← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091022.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091022.6 Rolnummer: C.08.0472.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-11-18 Raadplegingen: 275 - laatst gezien 2026-07-02 21:30 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De door de optredende notaris, naar wie de partijen zijn verwezen door de rechtbank die uitspraak moet doen over een vordering tot verdeling, op te stellen boedelbeschrijving wordt slechts verricht indien minstens een van de partijen hem hiertoe verzoekt. Thesaurus CAS: VERDELING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Boedelbeschrijving GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Onverdeelde goederen - Gerechtelijke verdeling Vrije woorden: Boedelbeschrijving Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1175 en 1212 Fiche 2 De partij die niet heeft verzaakt aan het recht een boedelbeschrijving door de optredende notaris te laten verrichten kan tegen de afwezigheid van inventaris opkomen zolang het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden niet is afgesloten. Thesaurus CAS: VERDELING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Boedelbeschrijving GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Onverdeelde goederen - Gerechtelijke verdeling Vrije woorden: Boedelbeschrijving - Afwezigheid - Verhaal Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1175 en 1212 Fiches 3 - 4 Krachtens het algemeen rechtsbeginsel dat de afstand van een recht door een partij strikt moet worden geïnterpreteerd en niet wordt vermoed, kan haar afstand van het recht een boedelbeschrijving door de optredende notaris te doen opstellen slechts worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn

(1).
(1)Zie Cass., 20 april 1989, AR 8065, A.C., 1988-89, nr
  1. Thesaurus CAS: VERDELING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Boedelbeschrijving GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Onverdeelde goederen - Gerechtelijke verdeling Vrije woorden: Boedelbeschrijving - Afstand van recht Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1175 en 1212 Thesaurus CAS: AFSTAND VAN RECHT UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Boedelbeschrijving GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Onverdeelde goederen - Gerechtelijke verdeling Vrije woorden: Boedelbeschrijving Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1175 en 1212 Tekst van de beslissing Nr. C.08.0472.N V. X., eiser, aan wie rechtsbijstand werd verleend op 8 oktober 2008 onder nummer G.08.0176.N, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
  2. S. G.,
  3. V. D., die woonplaats kiezen bij gerechtsdeurwaarder Luc Beckers, met kantoor te 3600 Genk, Molenstraat 101, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 7 april 2008 gewezen door het hof van beroep te Antwerpen. Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wetsbepalingen - de artikelen 824, 1045, 1175, 1183, 1212 en 1213 van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel dat afstand van een recht op strikte wijze dient uitgelegd. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiser ongegrond en homologeert de staat van vereffening en verdeling opgemaakt door notaris Van der Meersch op 20 juli 2004, na eisers zwarigheden opnieuw te hebben verworpen, in het bijzonder de zwarigheid m.b.t. de afwezigheid van inventaris, en dit op grond van volgende motieven: "Het artikel 1212 van het Gerechtelijk Wetboek schrijft een inventaris voor. Nergens blijkt dat de instrumenterende notaris daartoe werd aangezocht. Hij kan daartoe niet ambtshalve overgaan. (De eiser) geeft in het verzoekschrift tot hoger beroep (p. 11) en in zijn beroepsbesluiten (p. 13) toe dat hij bij de eerste vacatie van de opening van werkzaamheden het verzoek tot het opstellen van een inventaris heeft laten varen. Verder werd bij de tweede vacatie van de opening van werkzaamheden op 11 april 2002 tussen partijen een akkoord gesloten