id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091008.1 Rolnummer: C.08.0316.N Kamer: 1N + Eerste Kamer + Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-10-28 Raadplegingen: 284 - laatst gezien 2026-07-02 21:50 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Een eenzijdige belofte is geen oneigenlijk contract in de zin van de wetsbepaling krachtens welke de regels betreffende het bewijs met geschrift uitzondering lijden. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Eenzijdige rechtshandeling BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Schriftelijk bewijs Vrije woorden: Uitzondering op de regels betreffende het bewijs met geschrift - Verbintenis uit oneigenlijk contract - Eenzijdige belofte Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1348, eerste lid en tweede lid, 1° Thesaurus CAS: VERBINTENIS UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Eenzijdige rechtshandeling BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Schriftelijk bewijs Vrije woorden: Verbintenis uit oneigenlijk contract - Uitzondering op de regels betreffende het bewijs met geschrift - Eenzijdige belofte Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1348, eerste lid en tweede lid, 1° Tekst van de beslissing Nr. C.08.0316.N E.H., eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- D.M.,
- E.O.,
- E.F., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 7 februari 2008 gewezen door het hof van beroep te Gent. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 2, 1315, 1316, 1341, in de versie van toepassing zowel vóór als na de wijziging ervan bij een wet van 10 december 1990, en 1348 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1 en 3 van de wet van 10 december 1990 tot wijziging van de artikelen 1341, eerste lid, 1342, 1343, 1344, 1345, 1834, 1923, 1924, 1950 en 2074, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen In de bestreden beslissing verklaart het hof van beroep het hoger beroep van de verweerders ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, verklaart het de vordering van de verweerders gegrond en veroordeelt het dienvolgens de eiser tot betaling van 24.045,67 euro, bedrag te vermeerderen met de interest. Het hof van beroep beslist dat op grond van alle motieven waarop de beslissing steunt, die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen, en in het bijzonder op de volgende overwegingen: "
- de gegrondheid van het hoger beroep 4.
- De (verweerders) weten zich gegriefd door de machtiging aan (de eiser) tot bewijslevering, door alle middelen van recht, van het feit ‘dat hij in november 1991 in contanten het bedrag van 970.000 frank (thans 24.045,67 euro) aan François De Boeck te zijnen huize heeft betaald'. 4.
- De (verweerders) argumenteren dat de eerste rechter door het getuigenbewijs toe te laten inzake de betaling van een bedrag van 24.045,67 euro de bepaling van artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek heeft miskend, ten onrechte oordelend dat het bewijs van louter materiële feiten door middel van getuigen (...) steeds (is) toegelaten. 4.
- Het bewijs van ‘betaling' is het bewijs van een rechtshandeling waarop artikel 1341 (oud) van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is: gelet op het feit dat (de eiser) erkent een ‘eenzijdige belofte' te hebben gedaan om het geld terug te betalen (...) en hij erkent in het kader van deze terugbetalingsverplichting te zijn overgegaan tot 5 betalingen in 1989, brengt dit met zich dat een getuigenbewijs inzake de betaling niet toegelaten is voor een bedrag (boven) 3.000 frank (thans 74,37 euro) (bij wet van 10 december 1990 gebracht op 15.000 frank (thans 371,84 euro), doch niet van toepassing op bestaande verbintenissen). 4.
- Het bewijs van de betaling van 24.045,67 euro door getuigen is dan ook niet toegelaten. 4.
- Het argument van (de eiser) dat het bewijs van de rechtshandeling van de verbindende eenzijdige belofte niet valt onder de bewijsregeling van artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek aangezien de eenzijdig verbindende belofte eerder dient gekwalificeerd te worden als een oneigenlijk contract en overeenkomstig artikel 1348 van het Burgerlijk Wetboek het getuigenbewijs wel toegelaten is, kan aan het hoger staande geen afbreuk doen: het door (de eiser) aangeboden getuigenbewijs - waartoe hij door de eerste rechter werd gemachtigd - strekt er immers niet toe om het bestaan van de eenzijdig verbindende belofte te bewijzen, doch om een door hem beweerdelijk verrichte betaling te bewijzen. 4.
