id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091015.6 Rolnummer: F.08.0073.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-11-04 Raadplegingen: 229 - laatst gezien 2026-07-02 21:41 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091015.6 Fiche 1 Onder een onroerend goed dat tot bewoning is bestemd in de zin van artikel 54, derde lid, W. Reg., wordt in het algemeen spraakgebruik een onroerend goed verstaan dat dient tot bewoning zonder dat vereist is dat het reeds effectief kan bewoond worden
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: REGISTRATIE (RECHT VAN) UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - REGISTRATIERECHT - Vaststelling registratierechten FISCAAL RECHT - REGISTRATIERECHT - Vaststelling registratierechten - Overdracht onroerende goederen Vrije woorden: Vermindering wegens bescheiden woning - Uitsluiting - Bezit van een tot woning bestemd onroerend goed Wettelijke bepalingen: Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten - 30-11-1939 - Art. 53, eerste lid, 2°, en derde lid Fiche 2 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: REGISTRATIE (RECHT VAN) UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - REGISTRATIERECHT - Vaststelling registratierechten FISCAAL RECHT - REGISTRATIERECHT - Vaststelling registratierechten - Overdracht onroerende goederen Vrije woorden: Vermindering wegens bescheiden woning - Uitsluiting - Bezit van een tot woning bestemd onroerend goed Annotaties Publicaties: Fisc. Act. - VERMEULEN Wim; DUMONT Tillo - 2010/2 - p. 2-4 Tekst van de beslissing Nr. F.08.0073.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de ontvanger van het registratiekantoor te Aarschot, met kantoor te 3200 Aarschot, Amerstraat 19, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest, tegen 1. B.L., en 2. G.S., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 21 februari 2008 gewezen door het hof van beroep te Brussel. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 53, in het bijzonder 53, 2°, 54, derde lid, 55, 2°,
- c)en 57 van het koninklijk besluit nr. 64 van 30 november 1939, houdende het Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten (W.Reg.), artikel 53 vóór zijn wijziging bij Decreet van 1 februari 2002. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch wijst het af als ongegrond. Het bestreden arrest bevestigt zodoende het vonnis van de eerste rechter die het dwangbevel, dat op 30 oktober 2000 aan de verweerders was betekend, ongegrond verklaart en voor recht zegt dat de verweerders uit hoofde van dit dwangbevel niets verschuldigd zijn aan de eiser. Het bestreden arrest overweegt hierbij als volgt: "In artikel 53, 2°, W. Reg., werd een verlaging van het registratierecht van 12,5 pct. tot 6 pct. bepaald voor de verkopingen van de eigendom van een woning waarvan het KI een bepaald maximum niet overschrijdt. In deze bepaling is ook een definitie van woning terug te vinden. Zo is een woning het huis of het geheel of gedeelte van een verdieping van een gebouw dat dient of zal dienen tot huisvesting van een gezin of van één persoon. "In artikel 54, derde lid, W. Reg., wordt de toepassing van het verlaagde tarief uitgesloten indien de verkrijger of zijn echtgenoot reeds een ander onroerend goed bezitten dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd. Dezelfde termen ‘geheel of gedeeltelijk tot bewoning bestemd' komen voor in artikel 55, 2°, c), W. Reg., dat de toepassing van het verlaagde tarief afhankelijk maakt van de voorwaarde dat de akte of een verklaring onderaan op de akte vermeldt dat de verkrijger of zijn echtgenoot geen onroerend goed bezitten dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd. In haar aanschrijving nr. 2 van 17 januari 1980 definieert (de eiser) het begrip ‘een onroerend goed dat tot bewoning is bestemd' als volgt: ‘Er wordt bedoeld elk onroerend goed dat tot permanente huisvesting van een gezin dient of kan dienen, met uitzondering van de bijzondere goederen, zoals wooncaravans en lokalen die opgevat zijn voor de huisvesting van studenten, die onroerende goederen kunnen zijn, maar die niet zijn opgevat om een gezin het hele jaar door te huisvesten'. Met deze definitie stemt (de eiser) de in artikel 