id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091015.5 Rolnummer: F.08.0070.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Financieel recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2009-11-04 Raadplegingen: 570 - laatst gezien 2026-07-02 21:40 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091015.5 Fiche 1 Met de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen die aan het fiscaal bankgeheim onderworpen zijn, worden de financiële instellingen in het algemeen bedoeld en niet alleen de instellingen waarvan de werkzaamheden bestaan in het in ontvangst nemen van gelddeposito's of het verlenen van krediet voor eigen rekening; financiële instellingen omvatten ook de ondernemingen die een werkzaamheid van financiële leasing uitoefenen
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Allerlei UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BANK - EN KREDIETWEZEN - Bankrecht - Bankgeheim HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BIJZONDERE HANDELSOVEREENKOMSTEN - Financieringshuur - leasing Vrije woorden: Onderzoek en controle - Verplichtingen van de belastingplichtige - Fiscaal bankgeheim - Onderworpen instellingen Fiche 2 Het bankgeheim geldt niet ten aanzien van de verkoop door een leasingmaatschappij van een voertuig dat voordien het voorwerp heeft uitgemaakt van een leasingsovereenkomst, aan een andere persoon dan de leasingnemer, ook niet ingeval de aankoopoptie door de leasingnemer, met instemming van de leasinggever aan deze persoon werd overgedragen
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Allerlei UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BANK - EN KREDIETWEZEN - Bankrecht - Bankgeheim HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BIJZONDERE HANDELSOVEREENKOMSTEN - Financieringshuur - leasing Vrije woorden: Onderzoek en controle - Verplichtingen van de belastingplichtige - Fiscaal bankgeheim - Leasingsmaatschappijen - Bankgeheim Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 318, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Allerlei UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BANK - EN KREDIETWEZEN - Bankrecht - Bankgeheim HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BIJZONDERE HANDELSOVEREENKOMSTEN - Financieringshuur - leasing Vrije woorden: Onderzoek en controle - Verplichtingen van de belastingplichtige - Fiscaal bankgeheim - Onderworpen instellingen Onderzoek en controle - Verplichtingen van de belastingplichtige - Fiscaal bankgeheim - Leasingsmaatschappijen - Bankgeheim Annotaties Publicaties: T.F.R. - MALHERBE Philippe; BEYNSBERGER Marjolein, DAENEN Philip - 2010/377 - p. 223-247 Tekst van de beslissing Nr. F.08.0070.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de directeur van de administratie der directe belastingen te Antwerpen II, met kantoor te 2000 Antwerpen, Tabakvest 50, eiser, tegen 1. V.M., 2. V.J., 3. V.E., 4. V.W., als rechtsopvolger van J.V., verweerders, 5. V.M., verweerster, met als raadsman mr. Liesbet Verlinden, advocaat bij de balie te Antwerpen, met kantoor te 2610 Antwerpen, Berkenlaan 45, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 11 maart 2008 gewezen door het hof van beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 318, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)(hierna WIB92); - de artikelen 1319, 1320 en 1322-e.v. van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW); - artikel 870, van het Gerechtelijk Wetboek (hierna Ger. W.). Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest stelt dat uit de voorgelegde documenten blijkt dat wijlen de heer V. op 5 april 1996 van de leasingmaatschappij nv Fidisco een personenwagen (BMW 525 TDS) ten bedrage van 47.185 frank (1.169,69 euro) heeft gekocht (stuk 43 AD). Het bestreden arrest stelt verder dat deze wagen voorheen het voorwerp vormde van een leasingcontract tussen enerzijds de nv Fidisco en anderzijds de bvba V., welke aanving op 8 april 1993 en liep tot 8 januari 1996 (stuk 43 AD). Het bestreden arrest gaat uit van artikel 318 van het WIB92 zoals van toepassing voor het aanslagjaar