- Het hoger beroep gericht tegen de machtiging tot het getuigenbewijs is dan ook gegrond, zodat het bestreden vonnis op dit punt dient te worden tenietgedaan. Nu de overige grieven inzake de gegrondheid en/of de opportuniteit van de machtiging tot het getuigenbewijs niet tot een ruimere hervorming aanleiding kunnen geven, dienen deze niet te worden beoordeeld. 4.
- Onder verwijzing naar de devolutieve werking van het hoger beroep vorderen (de verweerders) dat het (hof van beroep) (de eiser) zou veroordelen tot betaling van de som van 24.045,67 euro, meer de rente aan 7 pct. op dit bedrag vanaf 1 december 1991 en vanaf 1 januari 2007 aan 6 pct. tot de datum van algehele betaling. 4.
- Nu hoger werd geoordeeld dat de door de eerste rechter in het bestreden vonnis bevolen onderzoeksmaatregel niet wordt bevestigd en de beoordeling van de vordering van (de verweerders) niet onderhevig is aan het resultaat van welkdanige onderzoeksmaatregel bevolen door de eerste rechter, is er geen grondslag om de zaak terug te verwijzen naar de eerste rechter en dient het (hof van beroep) ingevolgde de devolutieve werking van het hoger beroep de vordering van (de verweerders) te beoordelen". Wat de gegrondheid van de door de verweerders gestelde vordering betreft, stelt het hof van beroep vast dat de eiser niet betwist 1.000.000 frank te hebben ontvangen van wijlen F.D. en dat hij evenmin zijn plicht tot terugbetaling van die som betwist (blz. 6, punt 5.4., van het bestreden arrest). Het hof van beroep verklaart de vordering van de verweerders tot terugbetaling van 24.045,67 euro gegrond onder meer op de vaststelling dat voor de door de eiser aangevoerde bevrijdende betaling geen schriftelijk bewijs kan worden voorgelegd (blz. 6, punt 5.7., van het bestreden arrest). Grieven
- Artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat hij die de uitvoering van een verbinte¬nis vordert, het bestaan daarvan moet bewijzen en dat, omgekeerd, hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs moet leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van de verbin¬tenis heeft teweeg gebracht. Ook luidens artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek moet iedere partij het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert. Het totstandkomen of het bestaan van een verbintenis en het tenietgaan ervan, zijn aan dezelfde bewijsregels onderworpen. De regels betreffende het schriftelijk bewijs, het bewijs door getuigen, de vermoedens, de bekentenis van partijen en de eed, zijn, aldus artikel 1316 van het Burgerlijk Wetboek, vastgelegd in de artikelen 1317 tot 1369 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 1341, eerste lid, in de versie die van toepassing was vóór de wijziging ervan bij een wet van 10 december 1990, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een akte voor een notaris of een onderhandse akte, moet worden opgemaakt van alle zaken die de som of de waarde van 3.000 frank te boven gaan, zelfs betreffende vrijwillige bewaargevingen, en dat het bewijs door getuigen niet wordt toegelaten tegen en boven de inhoud van de akten en evenmin omtrent hetgeen men zou beweren vóór, tijdens of sinds het opmaken te zijn gezegd, al betreft het ook een som of een waarde van minder dan 3.000 frank. Uit dat artikel volgt met andere woorden dat een geschrift dat ondertekend is, vereist is voor het bewijs van zaken die de som van 3.000 frank te boven gaan. Het bedrag van 3.000 frank werd door artikel 1 van de wet van 10 december 1990 tot wijziging van de artikelen 1341, eerste lid, 1342, 1343, 1344, 1345, 1834, 1923, 1924, 1950 en 2074, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek op 15.000 frank gebracht. Die wijziging is luidens artikel 3 van diezelfde wet niet van toepassing op de rechtshandelingen verricht vóór de datum van haar inwerkingtreding op 2 januari
- De regel van artikel 1341 (en van de artikelen 1342 tot 1346) van het Burgerlijk Wetboek lijdt krachtens artikel 1348, eerste lid, van dat wetboek uitzondering in alle gevallen waarin het de schuldeiser niet mogelijk is geweest zich een schriftelijk bewijs te verschaffen van de verbintenis die jegens hem is aangegaan. Die uitzondering is luidens het tweede lid van die bepaling van toepassing onder meer op verbintenissen die ontstaan uit oneigenlijke contracten. Uit artikel 1348 van het Burgerlijk Wetboek volgt aldus dat verbintenissen die ontstaan uit oneigenlijke contracten door alle middelen van recht, met inbegrip van getuigen en vermoedens, kan worden geleverd. De regels met betrekking tot het schriftelijk bewijs neergelegd in o.m. artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek zijn dus niet van toepassing op het bewijs van oneigenlijke contracten, noch wat betreft het bestaan ervan, noch wat betreft het tenietgaan ervan.
