerste lid, van de wet van 6 augustus 1993 en enkel de eigen opdrachten, personeel, goederen, rechten en verplichtingen van het IWONL betreffen, met uitsluiting van het lot van de rechten en verplichtingen verbonden aan het beurzenstelsel waarvoor de Gemeenschappen de financiële middelen ter beschikking stellen krachtens en waarvoor in artikel 74, §3, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1993 een wettelijke regeling werd getroffen, schendt het arrest de artikelen 74, §3, eerste en tweede lid, van de wet van 6 augustus 1993 en 1, 2, 3, 4 en 6 van het koninklijk besluit van 19 december
  2. Door op grond van de bepalingen van het koninklijk besluit van 19 december 1995 te oordelen dat aan de eisers de rechten en verplichtingen in verband met het beurzenstelsel werden overgedragen, en aldus dit koninklijk besluit in die zin uit te leggen dat hierbij afbreuk werd gedaan aan de wettelijke bepaling van artikel 74, §3, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1993, past het arrest een koninklijk besluit toe dat in de uitlegging die het arrest ervan geeft strijdig is met de wet, meer bepaald met artikel 74, §3, tweede lid van de wet van 6 augustus 1993 en miskent het mitsdien artikel 159 van de Grondwet evenals voornoemd artikel 74, §3, tweede lid, van de wet van 6 augustus
  3. Door te oordelen dat de rechtsvordering van eerste verweerder jegens eisers ontvankelijk is, hoewel eisers niet de hoedanigheid van schuldenaar van deze rechtsvordering bezitten, daar ingevolge artikel 74, §3, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1993 de Gemeenschappen de goederen, rechten en verplichtingen verbonden aan het beurzenstelsel hebben overgenomen, schendt het arrest artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek evenals artikel 74, §3, tweede lid, van de wet van 6 augustus
  4. Tweede onderdeel Schending van artikel 149 van de Grondwet en van de artikelen 74, §3, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1993 en19 en 20 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 26 januari
  5. Zoals reeds werd uiteengezet in het eerste onderdeel en hierbij uitdrukkelijk wordt hernomen, werd, bij de principiële beslissing tot ontbinding van het IWONL bij de wet van 6 augustus 1993, enerzijds een wettelijk kader gecreëerd dat de Koning moest toelaten om de opdrachten, het personeel, de goederen, rechten en verplichtingen van het IWONL over te dragen naar de diensten die Hij aanwijst (artikel 74, §3, eerste lid), en anderzijds een wettelijke regeling getroffen in verband met het lot van de goederen, rechten en verplichtingen verbonden aan het verlenen van beurzen door het IWONL met financiële middelen ter beschikking gesteld door de Gemeenschappen en Gewesten (artikel 74, §3, tweede lid). Op 26 januari 1994 vaardigde de Vlaamse Regering een besluit uit dat werd ingegeven door de volgende reden: "(...) dat de overname van het beheer van het IWONL-beurzenstelsel door de Vlaamse Gemeenschap onverwijld moet worden geregeld, gelet op de opheffing van het IWONL door de federale regering, die reeds principieel werd beslist": Bij artikel 19 van dit besluit van de Vlaamse Regering van 26 januari 1994 werd bepaald dat bepaalde beurzen op 1 oktober 1994 automatisch met één jaar verlengd worden. Krachtens artikel 20 van dit besluit blijft het IWONL gemachtigd om de lopende beurzen van het academiejaar 1993-1994 uit te betalen tot de datum vastgesteld door de Koning bij een in ministerraad overlegd besluit van artikel 74, §1, van de wet van 6 augustus 1993 houdende sociale en diverse bepalingen en in ieder geval tot ten laatste 30 september
  6. De Vlaamse Gemeenschap stelt daartoe per kwartaal de nodige middelen beschikbaar van het IWONL voor de twintigste van de eerste maand van elk kwartaal. Zoals eerste eiser in zijn beroepsbesluiten had laten gelden werd aldus bij dit besluit beslist een einde te stellen aan het mandaat van het IWONL ten laatste op 30 september 1994 (besluiten in beroep, p. 11-12, randnr. 31) en blijkt uit deze bepalingen, "in het besluit van de Vlaamse Gemeenschap zelf, (...) nogmaals dat het beheer van het IWONL, welke eerst bij de Belgische Staat lag, werd overgenomen door (o.a.) de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse Gemeenschap machtigde het IWONL tot het uitvoeren van enige verdere taken" en dat "(daar) waar de Vlaamse Gemeenschap ... voorhoudt dat er geen sprake was van een overname van verplichtingen, (...) dit manifest in strijd (is) met haar besluit van 26 januari 1994, waarin duidelijk wordt gesteld dat het beheer van het IWONL wordt overgenomen. Daarnaast machtigt de Vlaamse Gemeenschap het IWONL om nog enige handelingen voor haar rekening uit te voeren" (l.c., p. 12). Het arrest antwoordt niet op dit specifieke, op het besluit van de Vlaamse Gemeenschap van 26 januari 1994 gesteunde verweer van eerste eiser en is mitsdien niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet). Tevens schendt het de overige in dit onderdeel aangeduide wetsbepalingen door te oordelen dat de Vlaamse Gemeenschap voor de beurzen van 1993-1994 waarop de vordering van eerste verweerder betrekking heeft, niet als lastgever van het IWONL optrad wanneer het IWONL beurzen verleende met gelden ter beschikking gesteld door die Gemeenschap, en vervolgens besluit dat de verplichtingen verbonden aan het verlenen van beurzen niet waren overgegaan op die lastgever, hetgeen een schending inhoudt van de artikel 74, §3, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1993 en 19 en 20 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 26 januari
