← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091019.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

8, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt van 18 februari 2005 dat de bestreden administratieve beslissing van 29 januari 1998 vernietigde en voor recht zegde dat de verweerder met ingang van 1 april 1998 gerechtigd is op een gezinspensioen. Het verantwoordt zijn beslissing o.a. met de overwegingen dat: "

  1. Bij de bestreden beslissing wordt aan (de verweerder) het rustpensioen als alleenstaande toegekend vanaf 1 april
  2. Vanaf die datum geniet hij eveneens een Nederlands AOW-pensioen (Algemeen Ouderdomswet pensioen) van 10.362 NLG/per jaar. Het Nederlands pensioen van de echtgenote van (de verweerder) wordt vanaf 1 april 1998 verminderd. Voorheen ontving zij 23.314 NLG/jaar. Dit bedrag was samengesteld uit haar AOW-pensioen, meer een toeslag omdat haar echtgenoot (de verweerder) de leeftijd van 65 jaar nog niet had bereikt. Vanaf 1 april 1998 verviel deze toeslag. Voortaan ontvangt zij slechts 12.952 NLG/jaar.
  3. (De eiser) houdt voor dat (de verweerder) geen aanspraak kan maken op de betaling van een gezinspensioen, omdat hij niet beantwoordt aan de voorwaarden door de Belgische wet gesteld. Hij verwijst hiervoor naar artikel 5, §1, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels (...) Vermits in onderhavige zaak het bedrag van het AOW-pensioen dat aan de echtgenote van (de verweerder) in Nederland werd toegekend hoger is dan het verschil zoals bepaald in paragraaf 8, is de eerste paragraaf van artikel 5 van voornoemd koninklijk besluit van toepassing. Bijgevolg verhindert naar Belgisch recht, het genot van een Nederlands ouderdomspensioen door één der echtgenoten, de toekenning van een gezinspensioen aan de andere echtgenoot, tenzij de toepassing van deze bepaling van artikel 5, §1, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 zou uitgesloten worden door enige bepaling van het gemeenschapsrecht (artikel 5, §8).
  4. (...)
  5. De situatie in Nederland is de volgende (...). Overeenkomstig de Nederlands Algemene Ouderdomswet (AOW) is iedere ingezetene die de leeftijd van 15 jaar, doch nog niet die van 65 jaar heeft bereikt, verplicht verzekerd, ongeacht of hij al dan niet een beroepsactiviteit heeft uitgeoefend. Vóór 1 april 1985 verkreeg de gehuwde man een pensioen dat gelijk was aan 100 pct. van het minimumloon. In dat bedrag was tevens het ouderdomspensioen voor de echtgenote begrepen. De Nederlandse wetgeving keerde derhalve enkel aan de man een pensioen uit, waarin de door beide echtgenoten opgebouwde pensioenrechten waren begrepen. Per 1 april 1985 werd de AOW echter aangepast overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, bedoeld in EG-Richtlijn 79/7 van de Raad van 19 december
  6. De nieuwe AOW-regeling bepaalt dat iedere gehuwde man of vrouw die Nederlands ingezetene is of geweest is bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd recht heeft op een eigen ouderdomspensioen, berekend op basis van 50 pct. van het netto minimumloon. Gehuwden die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt en wier echtgenoot die leeftijd nog niet heeft bereikt, ontvangen tot op de datum waarop de laatstgenoemde eveneens recht krijgt op een eigen pensioen, een toeslag. Deze wijziging van de AOW-wetgeving brengt echter geen wijziging met zich mee van de totale inkomen van de echtgenoten ten opzichte van het inkomen dat twee echtgenoten ouder dan 65 jaar ontvingen vóór de herziening van het AOW-stelsel. Deze wetsherziening heeft echter belangrijke gevolgen wanneer beide echtgenoten boven de 65 jaar zijn en zowel in België als in Nederland recht hebben op een ouderdomspensioen, zoals (de verweerder). Immers ondanks het feit dat de som van het pensioenbedrag dat aan ieder van de echtgenoten wordt uitgekeerd niet groter is dan in de oude regeling, toen het volledige bedrag van het pensioen aan de man werd uitgekeerd, heeft dit voor gevolg dat door het feit dat het pensioen in Nederland thans wordt opgesplitst en aan elk der echtgenoten een eigen rustpensioen wordt uitgekeerd, de persoon die in België aanspraak maakt op een pensioen, niet langer meer het gezinspensioen, doch slechts een pensioen voor alleenstaanden ontvangt. (De eiser) stelt dan ook ten onrechte dat (de verweerder) in casu geen nadeel heeft geleden. Het is onbetwistbaar zo dat (de verweerder) aanspraak kon maken op het Belgisch gezinspensioen, indien de Nederlandse wetgeving - zoals voorheen - voorzag dat het AOW-pensioen voor 100 pct. betaalbaar was aan de man. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap houdt er bovendien een zeer ruime opvatting op na, voor wat betreft het begrip gelijksoortige uitkeringen. In zijn uitgebreide uitspraak blijft het Hof trouw aan zijn definitie dat ‘uitkeringen van sociale zekerheid moeten, los van kenmerken die aan onderscheiden nationale wettelijke regelingen eigen zijn, als gelijksoortig worden aangemerkt wanneer het voorwerp en de doelstellingen alsook de berekeningsgrondslag en de toekenningsvoorwaarden ervan identiek zijn. Zuiver formele kenmerken daarentegen zijn volgens de rechtspraak niet te beschouwen als constitutieve elementen voor de classificatie van de uitkeringen' (...). In casu heeft dit tot gevolg dat bij uitkeringen van 100 pct. van het Nederlands AOW-pensioen aan (de verweerder) hij probleemloos aanspraak had kunnen maken op het gezinspensioen in België. Door de oplitsing van dit AOW-pensioen in Nederland, in 50 pct. - 50 pct. aan elk der echtgenoten, krijgt hij slechts een pensioen ‘alleenstaanden' in België. Welk der beide echtgenoten eerste de leeftijd van 65 jaar bereikt is hierbij zonder belang. Voormeld feit is, naar oordeel van het hof, in strijd met de Europese regelgeving, meer bepaald met de loyauteitsbepaling vervat in artikel 5 van het EG-Verdrag, evenals met het vrij verkeer van werknemers (artikelen 48 en 51 EG-Verdrag). Het Hof verwijst hiervoor naar het arrest Van Munster waarin het volgende gesteld wordt: ‘De nationale rechter, die met het oog op de toepassing van een bepaling van zijn nationaal recht een sociale-zekerheidsuitkering kwalificeert die onder de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat is toegekend, moet zijn nationale wetgeving uitleggen in het licht van de doelstellingen van de artikelen 48 tot en met 51 EG-Verdrag en moet zoveel mogelijk voorkomen, dat zijn uitlegging de migrerende werknemer ervan weerhoudt daadwerkelijk zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen' (...). Dit arrest dat specifiek uitspraak doet in het kader van het Europees sociaal recht en waarvan de feiten gelijkaardig zijn aan de onderhavige casus, ligt volledig in de lijn van de voorgaande rechtspraak van het Hof van Justitie aangaande het primaat van het gemeenschapsrecht. Reeds in 1964 oordeelde het Hof van Justitie dat het gemeenschapsrecht voorrang heeft op elke nationale rechtsregel, met inbegrip van het constitutioneel bestel van een Lid-Staat (...).
  7. (...)
  8. Het Hof stelt vast dat (de eiser) in zijn besluiten genomen in eerste aanleg op blz. 16 in feite de onbillijke gevolgen van de gezamenlijke toepassing van de Belgische en Nederlandse pensioenwetgeving, erkent. Voormelde problematiek is naar het oordeel van het hof ondertussen opgelost door het arrest van het Hof van Justitie van 26 september 2000 en het arrest van het Arbeidshof te Antwerpen van 7 februari 2002, J.T.T. 2002, p. 265 inzake Engelbrecht. In zijn arrest heeft het Hof van Justitie als volgt de prejudiciële vragen beantwoord: ‘Wanneer de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat een wettelijke bepaling toepassen die: - het bedrag van het aan een gehuwde werknemer toegekend rustpensioen bepaalt, - dat bedrag verlaagt gelet op een pensioen dat krachtens de regeling van een andere Lidstaat aan zijn echtgenoot is toegekend, maar - in de toepassing van een daarvan afwijkende cumulatiebepaling voorziet indien het elders ontvangen pensioen lager is dan een bepaald bedrag, staat artikel 48 EG-Verdrag (thans na wijziging art. 39 EG) eraan in de weg, dat die autoriteiten het bedrag van een aan een migrerende werknemer toegekend rustpensioen verlagen gelet op het pensioen dat krachtens de regeling van een andere Lid-Staat aan zijn echtgenoot is toegekend wanneer de toekenning van laatstbedoeld pensioen niet tot een verhoging van het totale gezinsinkomen leidt'. Alvorens tot dit antwoord te komen, herhaalt het Hof van Justitie in zijn motivering eerst een