om de waarde van de inboedel te schatten op 500.000 frank. Met de instrumenterende notaris, daarin gevolgd door de eerste rechter, kan worden gesteld dat gelet op de houding van (de eiser) tijdens de opening van werkzaamheden, hij impliciet heeft afgezien van de inventaris". Grieven Eerste onderdeel Artikel 1212 van het Gerechtelijk Wetboek verplicht de notaris belast met een gerechtelijke vereffening en verdeling van nalatenschap of onverdeeldheid onder meer om een boedelbeschrijving op te maken. Artikel 1213 van het Gerechtelijk Wetboek verplicht de notaris de partijen aan te manen aanwezig te zijn bij de opening der werkzaamheden onder meer om, in voorkomend geval, te voorzien in het ontbreken van een boedelbeschrijving of deze aan te vullen. Overeenkomstig artikel 1175 van het Gerechtelijk Wetboek heeft de boedelbeschrijving tot doel de omvang van de nalatenschap of onverdeeldheid te bepalen. Overeenkomstig de artikelen 1175 en 1183 van het Burgerlijk Wetboek moet zij opgave doen van onder meer alle roerende goederen, lichamelijke zowel als onlichamelijke. Overeenkomstig artikel 1183, 11°, van het Gerechtelijk Wetboek wordt de boedelbeschrijving tenslotte afgesloten met de eed van de partijen. Uit al deze wetsbepalingen, in hun onderlinge samenhang, blijkt dat de boedelbeschrijving de hoeksteen uitmaakt van de vereffening en verdeling. Hieruit volgt dat zo partijen de notaris willen ontslaan van het opmaken van de boedelbeschrijving, zij dit uitdrukkelijk moeten doen. Zonder uitdrukkelijke verklaring van afstand van de boedelbeschrijving, kunnen de partijen nog tot het opstellen van een inventaris laten overgaan zolang de staat van vereffening en verdeling niet definitief is. Uit de procedurestukken en vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat de eiser, als zwarigheid tegen de staat van vereffening en verdeling van de notaris van 20 juli 2004, de afwezigheid van inventaris had ingeroepen en alsnog het opmaken van een boedelbeschrijving had gevraagd. Zoals de notaris, oordeelt het bestreden arrest dat niet meer tot het opmaken van een inventaris kan worden overgegaan. Het bestreden arrest komt tot dit besluit na te hebben geoordeeld dat de eiser, "gelet op zijn houding tijdens de opening van werkzaamheden, impliciet heeft afgezien van de inventaris", wat werd afgeleid uit de vaststelling dat de eiser in zijn verzoekschrift tot hoger beroep en in zijn conclusie in hoger beroep "toegeeft dat hij bij de eerste vacatie van de opening van werkzaamheden het verzoek tot het opstellen van een inventaris heeft laten varen" en dat bij de tweede vacatie "partijen een akkoord hebben gesloten om de waarde van de inboedel te schatten op 500.000 frank". Het bestreden arrest weigert aldus tegemoet te komen aan eisers bezwaar over de afwezigheid van boedelbeschrijving op grond van een impliciete verzaking aan de boedelbeschrijving, en dus, zonder vast te stellen dat de eiser uitdrukkelijk van de inventaris had afgezien. Zonder die laatste vaststelling, kon het bestreden arrest eisers bezwaar over de afwezigheid van inventaris en eisers verzoek om alsnog tot het opstellen van een boedelbeschrijving te laten overgaan nochtans niet wettig verwerpen. Het bestreden arrest schendt derhalve de artikelen 1175, 1183, 1212 en 1213 van het Gerechtelijk Wetboek. Tweede onderdeel Krachtens het algemeen rechtsbeginsel inzake afstand van recht, zoals onder meer tot uitdrukking gebracht in de artikelen 824 en 1045 van het Gerechtelijk Wetboek, moet de afstand van een recht strikt worden uitgelegd en kan zij slechts worden afgeleid uit feiten die voor geen enkele andere uitlegging vatbaar zijn. Voor zover partijen niet alleen uitdrukkelijk, maar ook impliciet zouden kunnen verzaken aan de boedelbeschrijving die bij gerechtelijke vereffening en verdeling is voorgeschreven bij de artikelen 1212 en 1213 van het Gerechtelijk Wetboek (quod non: zie eerste onderdeel), moet die verzaking bijgevolg blijken uit omstandigheden die op vaststaande