  7. Derde onderdeel Schending van artikel 74, §3, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1993, artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, de artikelen 1, 2de lid, 2, §3, 2bis, §2, 3 en 9, evenals artikel 2 van de bijlage 4 van het koninklijk besluit van 5 juni 1957 houdende omwerking van het statuut van het Instituut tot Aanmoediging van het Wetenschappelijk Onderzoek in Nijverheid en Landbouw, zoals gewijzigd en aangevuld bij koninklijk besluit nr. 86 van 11 november 1967 tot wijziging en aanvulling van het koninklijk besluit van 5 juni 1957 houdende omwerking van het statuut van het Instituut tot Aanmoediging van het Wetenschappelijk Onderzoek in Nijverheid en Landbouw, de artikelen 2 en 6 van het koninklijk besluit van 18 maart 1968 houdende uitvoeringsmaatregelen van artikel 2bis, §§

2 van het statuut van het Instituut tot Aanmoediging van het Wetenschappelijk Onderzoek in Nijverheid en Landbouw. Het bestreden arrest stelt vast dat het IWONL een instelling van openbaar nut is behorend tot klasse B krachtens de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, en als publiekrechtelijke rechtspersoon, "een organieke en technische autonomie" en een "eigen beslissingsrecht" geniet (arrest, p. 21). Verwijzend naar de bepalingen zoals aangehaald in dit onderdeel onderstreept het arrest de "autonomie" van het Instituut bij het vervullen van zijn functie van het verlenen van beurzen (arrest, p. 21) en tevens gelet op zijn financiering (arrest, p. 22, eerste alinea: "Met betrekking tot de financiering van het IWONL..."). Deze bestuurlijke autonomie van het Instituut doet evenwel geen afbreuk aan het gegeven dat het krachtens artikel 74, §3, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1993 als lasthebber van de Gemeenschappen optrad bij het verlenen van beurzen met financiële middelen die door de Gemeenschappen ter beschikking werden gesteld. Het bestreden arrest dat het bestaan van deze lastgeving en de daarmee samenhangende overdracht van schulden naar de gemeenschappen krachtens artikel 74, §3, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1993, verwerpt op grond van de in dit onderdeel aangehaalde wetsbepalingen en de bestuurlijke, organieke en technische autonomie die het Instituut op grond van deze bepalingen zou bezitten, verantwoordt derhalve zijn beslissing niet naar recht (schending van alle in het onderdeel aangehaalde wetsbepalingen). Vierde onderdeel Schending van artikel 74, §3, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1993 en van artikel 6bis, §

§2

, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 op de hervorming van de instellingen Krachtens artikel 6bis, §1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 op de hervorming van de instellingen zijn de Gemeenschappen en Gewesten bevoegd voor het wetenschappelijk onderzoek in het raam van hun respectieve bevoegdheden, met inbegrip van het onderzoek ter uitvoering van internationale of supranationale overeenkomsten of akten. De federale overheid is krachtens artikel 6bis, §2, 1°, bevoegd voor het wetenschappelijk onderzoek dat nodig is voor de uitoefening van haar eigen bevoegdheden, met inbegrip van het wetenschappelijk onderzoek ter uitvoering van internationale of supranationale overeenkomsten of akten. Deze bepalingen die handelen over de bevoegdheden van de onderscheiden overheden doen echter geen afbreuk aan artikel 74, §3, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1993 dat bepaalt dat naar aanleiding van de afschaffing van het Instituut tot aanmoediging van het wetenschappelijk onderzoek in nijverheid en landbouw de goederen, rechten en verplichtingen die voortvloeien uit het verlenen van beurzen door dit Instituut met financiële middelen ter beschikking gesteld door de Gemeenschappen en Gewesten naar die Gemeenschappen en Gewesten, als lastgevers, worden overgedragen. Het bestreden arrest dat op grond van de in dit onderdeel geviseerde bepalingen van de bijzondere wet op de hervorming van de instellingen oordeelt dat er geen lastgeving was en de eisers als rechtsopvolger van dit Instituut ook de schulden en verplichtingen dienen te dragen voor beurzen die waren toegekend met financiële middelen ter beschikking gesteld van de Gemeenschappen, verantwoordt derhalve zijn beslissing niet naar recht (schending van de in het onderdeel aangeduide wetsbepalingen). Vijfde onderdeel Schending van artikel 74, §3, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1993 en van artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek. Uit