aantal principes van vaststaande rechtspraak. Vervolgens heeft het deze principes van vaststaande rechtspraak getoetst aan de zaak Engelbrecht en komt het onder meer tot volgende overwegingen: - De uitoefening van het recht van vrij verkeer binnen de Gemeenschap kan worden belemmerd, indien een sociaal voordeel dat een werknemer geniet, teloorgaat of wordt verminderd, enkel en alleen doordat rekening wordt gehouden met de krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat aan zijn echtgenoot toegekende soortgelijke uitkering, hoewel de toekenning van laatstbedoelde uitkering enerzijds niet tot een verhoging van het gezinsinkomen heeft geleid en anderzijds gepaard ging met een verlaging met hetzelfde bedrag van het eigen pensioen dat de werknemer krachtens de wetgeving van diezelfde lidstaat ontvangt (overweging 41); - dat gevolg kan de communautaire werknemer er immers van weerhouden zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen en aldus een belemmering van die in artikel 48 van het Verdrag neergelegde vrijheid opleveren (overweging 42); - meer in het bijzonder blijkt uit de stukken dat de Belgische anti-cumulatiebepalingen juist verband houden met de eventuele stijging van het totale gezinsinkomen die zou kunnen voortvloeien uit het feit dat de echtgenoot van de betrokken verzekerde een rust- of overlevingspensioen ontvangt. - Het hof besluit dat artikel 48 van het Verdrag zich ertegen verzet dat de bevoegde autoriteiten zich ertoe beperken het pensioen van de werknemer te korten zonder na te gaan of het aan zijn echtgenoot toegekende pensioen tot een verhoging van het gezinsinkomen leidt. Het Arbeidshof te Antwerpen, dat op grond van het arrest van het Hof van Justitie uitspraak diende te doen, oordeelde vervolgens dat de eerste rechter terecht de bestreden administratieve beslissing heeft vernietigd aangezien zij strijdig is met het vrij verkeer van werknemers, nu de toewijzing van het Nederlands AOW-pensioen geenszins enige verhoging van het totaal gezinsinkomen betekent.
  9. (De eiser) is nu van mening dat huidige casus niet kan worden vergeleken met de zaak Engelbrecht, zodat dit arrest ook niet als precedent kan worden aangewend, meer bepaald is hij van oordeel dat er onderscheid gemeekt moet worden tussen volgende feitelijke situatie: - ofwel is de echtgenoot, gerechtigd op het Belgisch rustpensioen ouder dan zijn echtgenote - zoals in de zaak Engelbrecht - waardoor zijn eerder verkregen gezins-pensioen ingevolge de toepassing van de AOW-wet zou verlagen naar het pensioen als alleenstaande; - ofwel is de echtgenoot, gerechtigd op het Belgisch rustpensioen jonger dan zijn echtgenote, die dus reeds eerder een AOW-uitkering ontving - zoals in casu - waardoor hij voor de eerste maal een pensioen aanvraagt en de toekenning van een pensioen als alleenstaande voor hem geen verlaging zou inhouden ten aanzien van een eerdere situatie. In casu is het dus niet zo dat (de verweerder) eerst een gezinsrustpensioen ontving, dat later verminderd werd naar een pensioen als alleenstaande. Gelet op het Nederlandse AOW-pensioen van zijn echtgenote, ontving (de verweerder) vanaf het ogenblik dat hij de leeftijd van 65 jaar bereikte een rustpensioen als alleenstaande. Volgens (de eiser) kan er dan ook geen sprake zijn van een met het gemeenschapsrecht strijdige ‘verlaging' van het rustpensioen.
  10. Het hof betwist deze enge interpretatie van de arresten Engelbrecht. Vooreerste dient opgemerkt dat noch het arrest van het Hof van Justitie, noch het arrest van het arbeidshof te Antwerpen de termen ‘verlaging' of ‘verlagen' beperken tot de vermindering van het bedrag van een bestaande pensioenuitkering. Verder is de interpretatie die (de eiser) voorstaat strijdig met de beginselen van Europees recht, meer bepaald het vrij verkeer van werknemers. Het Hof van Justitie stelde in het arrest Van Munster dat het doel van de artikelen 48 t.e.m. 51 van het EG-Verdrag niet zou worden bereikt indien migrerende werknemers, ten gevolge van de uitoefening van hun recht van vrij verkeer, voordelen op het gebied van de sociale zekerheid zouden verliezen die hun door de wettelijke regeling van een Lid-Staat zijn gewaarborgd. Voor het hof staat vast dat een rigide toepassing van artikel 5, §§

8, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 in casu het vrije verkeer van (de verweerder) ernstig verhindert. In tegenstelling tot hetgeen (de eiser) voorhoudt, verliest (de verweerder) ten gevolge van de uitoefening van zijn recht van vrij verkeer wel degelijk voordelen op het gebied van sociale zekerheid en dit zonder dat dit verlies op enige manier wordt gecompenseerd. Er is dus zeker wel sprake van een ‘vermindering' zoals vermeld in de arresten Engelbrecht. Zulk verlies aan pensioenrechten dient te worden vermeden. De arresten Engelbrecht, die een verlies aan pensioenrechten ten gevolge van de uitoefening van het recht van vrij verkeer in strijd achten met de beginselen van gemeenschapsrecht, zijn dan ook onverkort van toepassing. Hierbij komt nog dat de interpretatie van (de eiser) neerkomt op een ongelijke behandeling louter op basis van de leeftijd van de pensioengerechtigde en diens echtgenote. Indien de pensioengerechtigde echtgenoot ouder is dan zijn echtgenote (situatie Engelbrecht), zou de toepassing van artikel 5, §§

8, in strijd zijn met het beginsel van vrij verkeer van werknemers. In het omgekeerde geval echter, wanneer de pensioengerechtigde echtgenoot jonger is dan zijn echtgenote (zoals in casu het geval is), zou de toepassing van artikel 5, §§

8, echter geen schending van het Europees recht inhouden. Het hof is van mening dat leeftijd in casu een arbitrair en bijgevolg een irrelevant citerium uitmaakt. Blijkbaar had (de eiser) dezelfde mening in de procedure Engelbrecht, waar hij - na het arrest van het Hof van Justitie - nog getracht heeft voor het arbeidshof om te stellen dat de toepassing van het arrest van het Hof van Justitie gesteund zou zijn op een louter arbitrair gegeven en zodoende geen invloed mocht hebben op de wettelijke toepassing. Na het arrest Engelbrecht van het Hof van Justitie, liet (de eiser) in bovenvermelde procedure immers gelden ‘dat de toepassing van het dictum van het arrest in de zaak Engelbrecht op een wijze zoals voorgestaan door geïntimeerden tot gevolg zou hebben dat het pensioen voor alleenstaande dat de man kan bekomen omdat de echtgenote op de ingangsdatum ervan, reeds meer dan 65 jaar oud zijnde, een AOW-pensioen met toeslag geniet, op het ogenblik waarop hijzelf de leeftijd van 65 jaar bereikt en het recht op een eigen AOW-pensioen verwerft (met daarmee gepaard gaande verlies van de toeslag door de echtgenote), zou moeten omgezet worden in een gezinspensioen, alhoewel daarop nooit enig recht heeft bestaan (in welk geval het pensioen van die man bijgevolg nooit op enige wijze wordt verminderd); dat uit deze situatie, die kan voorkomen, enkel kan worden afgeleid dat de toepassing van het dictum van gezegd arrest in de zaak Engelbrecht op een wijze zoals voorgestaan door de geïntimeerde louter gebaseerd is op een arbitrair gegeven, nl. op de omstandigheid dat de ene echtgenoot al dan niet jonger in leeftijd is dan de andere echtgenoot, op de datum waarop dezes pensioen ingaat' ( ..). (De eiser) kan bijgevolg niet blijven volhouden dat in casu leeftijd een factor is die een verschillende behandeling verantwoordt. Ook het arbeidshof te Antwerpen oordeelde in zijn eindarrest Engelbrecht van 7 februari 2002 dat leeftijd in de voorliggende problematiek geen in aanmerking te nemen criterium is. Het enige en belangrijkste criterium is immers de vrijwaring van het recht van vrij verkeer binnen de Europese Gemeenschap (...). Uit het arrest van het arbeidshof te Antwerpen kan (...) impliciet afgeleid worden dat het arrest Engelbrecht toepassing vindt in beide situaties, dus zowel wanneer de pensioengerechtigde jonger is dan zijn echtgenote als wanneer hij ouder is. Ook het Hof van Cassatie deed in een arrest van 6 oktober 2003 uitspraak in deze problematiek. (...) Er kan dan ook geen twijfel bestaan dat ook in het voorliggende geval artikel 5, §§