- Het hof van beroep stelt vast dat de verweerders de algemene legatarissen zijn van wijlen F.D. (blz. 3, punt 1.1., van het bestreden arrest), dat uit stuk 1 van de verweerders blijkt dat F.D. op 20 februari 1989 een bankcheque heeft aangekocht ten bedrage van 1.000.000 frank die werd overgemaakt aan notaris M. te Erpe-Mere en waarop de vermelding "Lening (eiser)" werd aangebracht (blz. 3, punt 1.2., van het bestreden arrest), en dat de verweerders de terugbetaling van voornoemd bedrag vorderen (blz. 3, punten 1.
- en 1.6., blz. 5, punt 5.
- en blz. 6, punt 5.6., van het bestreden arrest). Het hof van beroep overweegt dat de verweerders zich gegriefd voelen door de machtiging verleend door de eerste rechter aan de eiser tot bewijslevering door alle middelen van recht van het feit dat hij in november 1991 in contanten het bedrag van 970.000 frank heeft terugbetaald aan wijlen F.D. ten zijne huize (blz. 4, punt 4.1., van het bestreden arrest). Het hof van beroep verklaart die grief van de verweerders gegrond (blz. 5, punt 4.6., van het bestreden arrest) op grond van de overwegingen dat: - het bewijs van betaling het bewijs van een rechtshandeling is waarop artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is (blz. 4, punt 4.3., van het bestreden arrest); - artikel "1341 (oud) van het Burgerlijk Wetboek" van toepassing is, d.i. in de versie zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij een wet van 10 december 1990, wijziging die volgens het hof van beroep niet van toepassing is op bij de inwerkingtreding ervan bestaande verbintenissen (blz. 4, punt 4.3., van het bestreden arrest), - gelet op het feit dat de eiser erkent een eenzijdige belofte te hebben gedaan om het geld terug te betalen en erkent in het kader daarvan in 1989 vijf betalingen te hebben gedaan, het getuigenbewijs inzake de betaling niet toegelaten is (blz. 4, punt 4.3., van het bestreden arrest), - het bewijs van de betaling van 24.045,67 euro door getuigen dan ook niet toegelaten is (blz. 4, punt 4.4., van het bestreden arrest), - het argument van de eiser dat het bewijs van de rechtshandeling van de verbindende eenzijdige belofte niet valt onder de bewijsregeling van artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek aangezien de eenzijdig verbindende belofte eerder dient gekwalificeerd te worden als een oneigenlijk contract en overeenkomstig artikel 1348 van het Burgerlijk Wetboek het getuigenbewijs wel toegelaten is, daaraan geen afbreuk doet aangezien het getuigenbewijs waartoe de eiser door de eerste rechter werd gemachtigd, niet ertoe strekt het bestaan van de eenzijdige belofte te bewijzen, maar ertoe strekt een door de eiser beweerdelijk verrichte betaling te bewijzen (blz. 4 en 5, punt 4.5., van het bestreden arrest). 2.
- Door op het door de eiser gedane aanbod tot bewijs van terugbetaling in november 1991 artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek toe te passen in de versie zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij wet van 10 december 1990 tot wijziging van de artikelen 1341, eerste lid, 1342, 1343, 1344, 1345, 1834, 1923, 1924, 1950 en 2074, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, miskent het hof van beroep de artikelen 1 en 3 van die wet en artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek. 2.