artikel 74, §3, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1993 volgt dat de goederen, rechten en verplichtingen die voortvloeiden uit het verlenen van toelagen of beurzen door het IWONL met financiële middelen die dit Instituut ter beschikking werden gesteld door de Gemeenschappen en Gewesten, aan die Gemeenschappen en Gewesten worden overgedragen. Hieruit volgt dat de instantie die de goederen verbonden aan dit beurzenstelsel ontvangt, tevens de lasten die hiermee verband houden moet dragen. Zoals de eerste eiser in zijn besluiten in beroep had laten gelden bleef na de afsluiting van de opdracht van het IWONL in verband met de toekenning van de specialisatiebeurzen nog een batig saldo van 29.221.227 BEF ter beschikking van de Vlaamse Gemeenschap en een saldo van 38.978.870 BEF ter beschikking van de Franse Gemeenschap dat door het IWONL aan de door deze Gemeenschappen aangeduide bestemmeling werd overgemaakt (besluiten in beroep, pp. 12-13, randnrs. 32 en 33). In zijn conclusie in antwoord, ontvangen ter griffie op 30 juni 2006, liet eerste eiser andermaal gelden dat deze gelden die door het IWONL aan de Gemeenschappen waren betaald, in de hypothese dat het IWONL de lasten van de loonmatigingsbijdrage zou moeten dragen, "niet konden beschouwd worden als saldi, die aan de Gemeenschappen moesten overgedragen worden, daar hiermee lasten moesten betaald worden, die inherent waren aan de toekenning van de specialisatiebeurzen. De betalingen van 29.221.227 BEF aan de Vlaamse Gemeenschap en van 38.978.870 BEF aan de Franse Gemeenschap zouden dan ook onverschuldigde betalingen uitmaken, die het IWONL zou kunnen terugvorderen - of het Ministerie van Economische Zaken dat volgens de Gemeenschappen deze schulden zou overgenomen hebben" (concl. in antwoord, p. 10, randnr. 25). In meer bijkomende orde vorderde eerste eiser dan ook in zijn gezamenlijke conclusie met het IWONL: "Voor zo veel zou vastgesteld worden dat de Vlaamse Gemeenschap en de Communauté Française niet in de rechten en de plichten getreden zijn van het I.W.O.N.L. wat betreft de uitkering van de specialisatiebeurzen en de daarmee verband houdende verplichtingen, de Vlaamse Gemeenschap veroordelen aan concluanten het bedrag van 29.221.227 BEF dat hen werd overgeschreven op 24.01.1995 terug te betalen; De Franse Gemeenschap te veroordelen het bedrag van 38.978.870 BEF dat betaald werd aan de Franse Gemeenschap terug te betalen; Dit alles te verhogen met de wettelijke intresten sedert de datum van de betaling" (dispositief van de conclusie in antwoord, p. 12). Ook in zijn conclusie in antwoord op het advies van het openbaar ministerie had de eerste eiser tesamen met het IWONL laten gelden dat door het IWONL "reserves (waren aangelegd) voor het geval dat de rechtbanken zouden beslissen dat de loonmatigingsbijdrage toch ten laste zou vallen van het IWONL" en dat dit "leidde tot de overdracht aan de Gemeenschappen van de gereserveerde bedragen: 29.212.227 BEF werd overgeschreven aan de Vlaamse Gemeenschap; 39.978.870 BEF werd overgeschreven aan de Franse Gemeenschap". Tevens merkte de eerste eiser op dat op de "ondergeschikte eis in terugbetaling van de aan de Gemeenschappen uitgekeerde gelden, (...) geen opmerkingen (werden) gemaakt in de besluiten van de Gemeenschappen" (conclusie eerste eiser gedateerd op 18 april 2007, p. 6, randnrs. 9 en 11). Steeds volgens de eerste eiser "(duidde) de briefwisseling die uitgewisseld werd tussen het IWONL en de Gemeenschappen (...) aan dat deze laatsten zouden instaan voor de gedingen met het R.S.Z. Hiertegen is geen enkel protest van de Gemeenschappen gekomen. Het geld werd aanvaard zonder dat enig bezwaar werd geuit tegen het overnemen van de verplichtingen van het IWONL in verband met de hangende procedures. Concluanten verwijzen hier naar documenten in verband met het IWONL en de Gemeenschappen vermeld in de inventaris bij de besluiten in beroep en ondermeer de stukken 13 tot 23" (ibidem). Het bestreden arrest verklaart de vordering van eerste verweerder jegens eerste eiser als rechtsopvolger van het IWONL ontvankelijk, doch laat na een uitspraak te doen over deze in zeer ondergeschikte orde ingestelde vordering van eerste eiser tot terugbetaling door de Gemeenschappen van de hen ten onrechte uitgekeerde batige saldi, in de hypothese dat eerste eiser als schuldenaar van de gevorderde sommen zou beschouwd worden. Door aldus na te laten een uitspraak te doen over een punt van de vordering, schendt het arrest artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek. In zoverre het arrest deze vordering impliciet verworpen zou hebben door te oordelen dat het "volkomen normaal is" dat "het ongebruikte bedrag aan subsidies dat niet werd aangewend voor het doel waarvoor ze werden toegekend aan de subsidiërende overheid wordt teruggestort", en dat het gegeven "dat na de ontbinding van het IWONL een positief saldo aan de Gemeenschappen werd teruggestort, (...) evenmin het bestaan van een lastgeving (aantoont)", schendt het arrest artikel 74, §3, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1993 door de goederen en rechten verbonden aan het beurzenstelsel ten gunste van de Gemeenschappen te laten en de verplichtingen die hieruit voortvloeien ten laste van eisers te leggen. 2. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 159 van de Grondwet; - artikel 38, §3bis, lid