8 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 niet kan worden toegepast omwille van strijdigheid met de beginselen van Europees recht. De eerste rechters stelden terecht in het bestreden vonnis van 18 februari 2005: ‘Het criterium ‘leeftijd' mag in de voorliggende kwestie dus niet meespelen in het licht van de door het gemeenschapsrecht nagestreefde doelstelling van vrij verkeer van werknemers. De verantwoording voor de toekenning van een pensioen als alleenstaande dient daarentegen te worden gezocht in het gezinsinkomen. De hogervermelde vergelijking tussen de situatie vóór en na 1 april 1998 toont aan dat er geen verhoging is geweest van het (Nederlands) gezinsinkomen uit pensioenen, terwijl eisende partij in de redenering van verwerende partij toch het recht op een gezinspensioen verliest. Het naast elkaar bestaan van beide nationale pensioenregelingen heeft in voorliggend geval tot gevolg dat het uiteindelijke recht verminderd wordt wat in strijd is met het recht op vrij verkeer van werknemers. In navolging van het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Engelbrecht en het arrest van het Hof van Cassatie van 6 oktober 2002, dient gelet op de primauteit van het gemeenschapsrecht ten opzichte van de nationale wetgeving, artikel 5, §1, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 in de interpretatie die verwerende partij eraan geeft buiten toepassing te worden gelaten. De eisende partij is met ingang van 1 april 1998 gerechtigd op een gezinspensioen. De bestreden beslissing dient bijgevolg te worden vernietigd'. In casu dient artikel 5, §

§8

, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 dan ook buiten toepassing te worden gelaten". Grieven Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat 1. met ingang van 1 oktober 1997 aan de echtgenote van de verweerder een AOW-pensioen toegekend wordt (bestaande uit een eigen AOW-pensioen aangevuld met een toeslag omdat haar echtgenoot (de verweerder) de leeftijd van 65 jaar nog niet had bereikt); 2. bij de bestreden beslissing aan de verweerder het rustpensioen als alleenstaande wordt toegekend vanaf 1 april 1998, gelet op het eigen AOW-pensioen van de echtgenote ; 3. vanaf die datum de verweerder eveneens een Nederlands AOW-pensioen geniet en de toeslag van de echtgenote van de verweerder verviel. Krachtens artikel 5, §1, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, wordt het recht op rustpensioen per kalenderjaar verkregen naar rato van een breuk van bepaalde brutolonen en in aanmerking genomen ten belope van:

