← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091015.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 158

Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep - arresten Raad van State Vrije woorden: Conflicten van attributie - Beslissingen van de Raad van State Wettelijke bepalingen:

Art. 158Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART.

100 TOT EINDE) - Artikel 158 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep - arresten Raad van State Vrije woorden: Cassatie - Bevoegdheid van het Hof - Conflicten van attributie - Beslissingen van de Raad van State Wettelijke bepalingen:

Art. 158

Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep - arresten Raad van State Vrije woorden: Conflicten van attributie - Beslissingen van de Raad van State - Toetsing - Bevoegdheid van het Hof Wettelijke bepalingen:

Art. 158

Thesaurus CAS: CONFLICT VAN ATTRIBUTIE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep - arresten Raad van State Vrije woorden: Beslissingen van de Raad van State - Toetsing - Bevoegdheid van het Hof Wettelijke bepalingen:

Art. 158

Fiches 6 - 7 De overheid die een individuele overheidshandeling heeft gesteld die voor de Raad van State wordt bestreden, heeft belang te horen bepalen of de kennisneming al dan niet binnen de rechtsmacht van de rechtscolleges van de rechterlijke orde valt wanneer de Raad van State de rechtsmacht verwerpt die de overheid voorstond; de overheid heeft in dergelijk geval wel een belang om te horen zeggen welke instantie het geschil moet beoordelen en blijft dat belang behouden ook wanneer de individuele maatregel voorlopig overeind blijft doordat de Raad van State zich zonder rechtsmacht heeft verklaard om erover te oordelen

(1).
(1)Zie Cass., 8 juni 2009, Verenigde Kamers, AR nr. S.08.029.N, met strijdige concl. van adv.-gen. MORTIER, waarop het O.M. in zijn mondelinge conclusie had gesteund om de onontvankelijkheid van het cassatieberoep op te werpen; het Hof heeft op 15 oktober 2009 in Verenigde Kamers analoge arresten uitgesproken in de zaken C.09.0015.N, C.09.0016.N, C.09.0017.N en C.09.0020.N. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Gemis aan belang of bestaansreden UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep - arresten Raad van State Vrije woorden: Individuele overheidshandeling - Annulatieprocedure - Raad van State - Beslissing waarbij de Raad zich zonder rechsmacht verklaart - Cassatieberoep - Overheid - Belang Wettelijke bepalingen:

Art. 158Gerechtelijk Wetboek - 07-10-1967 - Artt.

17 en 18 Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep - arresten Raad van State Vrije woorden: Annulatieprocedure - Beslissing waarbij de Raad zich zonder rechsmacht verklaart - Cassatieberoep - Overheid - Belang Wettelijke bepalingen:

Art. 158Gerechtelijk Wetboek - 07-10-1967 - Artt.