54, lid 3, W. Reg., terug te vinden notie ‘tot woning bestemd' af op de hierboven aangehaalde definitie van woning zoals terug te vinden in artikel 53, 2°, W. Reg., (‘het huis of het geheel of gedeelte van een verdieping van een gebouw dat dient of zal dienen tot huisvesting van een gezin of van één persoon'). De woorden ‘dient of zal dienen' zoals expliciet terug te vinden in artikel 53, 2°, en die bijgevolg eveneens gelden voor de toepassing van artikel 54, lid 3, W. Reg., slaan op de al dan niet effectieve bewoning door het gezin op het ogenblik van de aankoop en blijven bijgevolg vreemd aan de toestand van het pand. Dit betekent in concreto dat het gekochte pand er een is dat vatbaar is voor bewoning op het ogenblik van de aankoop. Ter openbare zitting van het hof van 17 januari 2008 preciseerden (de verweerders), zonder daarin te worden tegengesproken door (de eiser), dat, op het ogenblik van de aankoop van hun woning te Langdorp, het in oprichting zijnde appartementsgebouw te Gent tot de derde verdieping voltooid was, terwijl zij het dakappartement hadden aangekocht. Bijgevolg was hun appartement geenszins vatbaar voor bewoning op het ogenblik van de aankoop van het woonhuis. Derhalve vielen (de verweerders) geenszins onder de uitsluitingsbepaling van artikel 54, lid 3, W. Reg., maar kwamen zij in aanmerking voor het verlaagde tarief van artikel 53, 2°, W. Reg., wat de aankoop van het woonhuis te Langdorp betreft". (arrest, p.6, laatste alinea - p.8). Grieven 1. Overeenkomstig artikel 53, 2°, W. Reg., wordt het bij artikel 44 vastgestelde recht verminderd (van 12,5 pct. naar 6 pct.) in geval van verkoop van de eigendom van woningen waarvan het gebouwd of ongebouwd kadastraal inkomen een bij koninklijk besluit vast te stellen maximum niet overschrijdt. Als woning wordt aangemerkt het huis of het geheel of het gedeelte van een verdieping van een gebouw, dat dient of zal dienen tot huisvesting van een gezin of één persoon, met in voorkomend geval de aanhorigheden die tegelijk met het huis, het geheel of het gedeelte van een verdieping worden verkregen. De woning in de zin van artikel 53, 2°, W. Reg., betreft m.a.w. de aangekochte, bescheiden woning die, hetzij, tot huisvesting "dient" op het ogenblik van de aankoop, hetzij, mits de uitvoering van enkele renovatiewerken, tot bewoning "zal dienen". De bedoelde woning is derhalve reeds volledig opgetrokken en vatbaar voor bewoning op het ogenblik van de aankoop. Voor de aankoop van de eigendom van een grond welke tot bouwplaats voor een woning moet dienen, bepaalt artikel 57, W. Reg., de voorwaarden om van het gunsttarief te genieten. 2. Krachtens artikel 54, derde lid, W. Reg., is de onder artikel 53, 2°, bepaalde vermindering niet toepasselijk indien de verkrijger of zijn echtgenoot reeds, voor het geheel in volle of in blote eigendom, een onroerend goed bezitten dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd en dat door hen of door een van hen anders dan uit de nalatenschap van hun bloedverwanten in de opgaande lijn is verkregen. De voorziene verlaging is tevens aan de voorwaarde verbonden dat de akte, of een door de verkrijger gewaarmerkte en ondertekende verklaring onderaan op de akte, uitdrukkelijk vermeldt dat de verkrijger of zijn echtgenoot voor het geheel in volle of in blote eigendom geen onroerend goed bezitten dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd en door hen of door één van hen anders dan uit de nalatenschap van hun bloedverwanten in de opgaande lijn werd verkregen (artikel 55, 2°, c), W. Reg.). Het onroerend goed in de zin van artikel 54, derde lid, en 55, 2°, c), W. Reg., verschilt van de woning bedoeld in artikel 53, 2°, W. Reg., doordat het niet noodzakelijk om een woning moet gaan die dient of zal dienen tot huisvesting, m.a.w. het is niet vereist dat het bedoelde onroerend goed reeds vatbaar is voor bewoning. Voor de toepassing van artikel 54, derde lid, W. Reg., volstaat het dat de verkrijger en zijn echtgenoot een onroerend goed in eigendom hebben waaraan de bestemming tot bewoning is gegeven, ongeacht de staat van voltooiing van het betrokken pand en de geschiktheid voor huisvesting of bewoning. De aankoop van een nog op te richten gebouw dat