  1. a)75 pct. voor de werknemers van wie de echtgenoot elke beroepsactiviteit heeft gestaakt en die geen rust- en overlevingspensioen en geen als dusdanig geldende uitkeringen geniet krachtens een regeling van een vreemd land,
  2. b)60 pct. voor de andere werknemers. Krachtens §8 van dit artikel, vormt het genot in hoofde van één van de echtgenoten van één of meerdere rust- of overlevingspensioenen of als zodanig geldende uitkeringen, toegekend krachtens één of meerdere Belgische regelingen of krachtens een regeling van een vreemd land, geen beletsel voor de toekenning aan de andere echtgenoot van een rustpensioen berekend met toepassing van §1, eerste lid, a), van dit artikel, voorzover het globale bedrag van bovenbedoelde pensioenen en van de als zodanig geldende uitkeringen van de eerstgenoemde echtgenoot kleiner is dan het verschil tussen de bedragen van het rustpensioen van de andere echtgenoot, respectievelijk berekend met toepassing van §1, eerste lid, b), van dit artikel. Evenwel wordt in dat geval het totale bedrag van bovenbedoelde pensioenen en van de als zodanig geldende uitkeringen, van eerstgenoemde echtgenoot in mindering gebracht op het bedrag van het rustpensioen van de andere echtgenoot. De appelrechters oordelen dat het Nederlands AOW-pensioen dat toegekend werd aan de echtgenote van de verweerder in het kader van de Belgische pensioenwetgeving moet beschouwd worden als een "rustpensioen" of een "als dusdanig geldend voordeel toegekend krachtens de regeling van een vreemd land", zoals bedoeld in voormeld artikel 5. Zij beslissen echter, met verwijzing naar arresten van het Hof van Justitie, dat de regeling van het koninklijk besluit van 23 december 1996 buiten toepassing moet blijven. Zoals het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen reeds heeft vastgesteld in een arrest van 5 oktober 1994 inzake Van Munster, verzet het Gemeenschapsrecht, inzonderheid artikel 48 en 51 van het EG-Verdrag, thans de artikelen 39 en 42, en artikel 4, eerste lid, van de Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978, zich niet tegen een nationale wettelijke regeling die een "gezinspensioen" toekent aan een werknemer wiens echtgenoot elke beroepsarbeid heeft gestaakt en geen rustpensioen of als zodanig geldend voordeel geniet, doch hem een minder voordelig "alleenstaandenpensioen" toekent wanneer zijn echtgenoot een pensioen of een als zodanig geldend voordeel geniet en die zonder onderscheid van toepassing is op eigen onderdanen en op onderdanen van de andere Lid-Staten. De uitoefening van het recht van vrij verkeer binnen de Gemeenschap kan evenwel worden belemmerd, zoals het Hof van Justitie heeft vastgesteld in het arrest Engelbrecht van 26 september 2000, indien een sociaal voordeel dat een werknemer geniet, teloorgaat of wordt verminderd enkel en alleen doordat rekening wordt gehouden met de krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat aan zijn echtgenoot toegekende soortgelijke uitkering, hoewel de toekenning van laatstgenoemde uitkering, eensdeels, niet tot een verhoging van het gezinsinkomen heeft geleid en, anderdeels, gepaard ging met een verlaging van hetzelfde bedrag van het eigen pensioen dat de werknemer krachtens de wetgeving van diezelfde Lid-Staat ontvangt. Uit de door het arrest Engelbrecht gestelde principes blijkt dat de bepalingen van artikel 5, §

§8

, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 slechts in strijd zijn met het gemeenschapsrecht wanneer de toepassing van die pensioenregeling tot gevolg heeft dat het gezinspensioen van de betrokken werknemer wordt verminderd, enkel en alleen doordat rekening wordt gehouden met het krachtens de Nederlandse wetgeving aan zijn echtgenote toegekende pensioen, hoewel de toekenning van dat laatste pensioen enerzijds niet tot een verhoging van het gezinsinkomen heeft geleid en anderzijds gepaard ging met een verlaging van hetzelfde bedrag van het pensioen dat de werknemer krachtens de Nederlandse wetgeving ontvangt. Uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat het hier gaat om de eerste toekenning van een rustpensioen aan de verweerder en niet om de verlaging van een reeds toegekend pensioen, en dat ook het Nederlands pensioen van de verweerder na de ingangsdatum van het Nederlandse pensioen van zijn echtgenote werd toegekend zodat ook dat pensioen niet werd verlaagd. Het bestreden arrest, door te oordelen dat artikel 5, §

§8

, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 niet mag worden toegepast omdat zij belemmerend werkt voor het vrij verkeer van werknemers, schendt aldus de als geschonden aangewezen wettelijke bepalingen en verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Overeenkomstig artikel 5, §1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, wordt het recht op het rustpensioen verkregen naar rata van een breuk van het referteloon en in aanmerking genomen ten belope van:

