id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091008.4 Rolnummer: C.08.0364.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2009-11-04 Raadplegingen: 220 - laatst gezien 2026-07-02 21:50 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit de tekst van de artikelen 4 en 6 van de Taalwet gerechtszaken volgt dat de hierin uitgewerkte versnelde en bijzondere procedure van toepassing is op de afhandeling van de incidenten van taalwijziging aldaar opgenomen
(1).
(1)In de geannoteerde zaak, waarin eiseres opkwam tegen de afwijzing van haar verzoek tot taalwijziging door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, heeft het O.M. overeenkomstig artikel 1097 Ger.W. ambtshalve een middel van niet-ontvankelijkheid opgeworpen wegens laattijdigheid van het cassatieberoep op grond van artikel 1073 Ger.W.. Waar m.b.t. de vraag om de rechtspleging in een andere taal voort te zetten de artikelen 4, § 2, en 6, § 2, van de taalwet gerechtszaken bepalen dat de rechter daaromtrent op staande voet uitspraak doet en dat de uitspraak van de beslissing, zelfs in afwezigheid van de partijen, geldt als betekening, dateerde het bestreden vonnis in deze van 28 april 2008, terwijl de voorziening in cassatie werd neergelegd ter griffie op 12 augustus 2008 (met betekening aan de andere partijen op 31 juli 2008). In haar memorie van wederantwoord voerde eiseres hiertegen aan dat voormelde bepalingen van de taalwet gerechtszaken afwijken van het gemeen recht, zodat ze op beperkende wijze moeten worden uitgelegd, waarbij een onderscheid dient te worden gemaakt naargelang de grond van de weigering tot taalwijziging, meer bepaald op basis van de al dan niet voldoende of toereikende kennis van de taal door verweerders. In zover dit niet het geval zou zijn, wierp eiseres op dat deze wetsbepalingen (juncto art. 1073 Ger.W.) leiden tot discriminatie doordat ze, bij de bepaling van de cassatietermijn, het gelijkheidsbeginsel evenals de rechten van verdediging schenden, waarbij de betekening (bij deurwaardersexploot) of de kennisgeving (bij gerechtsbrief) onmiskenbaar een informatiewaarborg en een rechtswaarborg bieden die niet bestaat bij de gewone uitspraak van de beslissing. Vanuit voormelde benadering, hierin ondersteund door het standpunt en de conclusie ter zitting van het O.M., heeft het Hof, alvorens recht te doen, geoordeeld een prejudiciële vraag hierover aan het Grondwettelijk Hof te moeten overleggen. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In eerste aanleg - Burgerlijke zaken UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Termijnen van cassatieberoep en betekening - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Algemene beschikkingen (taalgebruik) Vrije woorden: Rechtbank van het arrondissement Brussel - Verzoek tot taalwijziging - Versnelde en bijzondere procedure - Toepasselijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 15-06-1935 - Artt. 4, § 2, en 6, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Fiches 2 - 5 Wanneer de vraag rijst voor het Hof van Cassatie of de regeling van artikel 4, § 2, en 6, § 2, van de Taalwet gerechtszaken de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat zij de termijn voor het instellen van een cassatieberoep doet ingaan vanaf het ogenblik van de uitspraak, zelfs in afwezigheid van de partijen, terwijl in civiele procedures de termijn van het cassatieberoep in de regel ingaat vanaf de betekening of de kennisgeving van de beslissing, stelt het Hof die vraag aan het Grondwettelijk Hof
(1).
