← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091022.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091022.4 Rolnummer: C.08.0420.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-11-18 Raadplegingen: 548 - laatst gezien 2026-07-03 01:25 Versie(s): Vertaling FR Fiche De loutere aanwezigheid van een motorrijtuig op het ogenblik van een verkeersongeval volstaat niet om te besluiten dat dit motorrijtuig bij het ongeval betrokken is in de zin van artikel 29bis, § 1, W.A.M.

(1); een motorrijtuig is wel betrokken in de zin van die wetsbepaling wanneer het enige rol heeft gespeeld in het verkeersongeval; hiervoor is niet vereist dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de aanwezigheid van het motorrijtuig en het ontstaan van het verkeersongeval
(2).
(1)Cass., 9 jan. 2006, AR C.04.0519.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060109.6, A.C., 2006, nr 21.
(2)Cass., 9 jan. 2006, AR C.04.0519.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060109.6, A.C., 2006, nr 21 en 3 okt. 2008, AR C.07.0130.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081003.3, A.C., 2008, nr
  1. Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Verzekering motorrijtuigen - Zwakke weggebruiker Vrije woorden: Lichamelijke letsels - Vergoedingsplicht - Verkeersongeval - Motorrijtuig - Betrokkenheid Wettelijke bepalingen: Wet - 21-11-1989 - Art. 29bis, § 1 Tekst van de beslissing Nr. C.08.0420.N MERCATOR VERZEKERINGEN, naamloze vennootschap, met zetel te 2018 Antwerpen, Desguinlei 100, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen ETHIAS GEMEEN RECHT, onderlinge verzekeringsvereniging, met zetel te 4000 Luik, Rue des Croisiers 24, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis, op 6 maart 2008 in hoger beroep gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wetsbepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; - artikel 29bis, §1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals van kracht na de wijziging bij wet van 19 januari
  2. Aangevochten beslissingen en motivering
  3. Het aangevochten vonnis van 6 maart 2008 verklaart het hoger beroep van verweerster gegrond, doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzende verklaart het de vordering van de eiseres tegen de verweerster ongegrond en veroordeelt het de eiseres in de kosten van het hoger beroep.
  4. Het aangevochten vonnis komt tot deze beslissingen op grond van onder andere volgende overwegingen: - (folio 352) "Bijzonderste gegevens van de zaak. (...) Samenvattend: - S.C. stak op 4 januari 2007 als voetganger de straat Heikant over te Zele, met in zijn handen (een rol) afval van vloerbekleding, ten einde deze afval in de stilstaande vuilniswagen aan de overzijde van de straat te deponeren; - bij het oversteken loopt hij tegen de rechterzijde van een voertuig dat zijn weg op de rijbaan gewoon vervolgde (bestuurd door H.C. ) en werd hij hierdoor levensgevaarlijk gewond; - (De eiseres) vergoedde als BA verzekeraar van het aanrijdend voertuig het slachtoffer bij toepassing van artikel 29bis WAM-wet". - (folio 352, laatste regel, t.e.m. folio 355) "3.