lid 3, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, zoals ingevoegd bij koninklijk besluit nr. 401 van 18 april 1986 en artikel 3bis, lid 1, zoals vervangen bij artikel 12, §1, A, van de wet van 30 december 1988, B.S., 5 januari 1989 en artikel 3bis, lid 3, zoals vervangen bij artikel 13 van diezelfde wet, hierna afgekort: de algemene beginselenwet sociale zekerheid); - artikel 1, §1, eerste lid en tweede lid, b), en artikel 2, §1, 1°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (hierna afgekort: de RSZ-wet); artikel 15, 1° van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (hierna afgekort: het RSZ-besluit). Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eerste verweerder gegrond en veroordeelt de eisers tot betaling van de loonmatigingsbijdragen, verhoogd met bijdrage-opslagen en intresten, zoals gevorderd door verweerder voor de door het IWONL aan bursalen toegekende beurzen. Deze beslissing steunt op de hiernavolgende overwegingen: "Bij artikel 15, 1°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969, heeft de Koning gebruik makend van de bevoegdheid die hem daartoe in artikel 2, §1, van de RSZ-wet van 27 juni 1969 werd verleend, het toepassingsgebied van die wet uitgebreid tot het IWONL en de begunstigden van een specialisatiebeurs, een navorsingsbeurs of een reisbeurs, toegekend door dit instituut, tenzij zij reeds onderworpen zijn uit hoofde van een andere beroepsactiviteit. Op de bursalen is de volledige sociale zekerheidsregeling der werknemers van toepassing, nu geen enkele beperking werd voorzien" (arrest, p. 25). Bij artikel 15 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 werd de toepassing van de sociale zekerheidswet en dus de sociale zekerheidsregeling der werknemers uitgebreid tot het IWONL en de bursalen aan wie deze instelling beurzen toekende waarbij het IWONL als werkgever wordt aangewezen (voor de toepassing van die regeling). Volgens de Belgische Staat werd daarmee enkel beoogd aan de bursalen de sociale bescherming en de voordelen van de sociale zekerheidsregeling te verlenen zonder dat zij zouden gehouden zijn tot de verplichtingen ervan. Geen enkele wettekst onderbouwt deze redenering. Artikel 2, §1, 1° RSZ-wet bepaalt enkel dat de Koning de toepassing van de RSZ-wet kan uitbreiden onder de voorwaarden die hij bepaalt. Artikel 15 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 heeft de toepassing van die wet uitgebreid tot het IWONL en haar bursalen en bevat verder geen bijzondere voorwaarden. De algemene beginselenwet, meer bepaald de daarin voorziene bijdrageregeling is op diezelfde categorieën van toepassing bij gebreke aan andersluidende uitvoeringsbesluiten. De redenering van (de eisers en het IWONL) is overigens niet in overeenstemming met de handelwijze van het IWONL die de normale sociale zekerheidsbijdragen voor die bursalen heeft betaald. Hun houding is derhalve weinig consequent. Artikel 2 van de RSZ-wet van 27 juni 1969 heeft de Koning de bevoegdheid verleend het toepassingsgebied van de wet uit te breiden tot de personen die zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, tegen loon arbeidsprestaties verrichten of die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst. De tussenkomst van de Koning veronderstelt dus reeds dat er tussen de betrokkenen geen arbeidsovereenkomst bestaat. (...) Bovendien worden de door het koninklijk besluit aangewezen personen indien ze beantwoorden aan de in het KB bepaalde voorwaarden, geacht tegen loon arbeid onder het gezag van een ander persoon te verrichten of die arbeid te verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst (...) Het door artikel 2, §2, RSZ-wet en artikel 3 RSZ-besluit ingestelde wettelijke vermoeden met betrekking tot het werken in gelijkaardige omstandigheden als bij een arbeidsovereenkomst wordt als een onweerlegbaar vermoeden beschouwd (...) Dat het om een werkelijk vermoeden gaat kan worden afgeleid uit artikel 3, §1, lid 3, van koninklijk besluit nr. 38 houdende het sociaal statuut der Zelfstandigen waar "voor de toepassing van artikel 3, §1, een beroepsbezigheid geacht wordt uitgeoefend te zijn krachtens een arbeidsovereenkomst, wanneer de belanghebbende voor de toepassing van één van de stelsels inzake de maatschappelijke zekerheid der loontrekkenden vermoed wordt uit dien hoofde door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, waarmee de in artikel 2, §1, RSZ-wet vervatte uitbreiding tot arbeid in gelijkaardige voorwaarden van een arbeidsovereenkomst wordt bedoeld, zoals blijkt uit het verslag aan de Koning bij koninklijk besluit nr. 74 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 (...). Het instellen van zulk vermoeden houdt verband met het