id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091006.1 Rolnummer: P.09.0466.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2009-10-16 Raadplegingen: 194 - laatst gezien 2026-07-02 21:52 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 107, 1°, van de wet van 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen (III), dat het artikel 5 van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten wijzigt, ontneemt niet de bevoegdheid van de technici, deskundigen en ingenieurs van de dienst Zeevisserij, bedoeld in het Besluit van de Vlaamse Regering van 14 november 2003 tot aanwijzing van de Vlaamse ambtenaren die belast worden met de controle op de naleving van wetgeving en reglementering inzake zeevisserij, om overtredingen op de wet van 28 maart 1975 op te sporen en vast te stellen. Thesaurus CAS: VISSERIJ - ZEEVISSERIJ UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - HANDEL IN LANDBOUW-, TUINBOUW, VEETEELT- EN VISSERIJPRODUKTEN - Visserij Vrije woorden: Visserijmisdrijf - Inbreuk op de wet van 28 maart 1975 - Opsporing en vaststelling - Bevoegde ambtenaar - Technici, deskundigen en ingenieurs van de dienst Zeevisserij Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - HANDEL IN LANDBOUW-, TUINBOUW, VEETEELT- EN VISSERIJPRODUKTEN - Visserij Vrije woorden: Zeevisserij - Inbreuk op de wet van 28 maart 1975 - Opsporing en vaststelling - Bevoegde ambtenaar - Technici, deskundigen en ingenieurs van de dienst Zeevisserij Fiches 3 - 4 Artikel 5, vijfde lid, van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten en artikel 1 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 14 november 2003 tot aanwijzing van de Vlaamse ambtenaren die belast worden met de controle op de naleving van wetgeving en reglementering inzake zeevisserij vormen de wettelijke grondslag waardoor de technici, deskundigen en ingenieurs van de dienst Zeevisserij beschikken over de machtiging om in de uitoefening van hun opdracht fabrieken, magazijnen, bergplaatsen, kantoren, vervoermiddelen, bedrijfsgebouwen, stellen, veilingen, markten, vismijnen, vissersvaartuigen, slachthuizen, versnijdingslokalen, diepvriesinstallaties, trieerinstellingen, koelhuizen, stapelhuizen, stations en de in open lucht gelegen bedrijven te betreden. Thesaurus CAS: VISSERIJ - ZEEVISSERIJ UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - HANDEL IN LANDBOUW-, TUINBOUW, VEETEELT- EN VISSERIJPRODUKTEN - Visserij Vrije woorden: Visserijmisdrijf - Inbreuk op de wet van 28 maart 1975 - Opsporing en vaststelling - Technici, deskundigen en ingenieurs van de dienst Zeevisserij - Machtiging tot het betreden van plaatsen waar vaststellingen kunnen gebeuren - Wettelijke grondslag Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - HANDEL IN LANDBOUW-, TUINBOUW, VEETEELT- EN VISSERIJPRODUKTEN - Visserij Vrije woorden: Zeevisserij - Inbreuk op de wet van 28 maart 1975 - Opsporing en vaststelling - Technici, deskundigen en ingenieurs van de dienst Zeevisserij - Machtiging tot het betreden van plaatsen waar vaststellingen kunnen gebeuren - Wettelijke grondslag Fiches 5 - 6 Artikel 5, vijfde en zesde lid, van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten regelt de voorwaarden tot betreding van de plaatsen waar vaststellingen kunnen gebeuren; overeenkomstig artikel 1, tweede lid van de wet van 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize of huiszoeking mag worden verricht, vindt het verbod van artikel 1 van voormelde wet derhalve geen toepassing. Thesaurus CAS: VISSERIJ - ZEEVISSERIJ UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - HANDEL IN LANDBOUW-, TUINBOUW, VEETEELT- EN VISSERIJPRODUKTEN - Visserij Vrije woorden: Visserijmisdrijf - Inbreuk op de wet van 28 maart 1975 - Opsporing en vaststelling - Voorwaarden tot het betreden van plaatsen waar vaststellingen kunnen gebeuren - Verbod van nachtelijke huiszoeking - Toepasselijkheid Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Opsporingsonderzoek HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - HANDEL IN LANDBOUW-, TUINBOUW, VEETEELT- EN VISSERIJPRODUKTEN - Visserij Vrije woorden: Zeevisserij - Inbreuk op de wet van 28 maart 1975 - Opsporing en vaststelling - Voorwaarden tot het betreden van plaatsen waar vaststellingen kunnen gebeuren - Verbod van nachtelijke huiszoeking - Toepasselijkheid Tekst van de beslissing Nr. P.09.0466.N
- L A F B. beklaagde,
- E. W. D. W. beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Clive Van Aerde, advocaat bij de balie te Brugge. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 26 februari
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste en tweede onderdeel