  5. Ten gronde (De verweerster) kan zich niet verzoenen met het bestreden vonnis alwaar de eerste rechter de betrokkenheid weerhield van het door (verweerster) verzekerde voertuig. (De verweerster) laat gelden dat: - er geen enkel contact noch verband was tussen de door haar verzekerde vuilniswagen en de voetganger die zonder te kijken de rijbaan overstak, zodat er geen sprake was van enige betrokkenheid, - de vuilniswagen geen enkele rol heeft gespeeld bij het ongeval, - het gedrag van de zwakke weggebruiker op geen enkele wijze werd beïnvloed door de geparkeerde vuilniswagen aan de overzijde van de straat. Volgens (de eiseres) heeft de vuilniswagen van de verzekerde van (de verweerster) effectief een rol gespeeld bij de totstandkoming van het ongeval. (De eiseres) laat gelden dat de voetganger met een rol oude vloerbekleding naar buiten kwam en de straat overstak teneinde deze rol in de vuilniswagen te deponeren, hetgeen op zich de betrokkenheid in de zin van artikel 29bis WAM-wet uitmaakt, nu er volgens (de eiseres) een zekere relatie is tussen de vuilniswagen en het ongeval. De vraag stelt zich bijgevolg of de vuilniswagen verzekerd door (de verweerster) bij het ongeval ‘betrokken' was in de zin van artikel 29bis WAM-wet. Het begrip ‘betrokkenheid' moet ruim geïnterpreteerd worden en kan aangenomen worden zodra is aangetoond dat het voertuig een zekere rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van het ongeval. Het is dan ook niet vereist dat een of andere fout werd begaan of dat er sprake is van een fysiek contact met het voertuig. Het is bovendien irrelevant of het motorrijtuig al dan niet regelmatig aan het verkeer deelnam. Het loutere feit dat de vuilniswagen in casu geparkeerd stond, sluit dan ook niet uit dat deze bij het verkeersongeval betrokken was (vgl. Decroës A., De vergoeding van de zwakke weggebruikers (artikel 29bis WAM-wet); RW. 2000-2001, 1259, nr. 8). Het motorvoertuig moet, weze het door zijn loutere aanwezigheid, een rol hebben gespeeld bij het totstandkomen van het ongeval of bij de gevolgen van het ongeval (vgl. Pol. Mechelen, 20 oktober 2004, V.A.V. 2005, 151, Pol. Leuven, 20 februari 2003, De Verz. 2003, 779). Er moet dan ook gezocht worden naar een rol van het voertuig bij de totstandkoming van het ongeval, zelfs als die rol louter passief is. Bijgevolg stelt zich de vraag of het ongeval zonder de deelname van het voertuig aan het verkeer ook zou zijn gebeurd. Als het ongeval zich niet of niet op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan indien het voertuig niet aanwezig zou geweest zijn, dan kan men besluiten tot de betrokkenheid (vgl. pol. Brugge, 7 februari 2002, RW. 2003-04, 192; Decroës A., o. c., nrs. 18 en 19). "In concreto dient dan ook te worden nagegaan of het ongeval zich (op dezelfde wijze) zou hebben voorgedaan indien dit voertuig er niet zou zijn geweest. ‘Anders dan de eerste rechter is de rechtbank op grond van de voorhanden zijnde gegevens - zoals deze blijken uit het overgelegde strafdossier (en waarbij enkel vast staat dat de voetganger zonder te kijken de straat overstak teneinde afval te deponeren in de vuilniswagen) - van oordeel dat er geen ‘betrokkenheid' was van de vuilniswagen. Uit de overgelegde gegevens blijkt immers niet dat de vuilniswagen enige rol heeft gespeeld bij de aanrijding van de voetganger spijts de beweringen desbetreffend van (de eiseres). De aanwezigheid van het voertuig staat naar het oordeel van deze rechtbank totaal los van de aanrijding van de voetganger door een reglementair voorbijrijdende wagen. De stilstaande vuilniswagen heeft geen enkele rol gespeeld in het ongevalsgebeuren, ook geen passieve, aangezien duidelijk is komen vast te staan dat dit voertuig het zicht van de in het ongeval betrokken weggebruikers (voetganger S. en bestuurder H. ) op elkaar niet heeft gehinderd, noch enige andere rol heeft gespeeld. De loutere aanwezigheid van het voertuig aan de overzijde van de straat op het ogenblik dat de voetganger zonder te kijken de rijbaan overstak voor bestuurder H. die hem niet kon ontwijken, volstaat niet om de betrokkenheid van de reglementair geparkeerde vuilniswagen aan de overzijde van de straat te weerhouden. De betrokkenheid in de zin van artikel 29bis WAM-wet komt dan ook niet bewezen voor".
  6. Het aangevochten vonnis komt ook tot deze beslissingen op grond van "de uiteenzetting van de feiten zoals weergegeven in het vonnis van de eerste rechter" die de appelrechters als herhaald beschouwen (vonnis 6 maart 2008, folio 352, bovenaan), derhalve op grond van volgende overwegingen uit het vonnis in eerste aanleg van 7 juni 2007 (p. 2): "Het blijkt dat het slachtoffer S. S. vlak voor het voertuig in B.A. verzekerd bij (de eiseres), de rijbaan opkwam ten einde een rol tapijt in de vuilniswagen, zich bevindend aan de overzijde van de rijbaan, te deponeren. Deze vuilniswagen voerde op het ogenblik van het ongeval, de vuilnisophaling uit. (...) Dat in casu het slachtoffer onverhoeds de rijbaan is opgekomen enkel omwille van de aanwezigheid van de vuilniswagen (...)". Grieven Eerste onderdeel Schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet.