openbare orde karakter van de sociale zekerheid en de beschermende aard ervan. De in artikel 2, §1, van de RSZ-wet aan de Koning verleende bevoegdheid, beoogde de uitbreiding van het toepassingsgebied tot personen die in sociaal economisch opzicht in eenzelfde toestand verkeren als werknemers doch waarvan de gezagsrelatie moeilijk kan worden aangetoond (...) Het Hof van Cassatie overwoog reeds dat de voorwaarden (gelijkaardige omstandigheden als die van een arbeidsovereenkomst) niet op die wijze mogen worden geïnterpreteerd dat onder het mom van interpretatie opnieuw de eis van juridische ondergeschiktheid wordt binnengeloodst (...). De Koning heeft hierover een eigen appreciatiebevoegdheid. Met betrekking tot het door de Belgische Staat ingeroepen middel van bevoegdheidsoverschrijding door de Koning dient het Hof toch vast te stellen dat de bursalen van het IWONL voor hun onderzoek en om in hun levensonderhoud te voorzien afhankelijk zijn van de door het IWONL uitbetaalde beurs waarvan het bedrag eenzijdig wordt vastgesteld door het IWONL, evenals de betalings- en eventuele terugbetalings-modaliteiten, dat het IWONL eveneens de wijze bepaalt waarop de kandidaturen moeten gesteld worden (...). Het IWONL bepaalt welke kandidaten het aanvaardt en het onderwerp van het onderzoek zal vanzelfsprekend dienen te kaderen in het activiteitsveld van het IWONL, zoals omschreven in het doel van die Instelling. Het (arbeidshof) meent dat derhalve niet wordt aangetoond dat die bursalen zich kennelijk niet in een socio-economische afhankelijkheidspositie bevinden gelijkaardig aan die van een arbeidsovereenkomst, en derhalve evenmin een bevoegdheidsoverschrijding wordt aangetoond. Het IWONL heeft bovendien de gewone sociale zekerheidsbijdragen betaald die op de bursalen betrekking hadden zonder aan te voeren dat de wettelijke voorwaarden daartoe niet waren vervuld. Aangezien zowel artikel 38, §

2 als §3, van de algemene beginselenwet van "werknemers" spreken, is de 3de § van toepassing op de bursalen in dezelfde mate als de

2de § die op de gewone bijdragen betrekking hebben. Er dient besloten te worden dat de bursalen en het IWONL onder de toepassing vallen van de wetgeving op de sociale zekerheid der werknemers en dat de bijdrageregeling op hen van toepassing is met inbegrip van de loonmatigingsbijdrage. Het is trouwens logisch dat het genot van de voordelen van het stelsel gepaard gaat met betaling van bijdragen ter financiering ervan waarbij er aan herinnerd dient te worden dat de algemene beginselenwet o.m. een sanering van het stelsel beoogde. De bijdragen dienen betaald te worden door het IWONL en na haar vereffening door de Belgische Staat zoals hierboven aangetoond" (arrest, pp. 28-31). Grieven Eerste onderdeel Schending van artikel 159 van de Grondwet, 38, §3bis, eerste en derde lid, van de algemene beginselenwet sociale zekerheid, 1, §1, tweede lid, 1°, b), en 2, § 1, 1°, van de RSZ-wet en 15, 1°, van het RSZ-besluit. Krachtens artikel 38, §3bis, lid

lid 3, van de algemene beginselenwet sociale zekerheid is de loonmatigingsbijdrage verschuldigd "door elke werkgever met betrekking tot de werknemers op wie één van de onder §2, 1° tot 4°, vermelde bijdragen van toepassing is, (...)". Aldus is deze bijdrage in de regel verschuldigd voor alle werknemers, die op enige manier, zij het slechts voor één enkele sector onder de sociale zekerheid van de werknemers vallen. Artikel 1, §1, tweede lid, 1°, b), bepaalt dat voor de toepassing van deze wet, die in de regel van toepassing is op werknemers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden (artikel 1, §1, eerste lid), met werknemers worden gelijkgesteld de personen tot wie de Koning deze toepassing in uitvoering van artikel 2, §1, 1°, uitbreidt. Krachtens artikel 2, §1, 1°, van de RSZ-wet kan de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, onder de voorwaarden die hij bepaalt, de toepassing van deze wet uitbreiden tot de personen die, zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, tegen loon arbeidsprestaties onder het gezag van een ander persoon verrichten of die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden, als die van een arbeidsovereenkomst; alsdan wijst de Koning de persoon aan die als werkgever wordt beschouwd. Bij artikel 15, 1°, van het RSZ-besluit werd de toepassing van de RSZ-wet verruimd tot het Instituut tot aanmoediging van het wetenschappelijk onderzoek in de nijverheid en landbouw alsmede tot de gerechtigden op een specialisatiebeurs, een onderzoekingsbeurs of een reisbeurs toegekend door dit Instituut, tenzij de wet op deze gerechtigden van toepassing is ingevolge een andere beroepsactiviteit. Aangezien artikel 15, 1°, van het RSZ-besluit aldus uitdrukkelijk bepaalt dat de RSZ-wet enkel tot de bursalen wordt uitgebreid indien zij niet reeds ingevolge een andere beroepsactiviteit aan deze wet onderworpen zijn, beoogde de Koning hiermee louter de sociale bescherming van de RSZ-wet aan de bursalen toe te kennen die niet reeds op grond van een andere beroepsactiviteit van de