17 en 18 Fiches 8 - 11 Noch artikel 6.1 EVRM, noch enige andere verdrags- of grondwettelijke bepaling vereisen dat een administratieve geldboete die een straf uitmaakt in de zin van die bepaling, uitsluitend door een rechter van de rechterlijke orde wordt opgelegd en beoordeeld; behalve wanneer de sancties een vrijheidsstraf inhouden volstaat het dat de overtreder beschikt over een volwaardig jurisdictioneel beroep; een administratieve geldboete opgelegd aan een enkeling door een administratieve overheid in toepassing van een sanctieregeling bepaald in de wet, het decreet of de ordonnantie, kan wanneer de wetgever die bevoegdheid niet heeft toegekend aan een rechter van de rechterlijke orde, in de regel getoetst worden door de Raad van State in toepassing van zijn algemene bevoegdheid te beoordelen of een maatregel van de overheid al dan niet genomen is met machtsoverschrijding; de Raad van State kan hierbij onder meer onderzoeken, in het kader van dit objectief contentieux, of de individuele maatregel, met inachtneming van de verdragen, een wettelijke grondslag heeft en inzonderheid op haar evenredigheid kan worden getoetst door een rechter, en kan, zo de overtreder die mogelijkheid niet heeft, die individuele maatregel op grond van machtsoverschrijding vernietigen. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep - arresten Raad van State Vrije woorden: Administratieve geldboete - Straf - Toetsing - Bevoegde rechter Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep - arresten Raad van State Vrije woorden: Rechtsmacht - Administratieve geldboete - Straf - Toetsing - Criteria Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep - arresten Raad van State Vrije woorden: Rechtsmacht - Administratieve geldboete - Straf - Toetsing Thesaurus CAS: STRAF - GELDBOETE EN OPDECIEMEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep - arresten Raad van State Vrije woorden: Administratieve geldboete - Toetsing - Bevoegde rechter Annotaties Publicaties: Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] - BOULLART, Sven; Noot "De oplossing van conflicten van attributie door het Hof van Cassatie" - 2013, nr. 17, p. 1175-1185. Tekst van de beslissing Nr. C.09.0019.N BRUSSELS INSTITUUT VOOR MILIEUBEHEER, met zetel te 1200 Brussel, Gulledelle 100, eiser, vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 523, waar de eiser woonplaats kiest, tegen EMERY WORLDWIDE AIRLINES INC., vennootschap naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika, met zetel te Ohio 45377 USA, One Emery Plaza, Dayton International Airport, Vandalia, verweerster, vertegenwoordigd door mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 6000 Charleroi, rue de l'Athénée 9, waar de verweerster woonplaats kiest, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 4 december 2008 gewezen door de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs; - artikelen 12 tot 14, 110, 144 en 160 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - artikel 609, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek; - artikelen 7, 14 en 33 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 12 januari 1973; - voor zoveel als nodig, artikelen 2, 33, 35 tot 39 van de ordonnantie van 25 maart 1999 van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu, vóór haar wijziging door de ordonnantie van 28 juni 2001 van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu; - voor zoveel als nodig, artikel 20 van de ordonnantie van 17 juli 1997 van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad betreffende de strijd tegen geluidshinder in een stedelijke omgeving, vóór haar wijziging door de ordonnantie van 28 juni 2001 van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu; - voor zoveel als nodig, artikelen 1 en 2 van het besluit van 27 mei 1999 van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de bestrijding van geluidshinder voortgebracht door het luchtverkeer. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verwerpt het beroep om de volgende redenen: "Uit de tekst van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu blijkt dat de in artikel 33 bedoelde administratieve geldboetes als straf bedoeld zijn. Zo stelt artikel 33 dat een persoon die een van de in dat artikel opgesomde misdrijven pleegt, strafbaar is met een administratieve geldboete en stelt artikel 35 dat de misdrijven opgesomd in artikel 33 met administratieve geldboetes kunnen worden bestraft. Dat de administratieve geldboetes als straf bedoeld zijn, wordt bevestigd in de parlementaire voorbereiding (Gedr. St., Brusselse Hoofdstedelijke Raad, 1998-99, nr. A-312/1, p. 7 en 13). Zo luidt het bijvoorbeeld in de memorie van toelichting bij het ontwerp van ordonnantie: 'Dit ontwerp van ordonnantie (...) wil (...) een efficiënter strafbeleid inzake de milieuproblematiek bekrachtigen door (...) administratieve geldboetes in te voeren; (...) Het voordeel van administratieve geldboetes hoeft geen betoog meer. Door de minst zware misdrijven zo te bestraffen, zonder administratieve rompslomp, kunnen de strafrechtelijke sancties voor de ergste misdrijven voorbehouden worden '. Het niet-plegen van het in artikel 33, 7°, b), van de ordonnantie van 25 maart 1999 bedoelde misdrijf is bovendien een verplichting voor alle rechtsonderhorigen, en niet slechts voor een bepaalde groep van personen met een bijzondere rechtspositie. Het doel van deze sancties is, enerzijds, -repressief- de daders van het bedoelde misdrijf te bestraffen en, anderzijds, -preventief- eenieder af te schrikken het bedoelde misdrijf te begaan. De betrokken administratieve geldboete kan daarenboven oplopen tot het bedrag van 62.500 euro, of in geval van recidive tot 125.000 euro. Uit artikel 6.1 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, en de artikelen 12 tot 14, 110 en 144 van de Grondwet moet worden afgeleid dat een straf uitsluitend door de hoven en rechtbanken van de rechterlijke macht kan worden opgelegd of beoordeeld. De Raad van State beschikt bijgevolg niet over de vereiste rechtsmacht om kennis te nemen van huidig beroep tot nietigverklaring van een individuele overheidshandeling waardoor een bepaalde gedraging wordt bestraft". Grieven Luidens artikel 7 van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, ingesteld krachtens artikel 160 van de gecoördineerde Grondwet, doet de afdeling administratie uitspraak bij wijze van arresten in de gevallen voorzien bij deze wet en de bijzondere wetten. Artikel 14, §1, van genoemde gecoördineerde wetten bepaalt dat de afdeling bestuursrechtspraak uitspraak doet bij wijze van arresten over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden. Luidens artikel 33 van de genoemde gecoördineerde wetten, zoals bevestigd in artikel 609, enig lid, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen bij het Hof aanhangig worden gemaakt, de arresten waarbij de afdeling administratie beslist van de eis geen kennis te kunnen nemen om de reden dat die kennisneming binnen de bevoegdheid der rechterlijke overheden valt, alsmede de arresten waarbij die afdeling afwijzend beschikt op een exceptie van onbevoegdheid gegrond op de overweging dat de eis tot de bevoegdheid van die overheden behoort. Volgens de artikelen 2, 33, 35 tot 39 van de ordonnantie van 25 maart 1999 van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu, in samenlezing met artikel 2 van de ordonnantie van 17 juli 1997 van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad betreffende de strijd tegen geluidshinder in een stedelijke omgeving en de artikelen 1 en 2 van het besluit van 27 mei 1999 van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de bestrijding van geluidshinder voortgebracht door het luchtverkeer, zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten, is strafbaar met een administratieve geldboete van 25.000 tot 2.500.000 BEF (625 euro tot 62.500 euro), beoordeeld door het Brussels Instituut voor Milieubeheer, de persoon die als eigenaar, houder of gebruiker van een geluidsbron rechtstreeks of onrechtstreeks geluidshinder veroorzaakt of laat voortduren die de normen bepaald in het voornoemd besluit van 27 mei 1999 overschrijdt. Uit voormelde regelgeving volgt dat de Raad van State, in beginsel, kennisneemt van het beroep tot nietigverklaring tegen de beslissing van het Brussels