bestemd is voor bewoning, zoals de aankoop van een appartement op plan, is derhalve op te vatten als "een onroerend goed dat tot bewoning is bestemd" in de zin van artikel 54, derde lid, W. Reg.. 3. Het bestreden arrest oordeelde dat de notie van "onroerend goed dat tot bewoning is bestemd" in de zin van artikel 54, derde lid, W. Reg., is afgestemd op de definitie van woning zoals terug te vinden in artikel 53, 2°, W. Reg., zodat ook voor de toepassing van artikel 54, derde lid, W. Reg., is vereist dat het onroerend goed er een is dat dient of zal dienen voor al dan niet effectieve huisvesting of bewoning door een gezin, m.a.w. dat het onroerend goed vatbaar moet zijn voor bewoning op het ogenblik van de aankoop van de bescheiden woning. Het bestreden arrest stelt verder vast dat op het ogenblik van de aankoop van de bescheiden woning te Langdorp het in oprichting zijnde appartementsgebouw te Gent tot de derde verdieping was voltooid, terwijl de verweerders het dakappartement hadden gekocht zodat het onroerend goed van de verweerders te Gent, in zoverre het nog niet voor bewoning vatbaar was op het ogenblik van de aankoop van het woonhuis te Langdorp, volgens de appelrechters niet onder de uitsluitingsbepaling van artikel 54, derde lid, W. Reg., kon vallen. Niet de toestand of de staat van afwerking van het onroerend goed, maar de bestemming die eraan is gegeven, is relevant voor de toepassing van artikel 54, derde lid, W. Reg., zodat het loutere feit dat het dakappartement van de verweerders nog niet was opgetrokken op het ogenblik van de aankoop van de bescheiden woning te Langdorp geen afbreuk kan doen aan de kwalificatie van het dakappartement als een onroerend goed dat tot bewoning is bestemd in de zin van voormelde bepaling. 4. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig, zonder schending van artikel 54, derde lid, W. Reg., heeft kunnen oordelen dat het aangekochte onroerend goed te Gent niet "tot bewoning is bestemd" in de zin van voormelde bepaling en bijgevolg niet wettig heeft kunnen beslissen dat de verweerders, voor de aankoop van hun woonhuis te Langdorp, in aanmerking kwamen voor de toepassing van het verlaagde tarief voorzien in artikel 53, 2°, W. Reg. (schending van de artikelen 53, 2°, 54, derde lid, 55, 2°,
- c)en 57, W. Reg.). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Artikel 53, eerste lid, 2°, van het Wetboek Registratierechten, zoals van toepassing op dit geschil, bepaalt dat het bij artikel 44 van hetzelfde wetboek vastgesteld recht verlaagd wordt voor de verkopingen van de eigendom van woningen waarvan het gebouwd of ongebouwd kadastraal inkomen een bij koninklijk besluit vast te stellen maximum niet overschrijdt. 2. Artikel 54, derde lid, van voormeld wetboek, bepaalt dat de onder 2° van het voorgaande artikel bepaalde vermindering niet toepasselijk is indien de verkrijger of zijn echtgenoot reeds, voor het geheel in volle of in blote eigendom, een onroerend goed bezitten dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd en dat door hen of door een van hen anders dan uit de nalatenschap van hun bloedverwanten in de opgaande lijn is verkregen. 3. Onder een onroerend goed dat tot bewoning is bestemd wordt in het algemeen spraakgebruik een onroerend goed verstaan dat dient tot bewoning zonder dat vereist is dat het reeds effectief kan bewoond worden. 4. De appelrechters stellen vast dat de verweerders op het ogenblik van de aankoop van hun woning te Langdorp, een dakappartement in een appartementsgebouw te Gent hadden aangekocht en dat dit appartement, gelet op de staat van afwerking van het appartementsgebouw, "geenszins vatbaar is voor bewoning op het ogenblik van de aankoop van het woonhuis". 5. Door op grond van deze vaststellingen te oordelen dat de verweerders niet onder de uitzonderingsbepaling van artikel 54, derde lid vielen, maar in aanmerking kwamen voor het verlaagd tarief van voormeld artikel 53, 2°, verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns en Jocqué, en in openbare terechtzitting van 15 oktober 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091015.6 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091015.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div