- De onderdelen voeren schending aan van de artikelen 3, 10, 11, 12, 15, 22, 35, 38, 39, 134 en 149 Grondwet, artikel 6, § 1, V, en 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 5 van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten, artikel 107 van de wet van 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen (III), artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 november 2003 tot aanwijzing van de Vlaamse ambtenaren die belast worden met de controle op de naleving van de wetgeving en reglementering inzake zeevisserij, de artikelen 46quinquies, 89bis en 89ter Wetboek van Strafvordering, artikel 8 EVRM, en artikel 17 IVBPR: het arrest oordeelt ten onrechte dat de vaststellingen gedaan door de deskundigen bij de Vlaamse overheid, departement landbouw en visserij, afdeling landbouw- en visserijbeleid, wettig en regelmatig zijn; deze verbalisanten hadden op 31 oktober 2007 geen bevoegdheid meer om overtredingen van de artikelen 4, derde lid en 7 van het KB van 14 augustus 1989 tot vaststelling van de aanvullende nationale maatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden en voor de controle op de visserijactiviteiten, genomen in uitvoering van en strafbaar gesteld ingevolge de artikelen 1, 3, § 1-2°, 6, § 1-6°, 9 en 10 van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in de landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten, op te sporen en vast te stellen en om daartoe vismijnen zoals de gebouwen en de Zeebrugse visveiling te betreden.
- In het eerste onderdeel verzoeken de eisers bovendien aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: "Schendt artikel 107 van de wet van 1 maart 2007 in de interpretatie waarin de technici, deskundigen en ingenieurs van de dienst zeevisserij bedoeld in het besluit van de Vlaamse regering van 14 november 2003 geen bevoegdheid meer hebben om overtreding van de wet van 28 maart 1975 op te sporen en vast te stellen, de artikelen 6, § 1, V, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen samen gelezen met de artikelen 3, 38, 39 en 134 van de gecoördineerde Grondwet of enige andere regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten?"
- Artikel 5 van de wet van 28 maart 1975, zoals van toepassing vóór de wijziging door artikel 107, 1°, van de wet van 1 maart 2007 bepaalt dat overtreding van deze wet en van de ter uitvoering genomen besluiten wordt opgespoord en vastgesteld door: "(...) de ambtenaren en beambten van het ministerie van Middenstand en Landbouw, aangeduid door de minister die de Landbouw onder zijn bevoegdheid heeft, de erkende dierenartsen door de minister aangewezen, de personeelsleden van het Belgische Interventie- en Restitutiebureau, de ambtenaren van het bestuur der douane en accijnzen, de inspecteurs en controleurs van de algemene eetwareninspectie, de dierenartsen-ambtenaren van het instituut voor veterinaire keuring, de inspecteurs en controleurs van het bestuur der economische inspectie, de waterschouten en hun agenten, de officieren van de zeevisserijwachtschepen en de andere ambtenaren aangewezen door de Koning."
- Artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 november 2003 bepaalt dat onverminderd de bevoegdheden van de andere overheidspersonen bedoeld in de wet van 28 maart 1975, de technici, deskundigen en ingenieurs van de dienst zeevisserij worden aangewezen om toezicht te houden op de naleving van die wet, en onder meer, om overtredingen op te sporen en vast te stellen. De aanhef van dit besluit bevat een verwijzing naar de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten en inzonderheid naar zijn artikel 5 vervangen bij de wet van 5 februari 1999 en bij KB van 22 februari
- Artikel 107, 1°, van de wet van 1 maart 2007 schrapt in artikel 5, eerste lid van de wet van 28 maart 1975 niet louter de woorden "de ambtenaren en beambten van het ministerie van Middenstand en Landbouw, aangeduid door de minister die de Landbouw onder zijn bevoegdheid heeft", maar vervangt de opsomming van de personen vermeld in het eerste lid van dat artikel zoals van toepassing vóór de wetswijziging, door de woorden "de statutaire en contractuele personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, de personeelsleden van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau, de ambtenaren van het bestuur der douane en accijnzen, de inspecteurs en controleurs van de algemene directie controle en bemiddeling van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie". In geen geval ontneemt die wetsbepaling de bevoegdheid van de technici, deskundigen en ingenieurs van de dienst Zeevisserij bedoeld in het besluit van de Vlaamse regering van 14 november 2003, om overtredingen op de wet van 28 maart 1975 op te sporen en vast te stellen. De onderdelen falen in zoverre naar recht.