Instituut voor Milieubeheer waarbij aan rechtsonderhorigen administratieve geldboetes worden opgelegd, wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht. Eerste onderdeel De bevoegdheid van de Raad van State om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring gericht tegen een individuele overheidshandeling is subsidiair. Deze bevoegdheid is uitgesloten wanneer de kennisneming van dergelijke betwisting tot de bevoegdheid van de rechterlijke overheden behoort. Volgens artikel 6.1. van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging het recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij wet is ingesteld. Volgens artikel 12, tweede lid, van de gecoördineerde Grondwet, kan niemand worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft. Het derde lid van voormeld artikel bepaalt dat. Overeenkomstig artikel 13 van de gecoördineerde Grondwet kan niemand tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent. Volgens artikel 14 van de gecoördineerde Grondwet kan geen straf worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet. Volgens artikel 110 van de gecoördineerde Grondwet heeft de Koning het recht de door de rechters uitgesproken straffen kwijt te schelden of te verminderen, behoudens hetgeen ten aanzien van de ministers en van de leden van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen is bepaald. Overeenkomstig artikel 144 van de gecoördineerde Grondwet behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken. Uitgezonderd de vrijheidsberoving bepaald in artikel 12, derde lid, van de gecoördineerde Grondwet, kan uit voormelde bepalingen niet worden afgeleid dat de administratieve sancties, gekwalificeerd als straffen in de zin van voormelde bepalingen, uitsluitend moeten worden beoordeeld en opgelegd door de hoven en rechtbanken van de rechterlijke macht. Wanneer een administratieve sanctie door een administratieve overheid wordt opgelegd, gekwalificeerd als straf in de zin van voormelde bepalingen, kan (uit) deze bepalingen evenmin worden afgeleid dat de individuele overheidshandeling uitsluitend moet worden beoordeeld door de hoven en rechtbanken van de rechterlijke macht. De bestreden beslissing schendt het geheel van de bepalingen waarnaar wordt verwezen in het middel, aangezien deze beslist dat de Raad van State niet over de vereiste rechtsmacht beschikt om kennis te nemen van het beroep tot nietigverklaring ingediend door de verwerende partij tegen de beslissing van 22 november 2001 van het Brussels Instituut voor Milieubeheer, waarbij een administratieve geldboete wordt opgelegd ten belope van 9.717,43 euro, ingevolge inbreuken op het besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 27 mei 1999 betreffende de bestrijding van geluidshinder voortgebracht door het luchtverkeer, om de reden dat "uit artikel 6.1 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, en de artikelen 12 tot 14, 110 en 144 van de Grondwet moet worden afgeleid dat een straf uitsluitend door de hoven en rechtbanken van de rechterlijke macht kan worden opgelegd of beoordeeld", terwijl de bepalingen waarnaar verwezen wordt in deze overweging van de bestreden beslissing geenszins verhinderen dat een administratieve sanctie, gekwalificeerd als straf in de zin van voormelde bepalingen, wordt beoordeeld en opgelegd door een administratieve overheid, en evenmin dat de controle van de individuele overheidshandeling waarbij een administratieve sanctie wordt opgelegd wordt uitgeoefend door de Raad van State. Tweede onderdeel Overeenkomstig artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, moet een sanctie beschouwd worden als een straf wanneer zij als dusdanig is gekwalificeerd in het interne recht of, subsidiair, wanneer de aard van de inbreuk alsook de aard en de graad van ernst van de sanctie onder het strafrecht vallen. De inbreuk moet beschouwd worden als strafrechtelijk van aard wanneer de strafbaarstelling zowel een repressief als een preventief doel nastreeft en wanneer ze zich niet specifiek richt tot een bepaalde groep, voorzien van een specifiek statuut. Ter zake, de administratieve geldboete voorzien in het artikel 35, 7°,