voordelen van de sociale zekerheid konden genieten. Deze uitbreiding van de RSZ-wet op grond van artikel 15, 1°, van het RSZ-besluit is enkel rechtsgeldig zo de Koning zijn bevoegdheid op grond van artikel 2, §1, 1°, van de RSZ-wet niet overschreden heeft. Krachtens artikel 159 van de Grondwet passen de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe, in zover ze met de wetten overeenstemmen. Zoals hiervoor aangegeven kan de Koning het toepassingsgebied van de RSZ-wet enkel uitbreiden voor zover de betrokken personen, indien zij, zo zij niet beantwoorden aan de voorwaarde van tegen loon arbeidsprestaties te verrichten zonder een arbeidsovereenkomst, dan toch ten minste "een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst". Zelfs indien deze vereiste geenszins in die zin geïnterpreteerd mag worden dat het bewijs van een juridische ondergeschiktheid wordt aangetoond, zoals het arrest overweegt (p. 30), dan nog houdt deze vereiste alleszins in dat de bevoegdheid van de Koning om het toepassingsgebeid uit te breiden, hoe dan ook beperkt is tot situaties die op zijn minst "een gelijkenis" vertonen met die van een arbeidsovereenkomst, bijvoorbeeld doordat de werknemer rekenschap moet afleggen over zijn werk en hij als tegenprestatie voor dit werk een vergoeding ontvangt, zelfs indien hij daarbij niet onder het gezag van zijn werkgever arbeidt. Bij hun oordeel of de voorgelegde feitelijke gegevens in hun geheel en in hun onderling verband genomen bewijzen dat de betrokkenen arbeid verrichten in "gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst" mogen de arbeidsgerechten geen rekening houden met gegevens die vreemd zijn aan de voorwaarden en omstandigheden waarin de arbeid wordt verricht. Het bestreden arrest oordeelt dat de bursalen zich in een toestand gelijkaardig aan die van een arbeidsovereenkomst bevinden en dat bevoegdheidsoverschrijding niet wordt aangetoond op grond van de overwegingen dat zij "voor hun onderzoek en om in hun levensonderhoud te voorzien afhankelijk zijn van de door het IWONL uitbetaalde beurs waarvan het bedrag eenzijdig wordt vastgesteld door het IWONL, evenals de betalings- en eventuele terugbetalingsmodaliteiten, dat het IWONL eveneens de wijze bepaalt waarop de kandidaturen moeten gesteld worden (...). Het IWONL bepaalt welke kandidaten het aanvaardt en het onderwerp van het onderzoek zal vanzelfsprekend dienen te kaderen in het activiteitsveld van het IWONL, zoals omschreven in het doel van die Instelling. Het (arbeidshof) meent dat derhalve niet wordt aangetoond dat die bursalen zich kennelijk niet in een socio-economische afhankelijkheidspositie bevinden gelijkaardig aan die van een arbeidsovereenkomst, ..."(arrest, p. 30). Het gegeven dat het bedrag van de beurzen eenzijdig door het Instituut worden vastgelegd, dat bij het bekomen van een beurs een bepaalde procedure moet worden gevolgd inzake kandidaturen, dat het onderwerp van het onderzoek dient te kaderen in het activiteitsveld van het Instituut zijn evenwel gegevens die niet aantonen onder welke "voorwaarden en omstandigheden de ‘arbeid' door de bursaal wordt verricht" en tonen derhalve, noch afzonderlijk, noch in hun samenhang beschouwd aan dat de bursalen "arbeiden" in omstandigheden welke "gelijkenis" vertonen met die waaronder arbeid in ondergeschiktheid wordt verricht. Op grond van de aangehaalde overwegingen, die vreemd zijn aan de voorwaarden en omstandigheden waarin de bursaal effectief zijn "arbeid" verricht, vermocht het arrest derhalve niet wettig te besluiten dat het artikel 15, 1°, van het RSZ-besluit getroffen was in overeenstemming met artikel 2, §1, 1°, van de RSZ-wet, zodat het arrest, door een toepassing te maken van dit onwettig besluit, een schending inhoudt van artikel 159 van de Grondwet en 2, §1, 1°, van de RSZ-wet. Door op deze onwettige grondslag te oordelen dat de loonmatigingsbijdragen verschuldigd waren voor bursalen die niet "arbeiden" onder gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst, schendt het tevens alle andere in dit onderdeel geviseerde wetsbepalingen. Tweede onderdeel Schending van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 38, §3, eerste en derde lid, van de algemene beginselenwet sociale zekerheid. Zoals eerste eiser in conclusie had laten gelden (besluiten in beroep, p. 7-9, nrs. 20-24) en door het arrest eveneens wordt vastgesteld, is de loonmatigingsbijdrage die bij het koninklijk besluit nr. 401 van 18 april 1986 werd ingesteld en thans vervat ligt in artikel 38, §3, van de algemene beginselenwet sociale zekerheid "een voorzetting van de reeds bestaande loonmatiging georganiseerd bij koninklijk besluit nr. 278 van 30-3-84" (arrest, p. 25). Doordat in de jaren 1984, 1985 en 1986 telkens een indexaanpassing was overgeslagen, ingevolge de economische crisis, wenste de overheid dat de werkgevers het voordeel dat hieraan verbonden was door zouden storten aan de RSZ met de bedoeling de last van de overheid voor de sociale zekerheid te verminderen, hetgeen resulteerde in het bovenvermeld koninklijk besluit nr.