  7. Het aangevochten vonnis overweegt (folio 355, midden, alsook 352, midden) dat voetganger C.S. met in zijn handen (een rol) afval van vloerbekleding zonder te kijken de straat overstak ten einde deze afval te deponeren in de stilstaande vuilniswagen aan de overzijde van de straat.
  8. Het vonnis gaat echter niet na enerzijds, of deze voetganger zelf de vuilniswagen had staande gehouden om er zijn afval in te kunnen deponeren, en, anderzijds,of deze voetganger verzuimde uit te kijken voor ander verkeer omwille van de rol balatum op zijn schouder en omwille van het feit dat hij gefocust was op de wachtende vuilniswagen aan de overkant. Het vonnis gaat evenmin na of getuige V. verklaard had dat de voetganger zelf gevraagd had of hij nog vuil mocht meegeven en de vuilniswagen daarom gewacht had.
  9. Het vonnis antwoordt derhalve niet op de "Beroepsconclusie" waarin de eiseres - tot staving van haar stelling dat de vuilniswagen een "betrokken" motorrijtuig in de zin van artikel 29bis van de WAM-wet was - aangevoerd had: - (p. 2, derde laatste al): "Het ongeval gebeurde doordat voetganger S. de straat zonder kijken is opgelopen met de bedoeling een oude rol tapijt te deponeren in een vuilniswagen, die op zijn verzoek aan de overkant van de straat was blijven stilstaan". - (p. 3, onderaan, nr. 3): - dat getuige W. V. , werknemer bij de verzekerde van de verweerster verklaarde: "Op een bepaald ogenblik kwam er een manspersoon buiten aan de linkerkant van de Heikant, en vroeg of hij nog wat vuil mocht meegeven. De firmawagen was blijven staan daar ik de bestuurder (N.) tekens had gedaan om te wachten. De persoon in kwestie is terug in de woning binnengegaan en heeft dan nog wat vuil buitengedragen". - (p. 9, al. 1): "Het slachtoffer liep immers enkel en alleen de straat over om in de stilstaande vuilniswagen afval te gaan deponeren, en dit nadat hij zelf de vuilniswagen met het oog daarop staande had gehouden en terwijl hij verzuimde uit te kijken voor ander verkeer omwille van de rol balatum op zijn schouder en omwille van het feit dat hij gefocust was op de wachtende vuilniswagen aan de overkant !". - (p. 9, midden): "dat het slachtoffer in casu de straat is opgelopen zonder kijken, omdat hij de bedoeling had een oude rol tapijt te deponeren in de vuilniswagen aan de overkant, die overigens op zijn verzoek was blijven stilstaan en waar al zijn aandacht op gericht was. Dit werd trouwens uitdrukkelijk bevestigd door getuige W.V., werknemer bij de verzekerde van de verweerster: ‘... op een bepaald ogenblik kwam er een manspersoon buiten (aan de linkerkant van de Heikant) en vroeg of hij nog wat vuil mocht meegeven. De firmawagen was blijven staan daar ik de bestuurder tekens had gedaan om te wachten. De persoon in kwestie is terug in de woning binnengegaan en heeft dan nog wat vuil buitengedragen'".