- Daaromtrent stelt het hof het volgende: overeenkomstig artikel 318 van het WIB92 is de fiscus niet gemachtigd om in de rekeningen, boeken en documenten van de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen inlichtingen in te zamelen met het oog op het belasten van hun cliënten. Hiermee worden volgens het hof de financiële instellingen in het algemeen bedoeld en niet alleen de instellingen waarvan de werkzaamheden bestaan in het in ontvangst nemen van gelddeposito's of van het verlenen van krediet voor eigen rekening. Verwijzende naar vroegere cassatierechtspraak oordeelt het hof ook dat financiële instellingen, naar normaal spraakgebruik, ook de ondernemingen omvatten die een werkzaamheid van financiële leasing uitoefenen (Cass. 16 maart 2007, T.F.R. 2007, 793 e.v.). Het Hof stelt verder evenwel ook dat wanneer de leasingnemer de optie tot aankoop met instemming van de leasinggever aan een derde overdraagt, deze derde een cliënt wordt van de leasingmaatschappij, zodat hij ook bescherming geniet van artikel 318 van het WIB
- Grieven Tegen dit arrest voert de eiser in cassatie het volgende middel aan: Schending van artikel 318, eerste lid, van het WIB92 juncto artikel 1, 10°, van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet en de artikelen 1319, 1320 en 1322, van het B.W., alsmede artikel 870 Ger. W. m.b.t. bewijskracht van de factuur - alles zoals van toepassing voor het aanslagjaar
- Artikel 318, eerste lid, van het WIB92 luidt voor het aanslagjaar 1997: "In afwijking van de bepalingen van artikel 317 en onverminderd de toepassing van de artikelen 315, 315bis en 316, is de administratie niet gemachtigd in de rekeningen, boeken en documenten van de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen inlichtingen in te zamelen met het oog op het belasten van hun cliënten". Artikel 318, 1ste lid, WIB92 is aldus een uitzonderingsbepaling op artikel 317, WIB92, dat stelt dat "de in artikelen 315, eerste en tweede lid, 315 bis, eerste tot derde lid en 316, bedoelde verificaties en vragen om inlichtingen mogen slaan op alle verrichtingen waaraan de belastingplichtige heeft deelgenomen en de aldus ingewonnen inlichtingen kunnen eveneens worden ingeroepen met oog op het belasten van derden". Artikel 318, 1ste lid, WIB92 dient bijgevolg restrictief te worden geïnterpreteerd. Financieringshuur of leasing wordt geregeld in de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet. Door te oordelen dat in casu de leasingnemer de optie tot aankoop met instemming van de leasinggever aan een derde heeft overgedragen, dat deze derde hierdoor een cliënt is geworden van de leasingmaatschappij en zodoende ook bescherming geniet van artikel 318, WIB92, schendt het hof artikel 318, eerste lid, WIB92 én miskent hij de bewijskracht van de in onderhavig geval voorgelegde stukken. Vooreerst betreft de betrokken handeling namelijk geen handeling die geviseerd wordt door artikel 318, eerste lid, WIB
- De betrokken handeling betreft namelijk een verkoop van een goed die losstaat van de leasingovereenkomst. Om deze reden alleen al wordt artikel 318, eerste lid, WIB92 en artikel 1, 10°, van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet geschonden. En bovendien blijkt uit het bestreden arrest dat in onderhavig dossier enkel een verkoopfactuur werd voorgelegd op naam van de nv Fidisco en gericht aan de heer V. J. . Oordelen dat er sprake zou zijn van enige toetreding tot een leasingovereenkomst, zou aldus de bewijskracht van dit stuk miskennen. Door aldus op basis van de voorgelegde stukken te beslissen dat de verweerders in cassatie bescherming genieten van artikel 318, WIB92 omdat de leasingnemer de optie tot aankoop met instemming van de leasinggever aan een derde heeft overgedragen en hierdoor een cliënt van de leasingmaatschappij is geworden, schendt het bestreden arrest het voornoemde artikel 318, §1, WIB92, artikel 1, 10°, van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet én de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het BW en 870 van het Ger. W. m.b.t. de bewijskracht van de factuur. Eerste onderdeel Artikel 318, eerste lid, WIB92 is in onderhavig geval niet van toepassing omdat de betrokken handeling een loutere verkoop van een actief betreft en deze handeling niet geviseerd wordt door artikel 318, eerste lid, WIB