  1. Zoals eerste eiser in zijn conclusie in antwoord had laten gelden, was het IWONL er niet toe gehouden deze bijzondere bijdragen op grond van het koninklijk besluit nr. 401, die hun oorsprong vonden in een voordeel dat de werkgevers genoten en die een voorzetting waren van het koninklijk besluit nr. 278, te betalen. Volgens eerste eiser "bleef het IWONL aan zijn stelling vasthouden dat bursalen geen werknemers zijn en dat het IWONL niet als een werkgever kan beschouwd worden" (besluiten in beroep, p. 9, nr. 24) en kon het IWONL "deze bijkomende lasten niet aanvaarden des te meer omdat de beurzen niet gebonden waren aan indexverhogingen die aanleiding gaven tot de loonmatigingsbijdragen. Het bedrag van de beurzen werd bepaald in functie van de ter beschikking gestelde kredieten, die niet geïndexeerd waren en die vastgesteld werden door de Gemeenschappen in functie van hun budgetaire mogelijkheden" (conclusie in antwoord, p. 5). Tevens liet eerste eiser in zijn besluiten in beroep (p. 9-10, nrs. 25-26) gelden dat het koninklijk besluit nr. 501 van 31 december 1986 tot wijziging van artikel 38 van de wet van 19 juni 1091 een aantal groepen uitdrukkelijk had uitgesloten van de toepassing van de loonmatigingsbijdrage:" - leerlingen die uitsluitend onderworpen zijn aan de regeling der jaarlijkse vakanties - de dienstboden - de deeltijdse leerplichtigen - de betaalde sportbeoefenaars - de werknemers bezoldigd met fooien of bedieningsgeld en die met een forfaitair loon aan de R.S.Z. aangegeven worden - de zeevissers - de taxichauffeurs voor personenvervoer - de mindervaliden tewerkgesteld in bijzondere werkplaatsen Op deze wijze werd een groot deel van de toestanden, die onder de uitbreiding van het sociaal zekerheidsstelsel vielen, van de matigingsbijdrage vrijgesteld. Opmerkelijk is dat het hier gaat om toestanden waar de criteria voor uitbreiding van de wetgeving wel degelijk aanwezig waren. Het gaat telkens om personen die onder gezag en toezicht arbeidsprestaties leveren en loon ontvangen en die bijgevolg terecht konden gelijkgesteld worden met werknemers. Dit gebeurde niet voor de drie gevallen waarop artikel 15 van het koninklijk besluit van 29 november 1969 sociale zekerheid toepasselijk maakte om hen een sociale bescherming te verlenen zonder dat kon vastgesteld worden dat het ging om personen die onder gezag of toezicht van de aangeduide werkgever prestaties leverden. Het gaat telkens om beurzen die met dotaties van de openbare overheid worden toegekend en worden uitbetaald, en die aldus moeten vooraf afgenomen worden van de globale dotaties waarvan de evolutie niet geïndexeerd is. Het feit dat juist deze toestanden niet uitdrukkelijk vrijgesteld werden van de toepassing van de loonmatigingsbijdragen duidt aan dat het koninklijk besluit nr. 401 de loonmatigingsbijdragen op deze toestanden niet toepasselijk had gemaakt." Dit middel werd andermaal uiteengezet onder randnr. 2 van pagina 3 van de conclusie van eerste eiser in antwoord op het advies van het openbaar ministerie. Het arrest antwoordt niet op deze specifieke middelen, gesteund op het specifiek karakter van het beurzenstelsel en de afwezigheid van de hoedanigheid van werkgever enerzijds, en het gegeven dat de wetgever het niet nodig had geacht om de bursalen van de toepassing van de loonmatigingsbijdrage uitdrukkelijk uit te sluiten omdat hij van oordeel was dat de loonmatiging hoe dan ook niet toepasselijk was op deze bursalen anderzijds, en is mitsdien niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet). Door te oordelen dat het Instituut als "werkgever" van de bursalen ertoe gehouden is de loonmatigingsbijdragen te betalen, daar waar dezen hun wettelijke grondslag vinden in een voordeel dat werkgevers genoten ingevolge indexsprongen en de beurzen die het Instituut toekende niet gebonden waren aan indexverhogingen en het Instituut niet als "werkgever" van de bursalen kan beschouwd worden, noch de bursalen als "werknemers" van het Instituut, schendt het arrest artikel 38, §3, eerste en derde lid, van de algemene beginselenwet sociale zekerheid. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Ontvankelijkheid van het middel
  2. De tweede verweerster voert een grond van niet-ontvankelijkheid van het middel aan: het middel kan niet leiden tot de cassatie van de beslissing op de vordering in tussenkomst en vrijwaring die de eisers tegen de tweede verweerster hebben ingesteld, zodat het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is in zoverre tegen die beslissing gericht.
  3. De aangevoerde grond van niet-ontvankelijkheid vraagt van het Hof om in de beoordeling van de zaak zelf te treden, waarvoor het niet bevoegd is. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Eerste onderdeel
  4. Overeenkomstig artikel 1 van het Statuut van het Instituut tot Aanmoediging van het Wetenschappelijk Onderzoek in Nijverheid en Landbouw (IWONL), gevoegd bij het koninklijk besluit van 5 juni 1957 houdende omwerking van het statuut van het IWONL, aangevuld en gewijzigd door het koninklijk besluit nr. 86 van 11 november 1967, wordt een openbare instelling opgericht, genaamd Instituut tot Aanmoediging van het Wetenschappelijk Onderzoek in Nijverheid en Landbouw, dat zich tot doel stelt alle wetenschappelijk en technisch onderzoek, waarbij de vooruitgang van nijverheid en landbouw gebaat wordt, door middel van toelagen, uit te lokken, te bevorderen en aan te moedigen. Artikel 9, §1, van het voormelde statuut bepaalt dat het Instituut onder de controle staat van de Minister van Economische Zaken en van de Minister van Landbouw. Krachtens artikel 2bis, §2, van het voormelde statuut, kan het Instituut beurzen en mandaten voor onderzoek verlenen, binnen de perken van de begroting en onder de door de Koning bepaalde voorwaarden. Overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 maart 1968 houdende uitvoeringsmaatregelen van artikel 2bis, §

§2

, van zijn statuut, kent het IWONL specialisatiebeurzen, navorsingsbeurzen en reisbeurzen toe, met als uitsluitend doel mee te werken aan de vorming van in de nijverheids- of landbouwtechnologie gespecialiseerde navorsers. De beurzen worden toegekend door het Bureau van de Beheerraad van het IWONL.