- De aangevoerde schending van artikel 149 Grondwet is afgeleid uit de hierboven vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre zijn de onderdelen niet ontvankelijk.
- In zijn prejudiciële vraag gaat de eiser ervan uit dat ingevolge artikel 107, 1°, van de voormelde wet van 1 maart 2007, de technici, deskundigen en ingenieurs van de dienst Zeevisserij bedoeld in het besluit van de Vlaamse regering van 14 november 2003 geen bevoegdheid meer hebben om overtreding van de wet van 28 maart 1975 op te sporen en vast te stellen.
- Deze vraag berust op een rechtsopvatting die, zoals blijkt uit de hierboven vermelde redenen, onjuist is. Bijgevolg stelt het Hof die vraag niet. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 3, 10, 11, 12, 15, 22, 35, 38, 39, 134 en 149 Grondwet, artikel 6, § 1, V, en 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 5 van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten, artikel 107 van de wet van 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen (III), artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 november 2003 tot aanwijzing van de Vlaamse ambtenaren die belast worden met de controle op de naleving van de wetgeving en reglementering inzake zeevisserij, artikelen 46quinquies, 89bis en 89ter Wetboek van Strafvordering, artikel 8 EVRM en artikel 17 IVBPR: het arrest oordeelt ten onrechte dat de vaststellingen gedaan door de deskundigen bij de Vlaamse overheid, departement landbouw en visserij, afdeling landbouw- en visserijbeleid, wettig en regelmatig zijn; deze vaststellingen zijn het resultaat van een huiszoeking gedaan in gebouwen die private plaatsen zijn welke openbaar noch toegankelijk voor het publiek zijn en waarvoor de machtiging van de onderzoeksrechter vereist was; minstens zijn zij het resultaat van een inkijkoperatie als bedoeld in artikel 46quinquies, §1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.
- Het onderdeel preciseert niet hoe en waardoor het arrest artikel 149 Grondwet schendt. In zoverre is het onderdeel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.
- Artikel 5, vijfde lid, van de wet van 28 maart 1975 bepaalt met betrekking tot de overheidspersonen bevoegd om overtreding van die wet op te sporen en vast te stellen: "In de uitoefening van hun opdracht mogen zij fabrieken, magazijnen, bergplaatsen, kantoren, vervoermiddelen, bedrijfsgebouwen, stallen, veilingen, markten, vismijnen, vissersvaartuigen, slachthuizen, versnijdingslokalen, diepvriesinstallaties, triëerinstellingen, koelhuizen, stapelhuizen, stations en de in open lucht gelegen bedrijven betreden." Artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 november 2003 tot aanwijzing van de Vlaamse ambtenaren die belast worden met de controle op de naleving van wetgeving en reglementering inzake zeevisserij, bepaalt dat onverminderd de bevoegdheden van de andere overheidspersonen bedoeld in de wet van 28 maart 1975, de technici, deskundigen en ingenieurs van de dienst zeevisserij worden aangewezen om toezicht te houden op de naleving van die wet, en onder meer, om overtredingen ervan op te sporen en vast te stellen. Zowel de aanhef als artikel 1 van het voormelde besluit verwijzen uitdrukkelijk naar de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw- tuinbouw- en zeevisserijproducten.
- Deze bepalingen in hun samenhang gelezen, vormen de wettelijke grondslag op grond waarvan de technici, deskundigen en ingenieurs van de dienst zeevisserij beschikken over de machtiging om in de uitoefening van hun opdracht fabrieken, magazijnen, bergplaatsen, kantoren, vervoermiddelen, bedrijfsgebouwen, stallen, veilingen, markten, vismijnen, vissersvaartuigen, slachthuizen, versnijdingslokalen, diepvriesinstallaties, triëerinstellingen, koelhuizen, stapelhuizen, stations en de in open lucht gelegen bedrijven te betreden. De schrapping bij artikel 107, 1° van de wet van 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen (III), van de woorden "de ambtenaren en beambten van het ministerie van Middenstand en Landbouw, aangeduid door de minister die de Landbouw onder zijn bevoegdheid heeft" in artikel 5, eerste lid, 1°, van de wet van 28 maart 1975, doet hieraan geen afbreuk.