- Financieringshuur wordt geregeld in de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet. Artikel 1, 10°, bepaalt wat voor de toepassing van deze wet onder financieringshuur moet worden verstaan: "Elke kredietovereenkomst, ongeacht de benaming of de vorm, waarbij de ene partij zich ertoe verbindt de andere het genot van een lichamelijk roerend goed te verschaffen tegen een bepaalde prijs, die de laatstgenoemde zich verbindt periodiek te betalen en waarin, eveneens expliciet of stilzwijgend, een koopaanbod is vervat. Voor de toepassing van deze wet wordt de verhuurder beschouwd als kredietgever". Het doel van de financieringshuur is de leasingnemer het genot te verschaffen van een lichamelijk roerend goed tegen een bepaalde prijs, waarbij een koopaanbod is vervat waarop op het einde van de overeenkomst kan worden ingegaan. De leasingovereenkomst voorziet voor de leasingnemer in de mogelijkheid tot financiering van uitrusting, doch de verplichting van de leasinggever bestaat hoofdzakelijk uit de terbeschikkingstelling van het goed terwijl de verplichting van de leasingnemer bestaat in het betalen van de huur. Indien na afloop van de leasingovereenkomst het betrokken goed niet door de leasingnemer wordt overgenomen, zoals in casu het geval is (stuk 9), blijft dit goed in het actief van de leasinggever achter en komt de leasingovereenkomst tot een einde. In casu is er dus geen sprake van overdracht. Zoals door het hof van beroep in zijn arrest werd vastgesteld, werd de leasingovereenkomst in casu afgesloten tussen, enerzijds, de bvba Houthandel V. (leasingnemer) en, anderzijds, de nv Fidisco (leasinggever). Deze leasingovereenkomst ving aan op 8 april 1993 en liep tot 8 januari 1996, waarbij de leasingnemer de aankoopoptie niet heeft gelicht (stuk 9). De leasingovereenkomst hield dus op met te bestaan op 8 januari 1996 en voor de leasingmaatschappij maakte de identiteit van de uiteindelijke koper niets uit. De heer V. was en kon dus geen betrokken partij bij deze leasingovereenkomst zijn. Uit artikel 1, 10°, van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, kunnen trouwens een aantal rechten en plichten worden afgeleid die gelden voor de partijen betrokken bij een leasingovereenkomst. Zo is de leasinggever gebonden het genot van een lichamelijk roerend goed te verschaffen aan de leasingnemer; is de leasingnemer op zijn beurt gehouden om periodiek een bepaalde prijs voor dit genot te betalen en dient in de leasingovereenkomst een koopaanbod vervat te zijn. De heer V. heeft geen enkele van deze rechten of plichten en kan dan ook geen partij bij een dergelijke leasingovereenkomst zijn. Het bestreden arrest stelt bovendien vast dat uit de aan het (hof van beroep) voorgelegde documenten blijkt dat wijlen de heer V. op 5 april 1996 - drie maanden na afloop van de leasingovereenkomst tussen de bvba Houthandel V. en de leasingmaatschappij nv Fidisco - een personenwagen van deze leasingmaatschappij heeft gekocht ten bedrag van 47.185 frank (1.169,69 euro). Aangezien er tussen de nv Fidisco en wijlen de heer V. geen leasingovereenkomst is gesloten en er geen sprake is van een toetreding tot het bestaande leasingcontract tussen de bvba Houthandel V. en nv Fidisco, dient vastgesteld te worden dat de betrokken handeling een loutere verkoop van een actiefbestanddeel betreft. Het hof heeft aan de gedane vaststellingen omtrent de verkoopfactuur dus een verkeerde juridische omschrijving gegeven als zijnde dat het niet om een verkoop van een goed zou gaan, maar om handeling die kadert in de leasingovereenkomst en zodoende te beschouwen valt als een handeling in de zin van artikel 318, eerste lid, WIB
- Bijgevolg vindt de uitzonderingsbepaling van artikel 318, WIB92 geen toepassing, aangezien de verkoop aan een derde - niet cliënt - geen deel uitmaakt van de kredietverstrekking, doch enkel de levering van een goed betreft. Deze levering geniet evenwel niet de bescherming van het bankgeheim. Niet alleen blijkt dit uit artikel 1, 10°, van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, maar tevens uit de parlementaire werken bij artikel 318, eerste lid, WIB
- De beperking van de fiscale onderzoeksmachten m.b.t. de financiële instellingen werd destijds ingevoerd door artikel 34, van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen van 1979-1980 (BS 15 augustus 1980). Vóór deze wet was de fiscale administratie bij een fiscaal onderzoek ten aanzien van de financiële instellingen door geen enkele specifieke beperking gebonden. Nochtans genoten financiële instellingen ook vóór de wet van 8 augustus 1980 van een feitelijk bankgeheim op grond van traditioneel gebruik (W. Dierick, "De fiscus en het bankgeheim", A.F.T. 1982, p. 216; A. Spruyt "De rechten van onderzoek van de fiscus terzake van inkomstenbelastingen" in Actuele problemen van fiscaal recht, Antwerpen, Kluwer, 1989, p. 174). In de parlementaire voorbereidingen van de wet van 20 november 1962 stelde de minister van financiën dat de uitbreiding van de onderzoeksbevoegdheden die met deze wet gepaard gingen evenwel niet