  1. a)75 pct., voor de werknemers van wie de echtgenoot elke beroepsarbeid, behalve die door de Koning toegestaan, heeft gestaakt en die geen rust- of overlevingspensioen en geen als dusdanig geldende uitkeringen geniet krachtens een Belgische wettelijke regeling, krachtens een regeling van een vreemd land of een regeling toepasselijk op het personeel van een volkenrechtelijke instelling;
  2. b)60 pct. voor de andere werknemers. Overeenkomstig artikel 5, §8, van het hierboven vermelde koninklijk besluit van 23 december 1996, vormt het genot in hoofde van een van de echtgenoten, van één of meer rust- of overlevingspensioenen of als zodanig geldende uitkeringen, toegekend krachtens een regeling van een vreemd land, geen beletsel voor de toekenning aan de andere echtgenoot van een rustpensioen berekend met toepassing van §1, eerste lid, a), van dit artikel, voor zover het globale bedrag van bovenbedoelde pensioenen en van de als zodanig geldende uitkeringen van de eerstgenoemde echtgenoot kleiner is dan het verschil tussen de bedragen van het rustpensioen van de andere echtgenoot, respectievelijk berekend met toepassing van §1, eerste lid, b), van dit artikel. Evenwel wordt in dat geval het totale bedrag van bovenbedoelde pensioenen en van de als zodanig geldende uitkeringen, van eerstgenoemde echtgenoot in mindering gebracht op het bedrag van het rustpensioen van de andere echtgenoot. 2. Zoals het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap heeft vastgesteld in het arrest van 5 oktober 1994 in de zaak C-165/91 (van Munster), verzet het Gemeenschapsrecht, inzonderheid de artikelen 39 en 42 van het EG-Verdrag, en artikel 4, eerste lid, van de Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 zich niet tegen een nationale wettelijke regeling die een "gezinspensioen" toekent aan een werknemer wiens echtgenoot elke beroepsarbeid heeft gestaakt en geen rustpensioen of als zodanig geldend voordeel geniet, maar hem een minder voordelig "alleenstaandenpensioen" toekent wanneer zijn echtgenoot een pensioen of als zodanig geldend voordeel geniet, en die zonder onderscheid van toepassing is op eigen onderdanen en op onderdanen van de andere Lid-Staten. Volgens het arrest van het Hof van Justitie van 26 september 2000 in de zaak C-262/97 (Engelbrecht), kan de uitoefening van het recht van vrij verkeer binnen de Gemeenschap evenwel worden belemmerd, indien een sociaal voordeel dat een werknemer geniet, teloorgaat of wordt verminderd enkel en alleen doordat rekening wordt gehouden met de krachtens de wetgeving van een andere lidstaat aan zijn echtgenoot toegekende soortgelijke uitkering, hoewel de toekenning van laatstbedoelde uitkering enerzijds niet tot een verhoging van het gezinsinkomen heeft geleid en anderzijds gepaard ging met een verlaging van hetzelfde bedrag van het eigen pensioen dat de werknemer krachtens de wetgeving van diezelfde lidstaat ontvangt. Dat gevolg kan de communautaire werknemer er immers van weerhouden zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen en aldus een belemmering van die in artikel 39 van het EG-Verdrag neergelegde vrijheid opleveren. Er bestaat ook een benadeling van de communautaire werknemer die hem ervan kan weerhouden zijn recht op vrij verkeer uit te oefenen wanneer, zoals hier, die werknemer een minder voordelig alleenstaandenpensioen ontvangt en geen gezinspensioen, enkel en alleen doordat rekening wordt gehouden met het krachtens de wetgeving van een ander land van de Europese Gemeenschap aan zijn echtgenoot toegekende pensioen, hoewel die laatste uitkering verlaagd werd met het bedrag van het eigen pensioen dat aan die werknemer krachtens de wetgeving van diezelfde lidstaat is toegekend. 3. Artikel 10 van het EG-Verdrag legt de lidstaten de verplichting op alle algemene en bijzondere maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van de uit het Gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. 4. Het arrest stelt vast dat de verweerder onbetwistbaar aanspraak kon maken op het Belgisch gezinspensioen indien de Nederlandse wetgeving voorzag, zoals voorheen, dat het AOW-pensioen voor 100 pct. betaalbaar was aan de man. Het geeft hiermee te kennen dat verweerders echtgenote geen beroepsactiviteit heeft uitgeoefend die in België aanleiding zou geven tot de toekenning van een rustpensioen. Het arrest oordeelt dat artikel 5, §

§8

, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 buiten toepassing moet worden gelaten omdat de toepassing ervan in dezen een schending van het Europese gemeenschapsrecht zou inhouden, en beslist, met bevestiging van het beroepen vonnis, dat de verweerder met ingang van 1 april 1998 gerechtigd is op een gezinsrustpensioen. 5. De appelrechters schenden aldus de in het middel aangewezen wetsbepalingen niet. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 141,14 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 19 oktober 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091019.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091019.3 geciteerd door: ECLI:BE:CTMON:2010:ARR.20100325.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.