  1. b)heeft geen strafrechtelijke kwalificatie in het interne recht zodat enerzijds, de wettekst die haar bepaalt niet onder het strafrecht valt en anderzijds, zij niet is uitgesproken door een strafrechter maar door de administratie. Welnu, het bestreden arrest, teneinde de bevoegdheid van de Raad van State om kennis te nemen van het beroep tot nietigverklaring gericht tegen de beslissing van 22 november 2001 van het Brussels Instituut voor Milieubeheer, waarbij een administratieve geldboete wordt opgelegd ten belope van 9.717,43 euro af te wijzen, weerhoudt de strafrechtelijke kwalificatie van de administratieve geldboete in het interne recht om de reden dat "uit de tekst van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu blijkt dat de in artikel 33 bedoelde administratieve geldboetes als straf bedoeld zijn. Zo stelt artikel 33 dat een persoon die een van de in dat artikel opgesomde misdrijven pleegt, strafbaar is met een administratieve geldboete en stelt artikel 35 dat de misdrijven opgesomd in artikel 33 met administratieve geldboetes kunnen worden bestraft. Dat de administratieve geldboetes als straf bedoeld zijn wordt bevestigd in de parlementaire voorbereiding (Gedr. St., Brusselse Hoofdstedelijke Raad, 1998-99, nr. A-312/1, p. 7 en 13). Zo luidt het bijvoorbeeld in de memorie van toelichting bij het ontwerp van ordonnantie: "Dit ontwerp van ordonnantie (...) wil (...) een efficiënter strafbeleid inzake de milieuproblematiek bekrachtigen door (...) administratieve geldboetes in te voeren; (...) Het voordeel van administratieve geldboetes hoeft geen betoog meer. Door de minst zware misdrijven zo te bestraffen, zonder administratieve rompslomp, kunnen de strafrechtelijke sancties voor de ergste misdrijven voorbehouden worden". Bovendien, de administratieve geldboete beoogt niet de algemeenheid der burgers en is niet voldoende ernstig wat betreft haar gevolgen. Alleen de luchtvaartmaatschappijen zijn immers vatbaar om de litigieuze administratieve geldboete opgelegd te krijgen. Haar bedrag is berekend evenredig aan het aantal en aan de ernst van de geluidsoverschrijdingen. Ze kan niet, rekening houdende met de financiële mogelijkheden van haar bestemmelingen, beschouwd worden als ernstig in de zin van artikel 6.1 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het bestreden arrest stelt dat de litigieuze geldboete betrekking heeft op de algemeenheid der burgers en een voldoende graad van ernst heeft, om de reden dat "het niet plegen van het in artikel 33, 7°, b), van de ordonnantie van 25 maart 1999 bedoelde misdrijf is bovendien een verplichting voor alle rechtsonderhorigen, en niet slechts voor een bepaalde groep van personen met een bijzondere rechtspositie. Het doel van deze sancties is, enerzijds, -repressief- de daders van het bedoelde misdrijf te bestraffen en, anderzijds, -preventief- eenieder af te schrikken het bedoelde misdrijf te begaan. De betrokken administratieve geldboete kan daarenboven oplopen tot het bedrag van 62.500 euro, of in geval van recidive tot 125.000 euro". Wegens deze overwegingen, oordeelt het bestreden arrest niet naar recht haar beslissing om als strafrechtelijk, in de zin van artikel 6.1 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, te beschouwen de litigieuze administratieve geldboete en bijgevolg om de Raad van State ervan af te wijzen kennis ervan te nemen. Het schendt bijgevolg het geheel der wettelijke bepalingen voorzien in het middel. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. Het openbaar ministerie heeft, overeenkomstig het arrest van het Hof van 8 juni 2009 in de zaak S.08.0129.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090608.1, ambtshalve opgeworpen dat het cassatieberoep geen belang vertoont. 2. Krachtens artikel 158 van de Grondwet doet het Hof van Cassatie uitspraak over conflicten van attributie, op de wijze bij de wet geregeld. Artikel 33 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt onder meer dat bij het Hof van Cassatie aanhangig worden gemaakt de arresten en beschikkingen waarbij de afdeling bestuursrechtspraak beslist van de eis geen kennis te kunnen nemen op grond dat die kennisneming binnen de bevoegdheid der rechterlijke overheden valt. Het cassatieberoep wordt bij verzoekschrift der belanghebbende partij overeenkomstig het Gerechtelijk Wetboek ingediend. 3. Het Hof van Cassatie moet als enige in de Belgische rechtsorde beslissen over conflicten van attributie. Die grondwettelijke opdracht houdt in dat het een regulerende opdracht heeft in verband met de respectieve opdrachten van de rechterlijke orde en van de Raad van State. Beslissingen waarin de Raad van State uitspraak doet over de grenzen van zijn bevoegdheid ten aanzien van de bevoegdheid van de rechtscolleges van de rechterlijke orde, moeten in de regel door het Hof van Cassatie op dat vlak kunnen worden getoetst. 4. De overheid die een individuele overheidshandeling heeft gesteld die voor de Raad van State wordt bestreden, heeft belang te horen bepalen of de kennisneming al dan niet binnen de rechtsmacht van de rechtscolleges van de rechterlijke orde valt wanneer de Raad van State de rechtsmacht verwerpt die de overheid voorstond. De overheid heeft in dergelijk geval wel een belang om te horen zeggen welke instantie het geschil moet beoordelen en blijft dat belang behouden ook wanneer de individuele maatregel voorlopig overeind blijft doordat de Raad van State zich zonder rechtsmacht heeft verklaard om erover te oordelen. 