tot gevolg zouden hebben dat de fiscus in het stadium van een taxatie een aanslag zou kunnen plegen op het bankgeheim, dit om de normale werking van de kredietinstellingen niet te belemmeren (Parl. St. Kamer, 1961-62, nr. 264/1, p. 37). Verder stelde de minister dat de fiscale administratie onder het stelsel van de wet van 20 november 1962, zoals onder de toenmalig bestaande wetgeving, van de kredietinstellingen geen enkele inlichting mocht vorderen in verband met de verrichtingen die normaal in het raam van de activiteit van deze instelling vallen (Parl. St. Kamer, 1961-62, nr. 264/1, p.110). Aan deze niet gereglementeerde situatie kwam aldus een einde met de hoger vermelde wet van 8 augustus
- Voormelde onderliggende motieven zijn evenwel nog steeds toepasselijk. Uit de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 8 augustus 1980 blijkt immers duidelijk dat met de toevoeging aan artikel 224, WIB64 en artikel 318, WIB92 het de bedoeling van de wetgever is geweest het bestaande geheim tussen de banken en hun klanten met betrekking tot de bankverrichtingen te beschermen, maar nog steeds binnen bepaalde beperkingen (Parl. St. Kamer, 1979-1980, nr. 323/61 en nr. 323/73, en Parl. St. Senaat, 1979-1980, 483/9). Het "bankgeheim" dat kan omschreven worden als een geheimhoudingsverplichting die bestaat wanneer een persoon uitdrukkelijk of stilzwijgend aanvaardt deel te nemen in het vertrouwen van een andere persoon en vanaf dat ogenblik kennis neemt van vertrouwelijke informatie, blijft nog steeds beperkt tot de eigenlijk financiële activiteiten van de financiële instellingen. De contractuele verhouding tussen partijen in een verkoop van een voertuig, dat voorheen het voorwerp uitmaakte van een leasingovereenkomst, is geen dergelijke activiteit. Ze vereist dan ook niet meer vertrouwen dan bij een andere verhouding tussen klant en leverancier. Deze verkoop kadert immers niet binnen de verrichtingen die onder de normale activiteiten van deze instelling vallen. Zoals hiervoor werd aangetoond omvat een leasingovereenkomst gebruikelijkerwijze niet de verkoop van het geleasde goed aan een derde. Er is ook geen reden om aan te nemen dat de inlichtingen verkregen door een onderneming in het kader van deze verkoop, vertrouwelijker zouden zijn dan deze verkregen door om het even welke leverancier ter gelegenheid van een verkoop aan zijn klanten. Gelet op het feit dat de betrokken verkoop niet kadert binnen de financiële verrichtingen die bescherming genieten van artikel 318, eerste lid, WIB92, schendt het betwiste arrest bijgevolg artikel 318, eerste lid, WIB92 en artikel 1, 10°, van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet door anders te oordelen. Het hof spreekt in zijn arrest trouwens zelf uitdrukkelijk van een verkoop van een wagen. De loutere verkoop van een wagen op of zelfs na het einde van de leasingovereenkomst aan een derde, betreft echter geen handeling die kadert binnen de leasingovereenkomst en is dus geen handeling die bescherming geniet onder artikel 318, eerste lid, WIB
- Deze handeling is volledig vreemd aan de leasingovereenkomst en betreft de loutere levering van een goed en kan dan ook niet van de bescherming van het bankgeheim genieten. Bij het ondervragen van een leasingmaatschappij in de gevallen waarbij zij het voertuig verkocht heeft aan een andere koper dan de leasingnemer, verzamelt de administratie dus geen inlichtingen die geviseerd zijn door het verbod bepaald in artikel 318, 1ste lid, WIB
- Zij ondervraagt de leasingmaatschappij enkel omtrent een commerciële verrichting van verkoop van een voertuig die werd verricht ten aanzien van een partij die derde was aan het leasingcontract, met ander woorden een verrichting die volledig vreemd is aan een verrichting van financiële leasing. Een handeling die zonder twijfel niet beschermd is door het bankgeheim opgenomen onder artikel 318, eerste lid, WIB