  10. Het aangevochten vonnis gaat inderdaad niet na, ten eerste, of de vuilniswagen op verzoek van de voetganger stilstond en op hem wachtte, ten tweede, of getuige V. verklaard had dat de voetganger gevraagd had of hij nog vuil mocht meegeven en, ten derde, of de voetganger zo gefocust was op de op hem wachtende vuilniswagen dat hij verzuimde uit te kijken voor ander verkeer. Het vonnis dat deze door eiseres ingeroepen feiten noch bevestigt noch ontkent, slaat derhalve geen acht op deze feiten die volgens de eiseres mee bepalend waren om uit te maken of de vuilniswagen een "betrokken" motorrijtuig was in de zin van artikel 29bis van de WAM-wet en om uit te maken of de aanwezigheid van de vuilniswagen enig verband hield met de totstandkoming van het verkeersongeval. Het vonnis is bijgevolg wegens gebrek aan antwoord op deze middelen uit de beroepsconclusie van eiseres niet regelmatig gemotiveerd en schendt artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Tweede onderdeel Schending van artikel 29bis, §1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals van kracht na de wijziging bij wet van 19 januari
  11. Artikel 29bis, §1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals van kracht na de wijziging bij wet van 19 januari 2001 bepaalt dat bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2, §1, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed wordt door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken.
  12. Een motorrijtuig is "betrokken" in de zin van deze wetsbepaling indien zijn aanwezigheid enig verband houdt met de totstandkoming van het verkeersongeval. De loutere aanwezigheid van een motorrijtuig op het ogenblik van een verkeersongeval volstaat echter niet om te besluiten dat dit motorrijtuig bij het verkeersongeval betrokken is in de zin van artikel 29bis van de WAM-wet.
  13. Een motorrijtuig is "betrokken" in een verkeersongeval in de zin van artikel 29bis wanneer het op één of andere wijze een actieve of passieve rol heeft gespeeld, of op één of andere manier is tussengekomen bij de totstandkoming van het verkeersongeval. Een motorrijtuig is betrokken bij een verkeersongeval wanneer zijn rijwijze, gedrag of aanwezigheid één van de redenen is die het ongeval verklaren. Het is niet betrokken indien het in geen enkel opzicht bijgedragen heeft tot het ontstaan van het verkeersongeval. De betrokkenheid van het motorrijtuig veronderstelt dus een zekere relatie tussen het motorrijtuig en het ongeval. De betrokkenheid wordt beoordeeld ten aanzien van het ongeval, niet ten aanzien van de schade. Een motorrijtuig kan in een verkeersongeval betrokken zijn zonder oorzaak van de schade te zijn. Om betrokken te zijn in een verkeersongeval is niet vereist dat het motorrijtuig in beweging is; ook een, al dan niet reglementair, geparkeerd voertuig kan betrokken zijn. Om betrokken te zijn in een verkeersongeval is evenmin vereist, enerzijds, dat er een contact geweest is tussen het motorrijtuig en het slachtoffer en, anderzijds, dat het motorrijtuig een hinderende rol heeft gespeeld. Een motorrijtuig is "betrokken" in de zin van artikel 29bis wanneer zijn aanwezigheid het gedrag van de zwakke weggebruiker beïnvloed heeft.
  14. Het aangevochten vonnis van 6 maart 2008 stelt vast: - (folio 352, midden) dat voetganger S. als voetganger de straat overstak met in zijn handen (een rol) afval van vloerbekleding "ten einde deze afval in de stilstaande vuilniswagen aan de overzijde van de straat te deponeren"; - (folio 355, midden) "dat de voetganger zonder te kijken de straat overstak teneinde afval te deponeren in de vuilniswagen"; alsook, door overname uit het vonnis in eerste aanleg van 7 juni 2007 van de uiteenzetting van de feiten: - (p. 2, voorlaatste al.) dat "het slachtoffer onverhoeds de rijbaan is opgekomen enkel omwille van de aanwezigheid van de vuilniswagen".