5. Het bestreden arrest oordeelt dat de opgelegde maatregel een straf is in de zin van artikel 6.1 EVRM, dat de straf uitsluitend door de hoven en rechtbanken van de rechterlijke macht kan worden opgelegd of beoordeeld en dat de Raad van State bijgevolg niet over de vereiste rechtsmacht beschikt om kennis te nemen van het beroep tot nietigverklaring van een individuele overheidshandeling waardoor een bepaalde gedraging wordt gestraft. Het cassatieberoep dat gericht is tegen een beslissing waarin de Raad van State uitspraak doet over de grenzen van zijn bevoegdheid ten aanzien van de bevoegdheid van de rechtscolleges van de rechterlijke orde, is ontvankelijk. Het middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep moet worden verworpen. Middel Eerste onderdeel 6. Krachtens artikel 6.1 EVRM heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. Noch deze verdragsbepaling noch enige andere verdrags- of grondwettelijke bepaling vereisen dat een administratieve geldboete die een straf uitmaakt in de zin van die bepaling, uitsluitend door een rechter van de rechterlijke orde wordt opgelegd en beoordeeld. Behalve wanneer de sancties een vrijheidsstraf inhouden volstaat het dat de overtreder beschikt over een volwaardig jurisdictioneel beroep. 7. Een administratieve geldboete opgelegd aan een enkeling door een administratieve overheid in toepassing van een sanctieregeling bepaald in de wet, het decreet of de ordonnantie, kan wanneer de wetgever die bevoegdheid niet heeft toegekend aan een rechter van de rechterlijke orde, in de regel getoetst worden door de Raad van State in toepassing van zijn algemene bevoegdheid te beoordelen of een maatregel van de overheid al dan niet genomen is met machtsoverschrijding. De Raad van State kan hierbij onder meer onderzoeken, in het kader van dit objectief contentieux, of de individuele maatregel, met inachtneming van de verdragen, een wettelijke grondslag heeft en inzonderheid op haar evenredigheid kan worden getoetst door een rechter, en kan, zo de overtreder die mogelijkheid niet heeft, die individuele maatregel op grond van machtsoverschrijding vernietigen. 8. Het arrest stelt vast dat uit de tekst van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu blijkt dat de inbreuken op die ordonnantie gestraft worden met administratieve geldboetes die als straf bedoeld zijn. Het beslist op grond alleen van de strafrechtelijke aard van de sanctie dat de Raad van State niet over de vereiste rechtsmacht beschikt. Het arrest verantwoordt aldus zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, in verenigde kamers, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat het arrest zal worden overgeschreven in de registers van de Raad van State en dat daarvan melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Veroordeelt de verweerster in de kosten. Verwijst de zaak naar de anders samengestelde afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die zich zal gedragen naar de beslissing van het Hof over het beslechte rechtspunt. De kosten zijn begroot op de som van 613,61 euro jegens de eisende partij en op de som van 276,11 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, verenigde kamers, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, de voorzitters Ivan Verougstraete en Christian Storck, de afdelingsvoorzitters Edward Forrier, Jean de Codt, Frédéric Close, Paul Mathieu, de raadsheren Didier Batselé, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Geert Jocqué en op de openbare rechtszitting van 15 oktober 2009 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van Dirk Thijs, advocaat-generaal, met bijstand van hoofdgriffier Chantal Van Der Kelen. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091015.1 Gerelateerde publicatie(
  2. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090608.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110530.1 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110530.2 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130308.6 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130425.6 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20131206.5 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150326.6 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201127.REUN.3 ECLI:BE:CTBRL:2012:ARR.20120629.9 ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.076 ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.211 ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.137 ECLI:BE:RVSCE:2015:ARR.232.213 ECLI:BE:RVSCE:2015:ARR.232.214 ECLI:BE:RVSCE:2015:ARR.232.240 ECLI:BE:RVSCE:2015:ARR.232.522 ECLI:BE:RVSCE:2015:ARR.232.532 ECLI:BE:RVSCE:2015:ARR.232.533 ECLI:BE:RVSCE:2015:ARR.233.164 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.234.111 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.234.335 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.235.298 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.235.299 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.010 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.011 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.012 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.015 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.250 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.596 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.598 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.599 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.601 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.773 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.774 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.777 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.778 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.953 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.070 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.071 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.072 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.922 ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.091 ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.092 ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.093 ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.094 ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.095 ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.096 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.307 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.