- Zoals reeds gesteld maakt de identiteit van de koper niets uit voor de leasingmaatschappij. Het is immers vaststaande rechtspraak dat het bankgeheim louter toepasselijk is op bank- of kredietactiviteiten in de eigenlijke zin van het woord en niet op de louter commerciële aan- of verkoopverrichtingen van niet-financiële goederen of diensten die niet afhangen van de kredietfunctie. Derhalve werden de door de administratie verkregen inlichtingen in casu geenszins met miskenning van het bankgeheim verkregen, en mag de administratie zich daarop steunen. Anders oordelen zou aan het bankgeheim een veel te ruime bescherming toekennen. Het administratief standpunt wordt eveneens bevestigd door de rechtspraak van het hof van beroep te Brussel (Bruxelles 6 april 2006, 2003/AR/409 en 19 april 2006, 2002/AR/1948). Ook het hof van beroep te Antwerpen en te Luik bevestigen dat de verkoop van een auto aan een derde bij het verstrijken van een leasingovereenkomst, geen financiële handeling is en dus geen schending inhoudt van artikel 318, WIB92 (Antwerpen 16 september 2003, 2002/AR/629 en 29 april 2003, 2002/AR/847; Antwerpen 24 juni 2008 A.R. 206/AR/1770; Luik 3 maart 2004, 2003/RG/576; Luik 14 maart 2003, 721/RG/2002; Luik 26 november 2003, 1746/RG/2002, Luik 21 mei 2008 - 2006/RG/445, - zie stukken in bijlage). Tweede onderdeel Anders oordelen - zoals het hof in casu heeft gedaan - miskent trouwens de bewijskracht van de voorgelegde factuur. Het hof erkent in zijn arrest namelijk uitdrukkelijk dat uit het document, dat door de belastingadministratie werd gebruikt bij onderhavig betwiste taxaties, blijkt dat wijlen de heer V. op 5 april 1996 een personenwagen van de nv Fidisco heeft gekocht. Desondanks stelt het hof verder dat moet worden aangenomen dat de bvba Houthandel V. met instemming van de nv Fidisco de aankoopoptie had overgedragen aan wijlen de heer V., zodoende dat deze laatste cliënt werd van de leasingmaatschappij en zodoende bescherming kon genieten van artikel 318, 1ste lid, WIB
- nergens uit dit stuk blijkt echter dat er sprake is van een overdracht van een aankoopoptie. Het hof oordeelt aldus in strijd met de voorgelegde bewijsstukken en in het bijzonder met de verkoopfactuur dat de betrokken handeling geen loutere verkoop zou betreffen maar de lichting van een aankoopoptie in het kader van een leasingovereenkomst. Door aldus op basis van de voorgelegde stukken te beslissen dat de verweerders in cassatie bescherming genieten van artikel 318, WIB92 omdat de leasingnemer de optie tot aankoop met instemming van de leasinggever aan een derde heeft overgedragen en hierdoor een cliënt van de leasingmaatschappij is geworden, schendt het bestreden arrest het voornoemde artikel 318, §1, WIB92, artikel 1, 10°, van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet én de artikelen 1319, 1320 en 1322, van het B.W. en 870, van het Ger. W. m.b.t. de bewijskracht van de factuur. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Artikel 318, eerste lid, WIB92 bepaalt dat in afwijking van de bepalingen van artikel 317 en onverminderd de toepassing van de artikelen 315, 315bis en 316, de administratie niet gemachtigd is om in de rekeningen, boeken en documenten van de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen inlichtingen in te zamelen met het oog op het belasten van hun cliënten.
- Hiermee worden de financiële instellingen in het algemeen bedoeld en niet alleen de instellingen waarvan de werkzaamheden bestaan in het in ontvangst nemen van gelddeposito's of het verlenen van krediet voor eigen rekening. Financiële instellingen omvatten, naar algemeen spraakgebruik, ook de ondernemingen die een werkzaamheid van financiële leasing uitoefenen.
- Het bankgeheim geldt niet ten aanzien van de verkoop door een leasingmaatschappij van een voertuig dat voordien het voorwerp heeft uitgemaakt van een leasingovereenkomst, aan een andere persoon dan de leasingnemer, ook niet ingeval de aankoopoptie door de leasingnemer, met instemming van de leasinggever aan deze persoon werd overgedragen. De derde die de aankoopoptie overneemt, wordt geen leasingnemer en geniet niet van enige financiering vanwege de leasingmaatschappij. Hij kan dan ook niet als cliënt van een financiële instelling worden aangemerkt als bedoeld in voormeld artikel
- De appelrechters hebben niet naar recht kunnen beslissen dat de overnemer van de aankoopoptie een cliënt wordt van de leasingmaatschappij zodat hij ook de bescherming van voormeld artikel 318 geniet en dat de inlichtingen waarop de litigieuze taxatie is gebaseerd, verkregen zijn met schending van het fiscale bankgeheim. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart en de vordering tegen de directoriale belasting ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 15 oktober 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091015.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091015.5 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140522.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110408.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div