(1)In de geannoteerde zaak, waarin eiseres opkwam tegen de afwijzing van haar verzoek tot taalwijziging door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, heeft het O.M. overeenkomstig artikel 1097 Ger.W. ambtshalve een middel van niet-ontvankelijkheid opgeworpen wegens laattijdigheid van het cassatieberoep op grond van artikel 1073 Ger.W.. Waar m.b.t. de vraag om de rechtspleging in een andere taal voort te zetten de artikelen 4, § 2, en 6, § 2, van de taalwet gerechtszaken bepalen dat de rechter daaromtrent op staande voet uitspraak doet en dat de uitspraak van de beslissing, zelfs in afwezigheid van de partijen, geldt als betekening, dateerde het bestreden vonnis in deze van 28 april 2008, terwijl de voorziening in cassatie werd neergelegd ter griffie op 12 augustus 2008 (met betekening aan de andere partijen op 31 juli 2008). In haar memorie van wederantwoord voerde eiseres hiertegen aan dat voormelde bepalingen van de taalwet gerechtszaken afwijken van het gemeen recht, zodat ze op beperkende wijze moeten worden uitgelegd, waarbij een onderscheid dient te worden gemaakt naargelang de grond van de weigering tot taalwijziging, meer bepaald op basis van de al dan niet voldoende of toereikende kennis van de taal door verweerders. In zover dit niet het geval zou zijn, wierp eiseres op dat deze wetsbepalingen (juncto art. 1073 Ger.W.) leiden tot discriminatie doordat ze, bij de bepaling van de cassatietermijn, het gelijkheidsbeginsel evenals de rechten van verdediging schenden, waarbij de betekening (bij deurwaardersexploot) of de kennisgeving (bij gerechtsbrief) onmiskenbaar een informatiewaarborg en een rechtswaarborg bieden die niet bestaat bij de gewone uitspraak van de beslissing. Vanuit voormelde benadering, hierin ondersteund door het standpunt en de conclusie ter zitting van het O.M., heeft het Hof, alvorens recht te doen, geoordeeld een prejudiciële vraag hierover aan het Grondwettelijk Hof te moeten overleggen. Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Termijnen van cassatieberoep en betekening - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Algemene beschikkingen (taalgebruik) Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Taalgebruik - Gerechtszaken (Wet 15 juni 1935) - Rechtbank van het arrondissement Brussel - Verzoek tot taalwijziging - Uitspraak van de beslissing die geldt als betekening - Termijn van cassatieberoep - Gelijkheid - Prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen: Wet - 15-06-1935 - Artt. 4, § 2, en 6, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Termijnen van cassatieberoep en betekening - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Algemene beschikkingen (taalgebruik) Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Burgerlijke zaken - Taalgebruik - Gerechtszaken (Wet 15 juni 1935) - Rechtbank van het arrondissement Brussel - Verzoek tot taalwijziging - Uitspraak van de beslissing die geldt als betekening - Termijn van cassatieberoep - Gelijkheid - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen: Wet - 15-06-1935 - Artt. 4, § 2, en 6, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen van cassatieberoep en betekening - Duur, begin en einde UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Termijnen van cassatieberoep en betekening - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Algemene beschikkingen (taalgebruik) Vrije woorden: Taalgebruik - Gerechtszaken (Wet 15 juni 1935) - Rechtbank van het arrondissement Brussel - Verzoek tot taalwijziging - Uitspraak van de beslissing die geldt als betekening - Termijn - Cassatieberoep - Gelijkheid - Prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen: Wet - 15-06-1935 - Artt. 4, § 2, en 6, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In eerste aanleg - Burgerlijke zaken UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in burgerlijke zaken - Termijnen van cassatieberoep en betekening - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - TAALGEBRUIK GERECHTSZAKEN - Algemene beschikkingen (taalgebruik) Vrije woorden: Rechtbank van het arrondissement Brussel - Verzoek tot taalwijziging - Uitspraak van de beslissing die geldt als betekening - Termijn - Cassatieberoep - Gelijkheid - Prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof - Hof van Cassatie - Verplichting Wettelijke bepalingen: Wet - 15-06-1935 - Artt. 4, § 2, en 6, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 Tekst van de beslissing Nr. C.08.0364.N B.C., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 523, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen CENTEA, naamloze vennootschap, met zetel te 2018 Antwerpen, Mechelse Steenweg 180, verweerster, en in aanwezigheid van P.R., partij opgeroepen in bindendverklaring van het arrest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 28 april 2008 gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 4, §1 en 6, §1 en §2 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtzaken. