id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091005.4 Rolnummer: S.08.0075.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Burgerlijk recht - Sociale-zekerheidsrecht - Overige Invoerdatum: 2009-10-28 Raadplegingen: 357 - laatst gezien 2026-07-02 21:54 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het begrip "jaarlijkse vakantie" zoals bedoeld in artikel 28, 1° van de Arbeidsovereenkomstenwet heeft een ruime betekenis en omvat niet alleen de vakantie die wordt toegekend krachtens de Vakantiewet maar ook de bijkomende vakantie die wordt verleend door een collectieve of individuele arbeidsovereenkomst of door een beslissing van de werkgever
(1).
(1)Zie Cass., 7 jan. 1985, A.C., 1984-85, nr 265 met generaal H. Lenaerts. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - SCHORSING VAN DE OVEREENKOMST UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Bewijskracht (miskenning van -) SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Scheepsdienst SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Algemeen - Betaling Vrije woorden: Jaarlijkse vakantie Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Art. 28, 1° Fiche 2 Uit de artikelen 28, 1°, 38, §§ 1 en 2 en 38bis van de Arbeidsovereenkomstenwet volgt dat inhaalverlofdagen, andere dan de dagen inhaalrust die bij toepassing van artikel 26bis van de Arbeidswet worden toegekend, de opzeggingstermijn slechts schorsen indien zij begrepen zijn in de jaarlijkse vakantie bedoeld in artikel 28, 1° van de arbeidsovereenkomstenwet. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzegging UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Bewijskracht (miskenning van -) SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Scheepsdienst SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Algemeen - Betaling Vrije woorden: Schorsing van de opzeggingstermijn - Jaarlijkse vakantie - Inhaalverlofdagen Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Artt. 28, 1°, 38, §§ 1 en 2, en 38bis Fiches 3 - 5 Voor zover zij de bewijskracht van de akte niet miskent, is de uitlegging die de feitenrechter geeft van een niet algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst in cassatie onaantastbaar, zodat het middel dat zulke miskenning niet aanvoert, in zoverre niet ontvankelijk is
(1).
(1)Cass., 21 dec. 1981, A.C., 1981-1982, nr 262. Thesaurus CAS: COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Bewijskracht (miskenning van -) SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Scheepsdienst SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Algemeen - Betaling Vrije woorden: Niet algemeen verbindend verklaard - Uitlegging door de feitenrechter - Cassatiemiddel - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1080 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Bewijskracht (miskenning van -) SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Scheepsdienst SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Algemeen - Betaling Vrije woorden: Collectieve arbeidsovereenkomst - Niet algemeen verbindend verklaard - Uitlegging door de feitenrechter - Cassatiemiddel - Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1080 Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Geschriften - Bewijskracht UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Bewijskracht (miskenning van -) SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Scheepsdienst SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Pensioen - Algemeen - Betaling Vrije woorden: Niet algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst - Uitlegging door de feitenrechter - Ontvankelijkheid van het cassatiemiddel Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1080 Tekst van de beslissing Nr. S.08.0075.N ZENITEL, naamloze vennootschap, met zetel te 1731 Zellik, Pontbeek 63, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 523, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen W.K., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 14 november 2006 gewezen door het arbeidshof te Brussel. Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 38, inzonderheid §2, lid 2, en artikel 28, 1°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Aangevochten beslissing De appelrechters verklaren het hoger beroep van de verweerder gedeeltelijk gegrond en beslissen dat de verweerder gerechtigd is op een aanvullende opzeggingsvergoeding op basis van de volgende motieven, na de stelling van verweerder te hebben beschreven, de inhoud van artikel 38, §2, van de Arbeidsovereenkomstenwet te hebben aangehaald en te hebben beslist dat deze opsomming van wettelijke schorsingsgronden limitatief is: "Het gaat er (de verweerder) bijgevolg niet om de limitatieve wettelijke schorsings-gronden van de opzeggingstermijn te willen uitbreiden maar wel om de toepasselijkheid in huidig geschil van de door de rechtspraak gegeven ruime interpretatie aan het begrip ‘jaarlijkse vakantie' met verwijzing naar het Cassatiearrest van 07.01.1985, R. W. 1984-85, 2204 met conclusie van Adv.