← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091013.14

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091013.14 Rolnummer: P.09.0998.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2009-11-02 Raadplegingen: 513 - laatst gezien 2026-07-03 01:38 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De rechter die krachtens artikel 10 van de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen staten van veroordeelde personen en artikel 10.2 van het verdrag van 21 maart 1983 inzake de overbrenging van gevonniste personen door de procureur des Konings is gevorderd de in het buitenland uitgesproken straf of maatregel aan te passen, gaat alleen na of de aard en duur van die straf of maatregel overeenstemt met die welke voor dezelfde feiten in de Belgische wet is bepaald; de omstandigheid dat de rechter daarbij dezelfde feiten zoals zij vastgesteld werden door het vonnis van de vreemde Staat, naar Belgisch recht omschrijft als zijnde gepleegd met een verzwarende omstandigheid, brengt niet mee dat hij daardoor de in het buitenland uitgesproken straf of maatregel verzwaart

(1).
(1)Cass., 24 februari 2004, AR P.03.1652.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040224.20, A.C., 2004, nr.
  1. Thesaurus CAS: STRAF - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - TENUITVOERLEGGING VAN DE STRAFFEN - Overbrenging tussen Staten van veroordeelde Vrije woorden: Overbrenging tussen staten van gevonniste personen - Omschrijving van het misdrijf Thesaurus CAS: STRAF - VERZWARENDE OMSTANDIGHEDEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - TENUITVOERLEGGING VAN DE STRAFFEN - Overbrenging tussen Staten van veroordeelde Vrije woorden: Overbrenging tussen staten van gevonniste personen - Aanpassing van de in het buitenland uitgesproken straf - Omschrijving van het misdrijf - Verzwarende omstandigheid - Toepassing Tekst van de beslissing Nr. P.09.0998.N S. E. veroordeelde persoon overgebracht tot uitvoering van zijn straf, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie te Tongeren. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 26 mei
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. FEITEN Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser bij arrest van het hof van beroep te Borgarting (Noorwegen) van 10 maart 2006 veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van negen jaar en zes maanden wegens illegale invoer van een grote hoeveelheid heroïne. Bij toepassing van artikel 10 wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van de gevonniste personen en artikel 10.2 verdrag van 21 maart 1983 inzake de overbrenging van gevonniste personen, werd de eiser op vordering van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel gedagvaard voor de correctionele rechtbank aldaar teneinde zijn in het buitenland uitgesproken straf "wegens het bezit van een hoeveelheid heroïne van 4,8 kilogram met de omstandigheid dat het misdrijf een daad van deelneming is aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging" te zien aanpassen aan die welke in de Belgische wet is bepaald overeenkomstig artikel 25 Strafwetboek, artikel 2bis, §§ 1 en 3, Drugwet en de artikelen 1 (nr. 36), 11, 26bis en 28 koninklijk besluit van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies. Het bestreden arrest verklaart de vordering van het openbaar ministerie ongegrond daar de in het buitenland uitgesproken straf naar aard en duur overeenstemt met die welke voor hetzelfde feit in de Belgische wet is bepaald, meer bepaald de straf, bepaald in artikel 2bis, § 3b, Drugwet. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 2bis, § 3b, Drugwet: de eiser werd in Noorwegen enkel veroordeeld uit hoofde van illegale invoer van verdovende middelen zonder dat dit gekoppeld werd aan het plegen van dat feit in het georganiseerd verband van een vereniging; de appelrechters hebben in afwezigheid van het Noorse strafdossier op basis van een feitelijk onderzoek ter rechtszitting een verzwarende omstandigheid aangenomen zonder dewelke het in Noorwegen bestrafte feit slechts een inbreuk zou uitmaken op artikel 2bis, § 1, Drugwet, wat een strafvermindering tot gevolg zou hebben.
  4. De appelrechters oordelen op basis van de voorliggende stukken waaronder het in het Nederlands vertaalde arrest van het hof van beroep te Borgarting, dat het bij dat arrest bestrafte feit naar Belgisch recht onwettelijke invoer uitmaakt "niet voor eigen gebruik van andere verdovende middelen dan cannabis, met de verzwarende omstandigheid dat de invoer een daad van deelneming uitmaakt aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging" en derhalve strafbaar is overeenkomstig artikel 2bis, § 3b, Drugwet. Zij verwijzen hiervoor naar de in het Noorse arrest beschreven omstandigheden dat de drugsmokkel uitgevoerd werd "in opdracht van een derde genaamde Tom" en de verdovende middelen door de eiser "aan een derde (in vonnis ontvanger genoemd) in het Centraal station te Oslo dienden te worden afgeleverd". Het feit dat de appelrechters ten overvloede hieraan toevoegen dat de eiser "ook aan het hof [van beroep] aangaf dat hem gevraagd werd een bepaalde hoeveelheid drugs (na afhaling) af te leveren aan een bepaald persoon", doet hieraan geen afbreuk.
  5. Het middel heeft betrekking op een overtollige reden die de beslissing niet schraagt en die het geheel van de overige zelfstandige redenen op grond waarvan de appelrechters de vordering tot aanpassing van de in het buitenland ten laste van de eiser uitgesproken straf ongegrond verklaren, onaangetast laat. Het middel kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien niet ontvankelijk. Tweede middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 10 wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van gevonniste personen: de appelrechters mochten de feiten niet opnieuw onderzoeken; door het horen van de eiser ter rechtszitting hebben zij dit ten onrechte toch gedaan.
  7. Het middel gaat ervan uit dat de appelrechters de verzwarende omstandigheid (uitsluitend) in aanmerking hebben genomen na een eigen onderzoek, meer bepaald na het horen van de eiser ter rechtszitting. Het middel dat geheel is afgeleid uit het vergeefs aangevoerde eerste middel, is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de straf
  8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 54,12 euro waarvan 24,12 euro verschuldigd en 30 euro betaald is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts, en de raadsheren Etienne Goethals, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 13 oktober 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091013.14 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040224.20 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140429.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.