- In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de technici, deskundigen en ingenieurs van de Dienst Zeevisserij over deze machtiging niet beschikken, faalt het naar recht. Vierde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 107, 1°, van de wet van 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen (III), artikel 26, § 2, van de Bijzondere wet Arbitragehof en artikel 149 de gecoördineerde Grondwet: het arrest oordeelt ten onrechte dat er geen grond is tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof over de bestaanbaarheid van artikel 107 van de voormelde wet van 1 maart 2007 met artikel 6, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen en met de artikelen 3 en 39 Grondwet; dit artikel 107, 1° ontneemt immers de wettelijke basis van de aanwijzing van "de technici, deskundigen en ingenieurs van die dienst zeevisserij" om toezicht te houden op de naleving van de wet van 28 maart
- Het onderdeel preciseert niet nader waarin de schending van artikel 149 Grondwet zou bestaan. In zoverre is het onderdeel wegens onnauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- Zoals blijkt uit het antwoord op de eerste drie onderdelen raakt het voormelde artikel 107, 1°, van de wet van 1 maart 2007 niet aan de wettelijke basis van de aanwijzing van "de technici, deskundigen en ingenieurs van de dienst Zeevisserij". Het arrest dat aldus oordeelt en op die grond beslist dat de prejudiciële vraag niet dient te worden gesteld, is naar recht verantwoord. Het onderdeel kan in zoverre niet aangenomen worden. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 1 en 1bis van de wet van 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize of huiszoeking mag worden verricht en van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de vaststellingen gedaan door de deskundigen bij de Vlaamse overheid, departement landbouw en visserij, afdeling landbouw- en visserijbeleid, wettig en regelmatig zijn; deze vaststellingen vonden plaats na negen uur 's avonds en vóór vijf uur 's morgens, zonder dat de onderzoekers daartoe beschikten over enig verzoek of toestemming.
- Het middel preciseert niet nader waarin de schending van artikel 149 van de Grondwet zou bestaan. In zoverre is het middel wegens onnauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- Artikel 1, eerste lid, van de wet van 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize of huiszoeking mag worden verricht bepaalt: "Geen opsporing of huiszoeking mag in een voor het publiek niet toegankelijke plaats worden verricht vóór vijf uur 's morgens en na negen uur 's avonds." Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat dit verbod geen toepassing vindt, onder meer, "1° wanneer een bijzondere wetsbepaling de opsporing of de huiszoeking 's nachts toelaat".
- Artikel 5, vijfde en zesde lid, van de wet van 28 maart 1975, zoals van toepassing vóór de wetswijziging bij wet van 5 februari 1999 houdende diverse bepalingen en betreffende de kwaliteit van de landbouwproducten, bepaalde: "In de uitoefening van hun opdracht mogen (de overheidspersonen) fabrieken, magazijnen, bergplaatsen, kantoren, vervoermiddelen, bedrijfsgebouwen, stallen, veilingen, markten, vismijnen, triëerinstellingen, koelhuizen, stapelhuizen, stations en de in de open lucht gelegen bedrijven betreden. Het bezoek van lokalen die tot woning dienen is slechts toegestaan van 5 uur 's morgens tot 9 uur 's avonds en met verlof van de politierechter. Dit verlof is eveneens vereist voor het bezoek, buiten die uren, van lokalen die niet voor het publiek toegankelijk zijn." Ingevolge de wijziging door artikel 23 van voornoemde wet van 5 februari 1999 bepalen voornoemd artikel 5, vijfde en zesde lid: "In de uitoefening van hun opdracht mogen (de overheidspersonen) fabrieken, magazijnen, bergplaatsen, kantoren, vervoermiddelen, bedrijfsgebouwen, stallen, veilingen, markten, vismijnen, vissersvaartuigen, slachthuizen, versnijdingslokalen, diepvriesinstallaties, triëerinstellingen, koelhuizen, stapelhuizen, stations en de in de open lucht gelegen bedrijven betreden. Zij mogen de plaatsen die tot woning dienen, slechts bezoeken met verlof van de rechter in de politierechtbank."
- Hieruit blijkt dat de voorwaarden tot betreding van de plaatsen waar de vaststellingen kunnen gebeuren, geregeld zijn in de hier toepasselijke wet van 28 maart
- Overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van de wet van 7 juni 1969, vindt het verbod van artikel 1 van voormelde wet in deze derhalve geen toepassing. Het middel dat uitgaat van het tegendeel, faalt in zoverre naar recht. Ambtshalve onderzoek van beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en is de beslissing overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten. Begroot de kosten op 82,20 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Geert Jocqué, en op de openbare rechtszitting van 6 oktober 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091006.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div