-gen. Lenaerts, H. Zo ook trouwens stelt het Hof van Cassatie in zijn arrest van 10 juni 1985 (R. W. 1985-1986, 1574-1575) duidelijk dat de ‘bijkomende verlofdagen', om te kunnen vallen onder het begrip ‘jaarlijkse vakantie', moeten worden verleend om het aantal jaarlijkse vakantiedagen te verhogen. Het Hof van Cassatie kwam tot deze beoordeling op grond van een conclusie van Advocaat-generaal Lenaerts die stelt dat ‘naar zijn mening ‘vakantie' in de besproken bepaling een ruime betekenis heeft en niet alleen de vakantie omvat die wordt toegekend door de Vakantiewet, maar evenzeer de bijkomende vakantie die wordt verleend door een collectieve of een individuele arbeidsovereenkomst of door een beslissing van de werkgever, zoals dit in casu het geval is. (De verweerder) steunt zich hiervoor terecht op artikel 22 van de voormelde CAO van 1948 dat luidt als volgt: ‘voor iedere zon- en feestdag doorgebracht op zee (daarin begrepen de zon- en feestdagen van de aankomst en vertrek) zal de volgende compensatie worden verleend:
- a)een halve bijkomende verlofdag, te voegen bij het jaarlijkse verlof voorzien in artikel 23, aan al diegenen die onder toepassing van het driewachtenstelsel vallen;
- b)een volle bijkomende verlofdag, te voegen bij het jaarlijks verlof voorzien in artikel 23, aan diegenen die regelmatig onder toepassing van het tweewachtenstelsel vallen'. Uit dit artikel 22 van de CAO blijkt immers dat partijen uitdrukkelijk overeenkwamen dat als compensatie voor iedere zon- en feestdag doorgebracht op zee een halve of volle bijkomende vakantiedag wordt verleend te voegen bij de jaarlijkse vakantie, of werd in concreto overeengekomen dat de toegekende jaarlijkse vakantie a rato van 1 dag vakantie per 20 dagen dienst (artikel 23 CAO 1948) verlengd wordt met de compensatiedagen toegekend op grond van artikel 22 van deze CAO. Kwestieuze compensatiedagen maken zodoende als bijkomende vakantie wel degelijk deel uit van het begrip ‘jaarlijkse vakantie' in de zin van artikel 28, 1°, AOW, in welke bijkomende mate de schorsing van de opzeggingstermijn van artikel 38 AOW zal worden verlengd Bovendien is het zo dat (de eiseres) in syntheseconconclusie na heropening der debatten (p.10) tenslotte zelf uitdrukkelijk stelt dat de radio-officieren tijdens de periodes van aanmonstering 7 dagen op 7 dienden te werken, zon- en feestdagen inbegrepen, waaruit zij echter, gezien hetgeen voorafgaat, de verkeerde conclusies trekt." Grieven Krachtens artikel 38 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, in het bijzonder §2, lid 2, houdt, bij opzegging gedaan door de werkgever, de opzeggingstermijn slechts op te lopen tijdens de gevallen van schorsing als bedoeld in de artikelen 28, 1°, 2° en 5°, 29 en 31 van dezelfde wet. Aldus wordt de opzeggingstermijn onder meer geschorst tijdens de dagen waarop de onderneming wegens jaarlijkse vakantie is gesloten alsook de dagen waarop de werknemer buiten die periode jaarlijkse vakantie neemt, zoals bedoeld in voormeld artikel 28, 1°. Verlofdagen kunnen dus de opzeggingstermijn (alleen) schorsen indien zij begrepen zijn in de vakantie in de zin van artikel 28, 1°, dit wil zeggen dat de verlofdagen toegekend worden om het aantal jaarlijkse vakantiedagen te verhogen. Te dezen stellen de appelrechters vast dat de door verweerder genoten compensatiedagen werden toegekend "als compensatie voor iedere zon- en feestdag doorgebracht op zee" in die zin dat wordt toegekend "
- a)een halve bijkomende verlofdag, te voegen bij het jaarlijkse verlof voorzien in artikel 23, aan al diegenen die onder toepassing van het driewachtenstelsel vallen;
- b)een volle bijkomende verlofdag, te voegen bij het jaarlijks verlof voorzien in artikel 23, aan diegenen die regelmatig onder toepassing van het tweewachtenstelsel vallen". Uit de eigen vaststellingen van de appelrechters en de door hen aangehaalde collectieve overeenkomst blijkt dus dat de litigieuze compensatiedagen niet als doel hebben het aantal jaarlijkse wettelijke vakantiedagen te verhogen van de betrokken werknemers (waaronder verweerder), doch dat deze compensatiedagen toegekend worden om het werk te compenseren dat gepresteerd wordt in bepaalde omstandigheden, met name op zee, op zon- en feestdagen en dat deze compensatiedagen enkel worden toegekend aan diegenen die de betrokken prestaties verricht hebben en in de mate dat zij deze verricht hebben. Uit de door hen gedane vaststellingen konden de appelrechters derhalve niet wettig afleiden dat deze compensatiedagen als bijkomende "vakantie" deel uitmaken van het begrip "jaarlijkse vakantie" in de zin van genoemd artikel 28, 1°, van de wet van 3 juli 1978 en beslissen zij eveneens op onwettige