← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091005.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091005.5 Rolnummer: S.09.0043.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-10-28 Raadplegingen: 624 - laatst gezien 2026-07-03 00:33 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De ratio legis van artikel 82, § 3, eerste lid van de Arbeidsovereenkomstenwet, is dat in zake arbeidsovereenkomsten de verzaking van het recht door de werknemer slechts mogelijk is vanaf het ogenblik waarop elk risico van uitoefening van druk op de werknemer verdwijnt, dit is vanaf de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met de haar kenmerkende gezagsverhouding. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzegging UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Opzeggingsvergoeding Vrije woorden: Hogere bediende - Opzeggingstermijn - Duur - Bepaling - Overeenkomst tussen partijen - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Art. 82, § 3, eerste lid Fiche 2 Uit de ratio legis van artikel 82, § 3, eerste lid van de Arbeidsovereenkomstenwet volgt dat in geval van onmiddellijk ontslag door de werkgever van een in dit artikel bedoelde bediende met betaling van een opzeggingsvergoeding, de overeenkomst tussen de werkgever en de bediende over de duur van de in aanmerking te nemen opzeggingstermijn, die overeenkomstig artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepalend is voor de grootte van de verschuldigde opzeggingsvergoeding, slechts ten vroegste kan worden gesloten op het ogenblik waarop het ontslag wordt gegeven. Zulke overeenkomst mag derhalve tegelijkertijd met de kennisgeving van het ontslag gesloten worden. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Opzegging UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) - Opzeggingsvergoeding Vrije woorden: Hogere bediende - Kennisgeving van het ontslag - Opzeggingstermijn - Duur - Bepaling - Overeenkomst tussen partijen - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Art. 82, § 3, eerste lid Annotaties Publicaties: RABG - VAN STRIJTHEM Dirk; CLAESSENS Simon - 2010/2 - p. 116-120 Tekst van de beslissing Nr. S.09.0043.N AUTOMOBIELBEDRIJF VAN DOORNE HERENTALS, naamloze vennoot-schap, met zetel te 2970 Schilde, Bellevuedreef 3, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen J.P. verweerder, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefèbvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480, bus 9, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 5 december 2008 gewezen door het arbeidshof te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling

  1. Krachtens artikel 82, §3, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet, wordt de duur van de opzeggingstermijn die de werkgever in acht dient te nemen ten aanzien van een bediende wiens jaarloon de in die bepaling vastgestelde grens overschrijdt, vastgesteld hetzij bij overeenkomst, gesloten ten vroegste op het ogenblik waarop de opzegging wordt gegeven, hetzij door de rechter. De ratio legis van deze wetsbepaling is dat in zake arbeidsovereenkomsten de verzaking van een recht door de werknemer slechts mogelijk is vanaf het ogenblik waarop elk risico van uitoefening van druk op de werknemer verdwijnt, dit is vanaf de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met de haar kenmerkende gezagsverhouding.
  2. Hieruit volgt dat in geval van onmiddellijk ontslag door de werkgever van een in voormeld artikel 82, §3, bedoelde bediende met betaling van een opzeggingsvergoeding, de overeenkomst tussen de werkgever en de bediende over de duur van de in aanmerking te nemen opzeggingstermijn, die overeenkomstig artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepalend is voor de grootte van de verschuldigde opzeggingsvergoeding, slechts ten vroegste kan worden gesloten op het ogenblik waarop het ontslag wordt gegeven. Zulke overeenkomst mag derhalve tegelijkertijd met de kennisgeving van het ontslag gesloten worden.
  3. De appelrechters nemen de tussen de partijen gesloten overeenkomst van 17 maart 2005, waarbij de verweerder onmiddellijk ontslagen wordt en de te betalen opzeggingsvergoeding wordt vastgesteld, niet in aanmerking omdat het niet bewezen is dat de eiseres haar uitdrukkelijke wil tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst aan de verweerder ter kennis had gebracht vooraleer die overeenkomst door de partijen werd opgesteld en ondertekend. Op grond hiervan kennen de appelrechters een aanvullende opzeggingsvergoeding toe en verwerpen zij de tegenvordering van de eiseres wegens tergend en roekeloos geding. Het arrest schendt zodoende de als geschonden aangewezen wetsbepalingen. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre de het de eiseres veroordeelt tot het betalen aan de verweerder van een aanvullende opzeggingsvergoeding met interest, de tegenvordering van de eiseres wegens tergend en roekeloos geding afwijst en uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 5 oktober 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091005.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240129.3F.2 ECLI:BE:CTBRL:2010:ARR.20101203.5 ECLI:BE:CTBRL:2022:ARR.20220425.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.