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis verklaart het verzoek tot taalwijziging uitgaande van eiseres en de partij opgeroepen in bindendverklaring van het tussen te komen arrest ongegrond en zegt voor recht dat de procedure in de Nederlandse taal zal worden verder gezet. Het verantwoordt zijn beslissing o.a. met de overwegingen dat: "(...) dat het geschil thans beperkt blijft tot het beantwoorden van de vraag in welke taal de procedure thans dient te worden verder gezet; (...) dat thans de dagvaarding in het Nederlands werd opgesteld; dat beide verweerders (te weten de eiseres en de partij opgeroepen in bindendverklaring van het tussen te komen arrest) de taalwijziging vragen; de vraag tot wijziging van de taal der rechtspleging dient steeds te worden gedaan voor alle verweer of exceptie, zelfs van onbevoegdheid, zowel voor de gerechten van eerste aanleg waarvan de zetel in het arrondissement Brussel is gevestigd als voor de gerechten van eerste aanleg die hun zetel hebben in een ander arrondissement (de artikelen 2, 4 en 7 Taalwet Gerechtszaken) (...); (...) de vraag tot taalwijziging ontvankelijk is; dat (verweerster) zich verzet tegen de taalwijziging; dat (de partij opgeroepen in bindendverklaring van het tussen te komen arrest) woonachtig is te Beersel (extra muros); dat het verzoek tot taalwijziging niet wordt toegestaan". Grieven Overeenkomstig artikel 4, §1, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, behoudens de gevallen van artikel 3 van die wet, wordt het gebruik der talen, voor geheel de rechtspleging in betwiste zaken voor de gerechten van eerste aanleg waarvan de zetel in het arrondissement Brussel is gelegen als volgt geregeld: de akte van inleiding van het geding wordt in het Frans gesteld, indien de verweerder woonachtig is in het Frans taalgebied, in het Nederlands indien de verweerder woonachtig is in het Nederlands taalgebied, in het Frans of het Nederlands, ter keuze van de eiser, indien de verweerder woonachtig is in een gemeente van de Brusselse agglomeratie of geen gekende woonplaats in België heeft. De rechtspleging wordt voortgezet in de taal der akte tot inleiding van het geding, tenzij de verweerder, voor alle verweer en exceptie, zelfs van onbevoegdheid, vraagt dat de rechtspleging in de andere taal wordt voortgezet. Overeenkomstig artikel 6, §1, van voormelde wet, wordt wanneer in dezelfde zaak verscheidene verweerders zijn en, krachtens voormeld artikel 4, de akte tot inleiding van het geding in het Frans of in het Nederlands moet gesteld worden naar gelang de verweerder woonachtig is in het Frans taalgebied of in het Nederlands taalgebied, de ene of de andere van die talen gebruikt voor het opstellen van de akte naar gelang dat de meerderheid van de verweerders in het Frans taalgebied of in het Nederlands taalgebied woonachtig is; in geval van gelijkheid, wordt de akte tot inleiding van het geding in het Frans of in het Nederlands gesteld volgens de keuze van de eiser. Overeenkomstig artikel 6, §2, van dezelfde wet, wordt, wanneer in dezelfde zaak verscheidene verweerders zijn en, krachtens artikel 4, de keuze van de taal der rechtspleging aan de verweerder behoort, de taal gebruikt die door de meerderheid wordt gevraagd. In geval van gelijkheid, duidt de rechter zelf de taal aan waarin de rechtspleging moet voortgezet worden, daarbij rekening houdende met de noodwendigheden van de zaak. Uit de samenhang van voormelde wetsbepalingen volgt dat, wanneer in de procedure meerdere verweerders zijn, zij moet worden verdergezet in de taal van de akte tot inleiding van het geding, behoudens wanneer de meerderheid van de verweerders de taalwijziging vraagt. Voor het bepalen of de meerderheid van de verweerders de taalwijziging vraagt, dient rekening gehouden met alle verweerders, ongeacht hun woonplaats. Het bestreden vonnis stelt vast dat in deze procedure twee partijen werden gedagvaard door de eisende partij, zijnde verweerster, en dat beide verwerende partijen, te weten eiseres en de partij opgeroepen in gemeen- en bindendverklaring van het tussen te komen arrest, de taalwijziging vragen. Door vervolgens het verzoek tot taalwijziging te weigeren op grond dat "eerste verweerder