wijze dat de door de eiseres ter kennis gebrachte opzeggingstermijn door deze compensatiedagen geschorst werd (schending van artikel 28, 1°, en 38, §2, lid 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). Uit de vaststelling van de appelrechters dat in de door hen toepasselijk geacht collectieve arbeidsovereenkomst partijen uitdrukkelijk overeenkwamen dat deze compensatiedagen "te voegen zijn bij de jaarlijkse vakantie", vermochten de appelrechters niet wettig af te leiden dat de betrokken compensatiedagen daardoor deel uitmaken van het begrip "jaarlijkse vakantie" in de zin van genoemd artikel 28, 1° (schending van artikel 28, 1°, en 38, §2, lid 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Krachtens de artikelen 38, §1 en §2, en 38bis van de Arbeidsovereen-komstenwet, houdt de opzeggingstermijn, bij opzegging gedaan door de werkgever, slechts op te lopen tijdens de gevallen van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, vermeld in de artikelen 28, 1°, 2° en 5°, 29 en 31 van die wet en gedurende de dagen inhaalrust die bij toepassing van artikel 26bis van de Arbeidswet van 16 maart 1971 worden toegekend. Krachtens artikel 28, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet, wordt de uitvoering van de arbeidsovereenkomst geschorst gedurende de dagen waarop de onderneming wegens jaarlijkse vakantie is gesloten, alsook gedurende de dagen waarop de werknemer buiten die periode jaarlijkse vakantie neemt. Het begrip "jaarlijkse vakantie" zoals bedoeld in artikel 28, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet heeft een ruime betekenis en omvat niet alleen de vakantie die wordt toegekend krachtens de Vakantiewet maar ook de bijkomende vakantie die wordt verleend door een collectieve of individuele arbeids-overeenkomst of door een beslissing van de werkgever. Uit de voormelde bepalingen volgt dat inhaalverlofdagen, andere dan de dagen inhaalrust die bij toepassing van artikel 26bis van de Arbeidswet worden toegekend, de opzeggingstermijn slechts schorsen indien zij begrepen zijn in de jaarlijkse vakantie bedoeld in artikel 28, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet. 2. Het arrest stelt vast dat uit artikel 22 van de ondernemings-CAO van 16 april 1948 voor de radio-officieren voor de Belgische Koopvaardij, blijkt dat de partijen uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat als compensatie voor iedere zon- en feestdag doorgebracht op zee, een halve of volle bijkomende vakantiedag wordt verleend, te voegen bij de jaarlijkse vakantie, en aldus in concreto werd overeengekomen "dat de toegekende jaarlijkse vakantie a rato van 1 dag vakantie per 20 dagen dienst (art. 23 CAO 1948) verlengd wordt met de compensatiedagen toegekend op grond van artikel 22 van deze CAO". In zoverre het middel aanvoert dat uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat de compensatiedagen toegekend worden om het werk te compenseren dat gepresteerd wordt in bepaalde omstandigheden, met name op zee, op zon- en feestdagen en dat deze compensatiedagen enkel toegekend worden aan diegenen die de betrokken prestaties hebben verricht en in de mate dat zij deze verricht hebben, berust het op een onjuiste lezing van het arrest. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 3. In zoverre het middel aanvoert dat uit de door de appelrechters aangehaalde CAO blijkt dat de compensatiedagen toegekend worden om het werk te compenseren dat gepresteerd wordt in bepaalde omstandigheden, met name op zee, op zon- en feestdagen en dat deze compensatiedagen enkel toegekend worden aan diegenen die de betrokken prestaties hebben verricht en in de mate dat zij deze verricht hebben, komt het op tegen de uitlegging die het arrest geeft van artikel 22 van de niet in een paritair orgaan gesloten CAO van 16 april 1948, die niet algemeen verbindend is verklaard. Voor zover zij de bewijskracht van de akte niet miskent, is de uitlegging die de feitenrechter geeft van een niet algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, in cassatie onaantastbaar. Het middel dat zulke miskenning niet aanvoert, is in zoverre niet ontvankelijk. 4. Op grond van zijn hiervoor in randnummer 2 vermelde vaststellingen, vermocht het arrest wettig te oordelen dat de in artikel 22 van de ondernemings-CAO van 16 april 1948 bedoelde compensatiedagen, als bijkomende vakantiedagen wel degelijk deel uitmaken van de jaarlijkse vakantie bedoeld in artikel 28, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet, zodat de door de eiseres gegeven opzeggingstermijn erdoor wordt geschorst. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van 153,29 euro jegens de eisende partij en op de som van 140,79 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 5 oktober 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091005.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div