- Uit de vaststellingen en overwegingen van het hof van beroep volgt dat het hof van beroep aanneemt dat de terugbetalingsverplichting van de eiser steunt op een door hem gedane eenzijdige belofte (blz. 4, punt 4.3., van het bestreden arrest). De eenzijdige (verbindende) belofte is een oneigenlijk contract waarop krachtens artikel 1348 van het Burgerlijk Wetboek niet de regels inzake het schriftelijk bewijs zoals vervat in (o.m.) artikel 1341 van toepassing zijn, maar dat kan bewezen worden door alle middelen van recht. Die vrije bewijsregeling geldt, anders dan het hof van beroep oordeelt, niet enkel voor het totstandkomen en het bestaan van het oneigenlijke contract, maar ook voor het tenietgaan ervan, bv. door betaling. Het hof van beroep beslist op grond van de hierboven aangehaalde overwegingen dan ook niet wettig dat het hoger beroep van de verweerders, dat gericht is tegen de machtiging die de eerste rechter aan de eiser verleende om met alle middelen van recht het bewijs van terugbetaling en dus het bewijs van het tenietgaan van een oneigenlijk contract te leveren, gegrond is (schending van de artikelen 1315, 1316, 1341, in de versie van toepassing zowel vóór als na de wijziging ervan bij een wet van 10 december 1990, en 1348 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek).
- De inwilliging van het middel leidt ook tot de vernietiging van de als gevolg van de devolutieve werking van het hoger beroep genomen beslissing over de gegrondheid van de vordering van de verweerders, beslissing die onder meer ook steunt op een toepassing van de regels inzake het schriftelijk bewijs (blz. 5, punten 4.
- en
- en blz. 6, inzonderheid punt 5.7., van het bestreden arrest). Conclusie Het hof van beroep verklaart het hoger beroep van de verweerders gericht tegen de machtiging tot het getuigenbewijs verleend door de eerste rechter, niet wettig gegrond (schending van de artikelen 2, 1315, 1316, 1341, in de versie van toepassing zowel vóór als na de wijziging ervan bij een wet van 10 december 1990, en 1348 van het Burgerlijk Wetboek, 870 van het Gerechtelijk Wetboek en 1 en 2 van de wet van 10 december 1990 tot wijziging van de artikelen 1341, eerste lid, 1342, 1343, 1344, 1345, 1834, 1923, 1924, 1950 en 2074, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 1341, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, voor de wijziging ervan bij de wet van 10 december 1990, moet een akte voor een notaris of een onderhandse akte worden opgemaakt van alle zaken die de som of de waarde van drieduizend frank te boven gaan, zelfs betreffende vrijwillige bewaargevingen. Bij artikel 1 van de wet van 10 december 1990, werd het bedrag van 3.000 frank gebracht op 15.000 frank en krachtens artikel 3 van die wet is die wijziging niet van toepassing op rechtshandelingen verricht vóór de datum van de inwerkingtreding van die wet op 2 januari
- Daaruit volgt dat het middel, in zoverre het aanvoert dat het arrest artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek heeft toegepast in zijn versie vóór de wijziging ervan bij de wet van 10 december 1990, niet tot cassatie kan leiden nu het bedrag van de betaling waarvan de eiser het bewijs met getuigen nastreeft, 24.045,67 euro bedraagt en derhalve zowel het bedrag van 3.000 frank als dat van 15.000 frank overtreft. In zoverre is het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
- Krachtens artikel 1348, eerste lid, van voormeld wetboek, lijden de regels betreffende het bewijs met geschrift uitzondering in de gevallen waarin het de schuldeiser niet mogelijk is geweest zich een schriftelijk bewijs te verschaffen van de verbintenis die jegens hem is aangegaan. Krachtens het tweede lid, 1°, van dit artikel, is deze uitzondering op het bewijs met geschrift van toepassing op de verbintenissen ontstaan uit oneigenlijke contracten en uit misdrijven of oneigenlijke misdrijven.
- Een eenzijdige belofte is geen oneigenlijk contract in de zin van deze wetsbepaling. Het middel dat er volledig van uitgaat dat het bewijs van de betaling door de eiser krachtens een eenzijdige belofte niet met geschrift dient geleverd te worden omdat de eenzijdige belofte een oneigenlijk contract is in de zin van artikel 1348, tweede lid, 1°, van het Burgerlijk Wetboek, faalt naar recht. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 572,04 euro jegens de eisende partij en op de som van 423,26 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit raadsheer Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 8 oktober 2009 uitgesproken door raadsheer Eric Dirix, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091008.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div