woonachtig is te Beersel (extra muros)", ofschoon dit verzoek uitging van de meerderheid van de verweerders, schendt het bestreden vonnis de in de hoofding aangewezen wetsbepalingen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Krachtens artikel 4, §1, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, hierna Taalwet gerechtszaken, wordt, behoudens de gevallen van artikel 3, het gebruik der talen voor geheel de rechtspleging in betwiste zaken voor de gerechten van eerste aanleg waarvan de zetel in het arrondissement Brussel is gevestigd, als volgt geregeld. De akte tot inleiding van het geding wordt in het Frans gesteld, indien de verweerder woonachtig is in het Frans taalgebied, in het Nederlands, indien de verweerder woonachtig is in het Nederlands taalgebied, in het Frans of in het Nederlands, ter keuze van de eiser, indien de verweerder woonachtig is in een gemeente van de Brusselse agglomeratie of geen gekende woonplaats in België heeft. De rechtspleging wordt voortgezet in de taal der akte tot inleiding van het geding, tenzij de verweerder, voor alle verweer en alle exceptie, zelfs van onbevoegdheid, vraagt dat de rechtspleging in de andere taal wordt voortgezet. De tweede paragraaf van voormeld artikel voorziet dat de bij de vorige alinea voorziene aanvraag mondeling wordt gedaan door de verweerder die in persoon verschijnt; zij wordt schriftelijk ingediend, wanneer de verweerder bij lasthebber verschijnt. Het geschrift moet van de hand zijn van verweerder en door hem zelf ondertekend; het blijft aan het vonnis gehecht. De rechter doet op staande voet uitspraak. Hij kan weigeren op de aanvraag in te gaan, indien uit de elementen van de zaak blijkt dat de verweerder een toereikende kennis bezit der taal, gebruikt voor het opmaken der akte tot inleiding van het geding. De beslissing van de rechter moet met redenen omkleed zijn; zij is voor verzet noch voor beroep vatbaar. Zij is uitvoerbaar op de minuut en voor registratie, zonder andere rechtspleging noch vormvereisten; de uitspraak van de beslissing, zelfs in afwezigheid van partijen, geldt als betekening. 2. Krachtens artikel 6, §2, van voormelde Taalwet wordt, wanneer er in dezelfde zaak verscheidene verweerders zijn en, krachtens artikel 4, de keus van de taal der rechtspleging aan de verweerder behoort, de taal gebruikt die door de meerderheid wordt gevraagd. Evenwel kan de rechter weigeren op die aanvraag in te gaan, indien uit de elementen van de zaak blijkt dat de verweerders voldoende de taal kennen, die werd gebruikt voor het opmaken van de akte tot inleiding van het geding. In geval van gelijkheid, duidt de rechter zelf de taal aan waarin de rechtspleging moet voortgezet worden, daarbij rekening houdende met de noodwendigheden der zaak. Zijn beslissing moet met redenen omkleed zijn; zij is voor verzet noch voor beroep vatbaar en is uitvoerbaar op de minuut en voor de registratie, zonder enige andere rechtspleging noch vormvereiste. De uitspraak van de beslissing geldt als betekening, zelfs in geval van afwezigheid der partijen. 3. Uit de tekst van voormelde artikelen 4 en 6 volgt dat de hierin uitgewerkte versnelde en bijzondere procedure van toepassing is op de afhandeling van de incidenten van taalwijziging aldaar opgenomen. 4. De vraag rijst of de regeling van artikel 4, §2, en 6, §2, van de Taalwet gerechtszaken de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat zij de termijn voor het instellen van een cassatieberoep doet ingaan vanaf het ogenblik van de uitspraak, zelfs in afwezigheid van de partijen, terwijl in civiele procedures de termijn van het cassatieberoep in de regel ingaat vanaf de betekening of de kennisgeving van de beslissing. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Grondwettelijk Hof uitspraak zal hebben gedaan over de volgende vraag: "Schenden de artikelen 4, §2, en 6, §2 van de wet op het gebruik der talen in gerechtszaken de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat zij de termijn voor het instellen van een cassatieberoep in civiele zaken doen ingaan vanaf het ogenblik van de uitspraak, zelfs in afwezigheid van de partijen, terwijl in civiele procedures de termijn van het cassatieberoep in de regel ingaat vanaf de betekening of de kennisgeving ervan?" Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Albert Fettweis, Beatrijs Deconinck en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 8 oktober 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091008.4 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110121.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div