  1. Uit deze bepalingen volgt dat de toekenning van beurzen voor wetenschappelijk en technisch onderzoek binnen de statutaire opdracht van het IWONL valt, die het Instituut autonoom, zij het onder controle van de bevoegde minister, uitoefent.
  2. Krachtens artikel 74, §1, van de wet van 6 augustus 1993 houdende sociale en diverse bepalingen, wordt het IWONL afgeschaft op de datum, vast te stellen door de Koning bij in ministerraad overlegd besluit. Krachtens artikel 74, §3, eerste lid, van dezelfde wet, regelt de Koning, met het oog op de in §1 bedoelde afschaffing, bij in ministerraad overlegde besluiten, de overdracht van de opdrachten, goederen, rechten en verplichtingen van het Instituut naar de diensten die Hij aanwijst.
  3. Ter uitvoering van de laatstgenoemde bepaling, regelt het koninklijk besluit van 19 december 1995 de ontbinding van het IWONL en de overdracht van zijn opdrachten, goederen, rechten en verplichtingen. Overeenkomstig artikel 4 van dit koninklijk besluit worden de personeelsschulden overgedragen aan het Ministerie van Economische Zaken en het Ministerie van Middenstand en Landbouw, de Departementen genoemd, volgens de overgedragen personeelsleden; de overige schulden worden aan de Departementen overgedragen volgens de hiermee verband houdende opdracht. Overeenkomstig artikel 6 van dit koninklijk besluit worden de goederen, rechten en verplichtingen, niet toegekend krachtens de artikelen 4 en 5 aan de Departementen, overgedragen volgens een inventaris opgesteld door de Raad van Bestuur.
  4. Artikel 74, §3, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1993 houdende sociale en diverse bepalingen bepaalt dat in de gevallen waarin het Instituut opdrachten als lasthebber van een Gemeenschap of Gewest heeft uitgevoerd, die opdrachten en de daarbij horende goederen, rechten en verplichtingen overgedragen worden aan de respectieve lastgevers op een datum overeen te komen tussen het Instituut en elke betrokken lastgever. Volgens het derde en vierde lid van diezelfde bepaling zal de overdracht van rechtswege geschieden indien ze niet is gebeurd vóór de datum van inwerkingtreding van het in §1 bedoelde koninklijk besluit. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met opdrachten die het Instituut als ‘lasthebber' van een Gemeenschap of Gewest heeft uitgevoerd, worden bedoeld: de statutaire opdrachten, zoals het verlenen van toelagen of beurzen, die het Instituut na de regionalisering van het wetenschapsbeleid en het technologiebeleid verder heeft uitgevoerd met betrekking tot wetenschappelijk onderzoek in aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de Gemeenschappen of Gewesten behoren, en dit met financiële middelen ter beschikking gesteld door de Gemeenschappen en Gewesten. Met lastgeving heeft de wetgever aldus een bevoegdheidsdelegatie bedoeld.
  5. Het arrest stelt vooreerst vast dat het IWONL overeenkomstig zijn statuut specialisatiebeurzen toekende, waarop het socialezekerheidsbijdragen betaalde, en daarvoor eveneens jaarlijkse toelagen ontving van de Vlaamse en Franse Gemeenschappen. Het stelt verder vast dat de vordering van de eerste verweerder betrekking heeft op de loonmatigingsbijdragen die het IWONL volgens de eerste verweerder verschuldigd was voor zijn bursalen. Het arrest oordeelt dat uit de omstandigheid dat de Gemeenschappen aan het IWONL jaarlijkse toelagen toekenden voor de uitbetaling van beurzen, geen lastgeving kan worden afgeleid en niet is aangetoond dat de Gemeenschappen het IWONL ermee zouden gelast hebben om in hun naam en voor hun rekening bepaalde beurzen toe te kennen. Het oordeelt verder dat mocht het IWONL nog een schuld hebben ten aanzien van de RSZ, deze krachtens het koninklijk besluit van 19 december 1995 werd overgedragen aan de Belgische Staat, enige rechtsopvolger, en niet aan de Gemeenschappen.
  6. Door aldus te oordelen dat ook de verplichtingen, verbonden aan beurzen die het IWONL met financiële middelen van de Gemeenschappen heeft toegekend voor wetenschappelijk onderzoek in aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de Gemeenschappen behoren, aan de Belgische Staat werden overgedragen, schendt het arrest de artikelen 74, §3, eerste en tweede lid, van de wet van 6 augustus 1993 en 1, 2, 3, 4 en 6 van het koninklijk besluit van 19 december
  7. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven
  8. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Omvang van de cassatie
  9. De vernietiging van de beslissingen dat de hoofdvordering van de eerste verweerder tegen de eisers ontvankelijk en gegrond is en de vordering in tussenkomst en vrijwaring van de eisers tegen de tweede en derde verweersters ongegrond is, brengt de vernietiging mee van de beslissing op de tussenvordering van de eerste verweerder tegen de tweede en derde verweerster, gelet op het nauw verband tussen die beslissingen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behoudens in zoverre het zaken samenvoegt en het hoger beroep van de eerste verweerder ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 5 oktober 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091005.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.