  15. Op grond van deze feitelijke vaststellingen kon het aangevochten vonnis niet wettig beslissen dat de stilstaande vuilniswagen "geen enkel rol (heeft) gespeeld in het ongevalsgebeuren, ook geen passieve" en geen "betrokken" motorrijtuig was in de zin van artikel 29bis van de WAM-wet, en dat de betrokkenheid niet bewezen was. De vaststellingen dat de voetganger de straat overstak "teneinde" afval "in" de vuilniswagen te deponeren en dat de voetganger de straat overstak "enkel omwille van de aanwezigheid van de vuilniswagen", impliceert immers noodzakelijk dat het oversteken, het gedrag van de voetganger beïnvloed en ingegeven werd door de aanwezigheid van de vuilniswagen en dat de vuilniswagen derhalve wel degelijk verband hield met de totstandkoming van het verkeersongeval, dat de vuilniswagen wel degelijk een rol speelde in het ongevalsgebeuren, in de totstandkoming van het verkeersongeval. De vaststellingen in het aangevochten vonnis van 6 maart 2008 dat de vuilniswagen reglementair geparkeerd stond, en dat de vuilniswagen "het zicht van de in het ongeval betrokken weggebruikers (voetganger S. en bestuurder H. ) op elkaar niet heeft gehinderd" doen hieraan geen afbreuk en zijn ter zake irrelevant, vermits de aanwezigheid van de vuilniswagen enig verband kon houden met de totstandkoming van het verkeersongeval, zelfs wanneer de vuilniswagen, enerzijds, reglementair geparkeerd stond en, anderzijds, het zicht van de in het ongeval betrokken voetganger S. en bestuurder H. op elkaar niet hinderde.
  16. Nu het aangevochten vonnis op grond van zijn feitelijke vaststellingen niet wettig kon beslissen dat de vuilniswagen geen "betrokken" motorrijtuig in de zin van artikel 29bis van de WAM-wet was, de betrokkenheid niet bewezen was, en de vordering van de eiseres ongegrond was, is het niet wettelijk verantwoord en schendt het artikel 29bis, §1, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals van kracht na de wijziging bij wet van 19 januari
  17. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel
  18. Artikel 29bis, §1, van de WAM-wet, zoals te dezen van toepassing, bepaalt dat bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig betrokken is, met uitzondering van de stoffelijke schade, alle schade veroorzaakt aan elk slachtoffer of zijn rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of overlijden, vergoed wordt door de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de houder van het motorrijtuig overeenkomstig deze wet.
  19. De loutere aanwezigheid van een motorrijtuig op het ogenblik van een verkeersongeval volstaat niet om te besluiten dat dit motorrijtuig bij het ongeval betrokken is in de zin van de voormelde wetsbepaling. Een motorrijtuig is wel betrokken in de zin van die wetsbepaling wanneer het enige rol heeft gespeeld in het verkeersongeval. Hiervoor is niet vereist dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de aanwezigheid van het motorrijtuig en het ontstaan van het verkeersongeval.
  20. Het bestreden vonnis stelt vast dat: - S.C. op 4 januari 2007 als voetganger de straat overstak met in zijn handen afval van vloerbekleding teneinde dit afval in de stilstaande vuilniswagen aan de overzijde van de straat te deponeren; - hij bij het oversteken van de straat tegen de rechterzijde van een personenwagen, die gewoon zijn weg op de rijbaan volgde, liep en hierdoor levensgevaarlijk gewond werd; - de eiseres als verzekeraar van het aanrijdend voertuig het slachtoffer vergoedde bij toepassing van voormeld artikel 29bis.
  21. Het bestreden vonnis oordeelt dat dient nagegaan te worden of het ongeval zich op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan indien de stilstaande vuilniswagen er niet zou zijn geweest en beslist dat de stilstaande vuilniswagen "geen enkele rol (heeft) gespeeld in het ongevalsgebeuren, ook geen passieve, aangezien duidelijk is komen vast te staan dat dit voertuig het zicht van de in het ongeval betrokken weggebruikers op elkaar niet gehinderd heeft." en dat het ongevalsgebeuren dient te worden beperkt tot het oversteken van de straat zonder kijken door een voetganger.
  22. Aldus neemt het bestreden vonnis aan dat voor de betrokkenheid van het motorrijtuig, te weten "enige rol spelen in het ongevalsgebeuren" vereist is dat een oorzakelijk verband bestaat tussen de aanwezigheid van dit motorrijtuig en het ontstaan van het verkeersongeval en is de beslissing van de appelrechters dat de vuilniswagen geen betrokken motorrijtuig was in de zin van voormeld artikel 29bis niet naar recht verantwoord. Het bestreden vonnis schendt aldus artikel 29bis, §l, van de WAM-wet. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  23. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zitting houdende in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 22 oktober 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091022.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140912.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060109.6 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081003.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100315.4 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100621.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.