en ondubbelzinnige wijze een verzaking aantonen. Dit is des te meer zo nu uit de artikelen 1175,1183, 1212 en 1213 van het Gerechtelijk Wetboek blijkt dat de boedelbeschrijving, met de eed van partijen als sluitstuk, de meeste waarborgen biedt voor een juiste bepaling van de omvang van de te verdelen nalatenschap of onverdeeldheid. Het bestreden arrest oordeelt, zoals de notaris, dat niet kan ingegaan worden op de eisers zwarigheid m.b.t. de afwezigheid van inventaris en op eisers vordering om alsnog tot het opstellen van een boedelbeschrijving over te gaan, en dit om de reden dat "gelet op (eisers) houding tijdens de opening van werkzaamheden hij impliciet heeft afgezien van de inventaris". Het bestreden arrest leidt die impliciete afstand af uit, enerzijds, de omstandigheid dat de eiser, in zijn verzoekschrift tot hoger beroep en in zijn conclusie in hoger beroep "toegeeft dat hij bij de eerste vacatie van de opening van werkzaamheden het verzoek tot het opstellen van een inventaris heeft laten varen", en anderzijds, de omstandigheid dat bij de tweede vacatie op 11 april 2002 partijen "een akkoord hebben gesloten om de waarde van de inboedel te schatten op 500.000 frank". De procedurestukken daterend van na de werkzaamheden van vereffening en verdeling kunnen echter onmogelijk het bewijs inhouden van een vaststaande en ondubbelzinnige afstand van inventaris bij de eerste vacatie, temeer de eiser in zijn verzoekschrift tot hoger beroep en in zijn conclusie in hoger beroep eveneens had aangevoerd dat er bij die eerste vacatie nog van uitgegaan werd dat er een uitgebreid bankonderzoek moest komen. Ook het feit dat partijen bij de tweede vacatie akkoord gingen omtrent de waarde van de inboedel, kan niet wijzen op een ondubbelzinnige en vaststaande verzaking aan de boedelbeschrijving. De boedelbeschrijving houdt immers meer in dan de opsomming van de inboedel. Zoals blijkt uit de artikelen 1175, 1183, 1212 en 1213 van het Gerechtelijk Wetboek bevat zij een beschrijving met waardebepaling van alle onroerende en roerende goederen, lichamelijke zowel als onlichamelijke, waaronder bijvoorbeeld bankrekeningen. Bovendien heeft de eiser, zoals in zijn conclusie aangevoerd, ter gelegenheid van het akkoord met de waardebepaling van de inboedel, uitdrukkelijk het verzoek geformuleerd om navraag te doen naar eventuele bankrekeningen bij de Bank van de Post en bij de Citibank. In de voormelde omstandigheden kunnen de zogenaamde "toegeving" in eisers conclusie en eisers akkoord met de waardebepaling van de inboedel onmogelijk volstaan om hieruit een impliciete doch ondubbelzinnige en zekere verzaking aan de boedelbeschrijving af te leiden. Door dit toch te doen, miskent het bestreden arrest het algemeen rechtsbeginsel inzake de strikte uitlegging van de afstand van een recht (schending van voormeld algemeen rechtsbeginsel en van de artikelen 824 en 1045 van het Gerechtelijk Wetboek waarin voormeld rechtsbeginsel tot uitdrukking is gebracht), evenals het schending inhoudt van de artikelen 1175, 1183, 1212 en 1213 m.b.t. de boedelbeschrijving bij gerechtelijke vereffening en verdeling. Tweede middel Geschonden wetsbepalingen - de artikelen 824, 1045, 1209 t/m 1223, inzonderheid de artikelen 1209, 1214, 1217, 1218, 1219 en 1223, van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel dat afstand van recht op strikte wijze dient uitgelegd. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiser ongegrond en homologeert de staat van vereffening en verdeling opgemaakt door notaris Van der Meersch op 20 juli 2004, na eisers zwarigheden opnieuw te hebben verworpen, in het bijzonder de zwarigheid m.b.t. de leningsakten bij Citibank Belgium en Sodefina (thans Record Bank), en dit op grond van volgende motieven: "Nogmaals dient te worden onderstreept dat de door (de eiser) gevorderde informatie met betrekking tot de leningsakten Citibank Belgium en Sodefina hem werden verschaft. Bij de afsluiting van het proces-verbaal van werkzaamheden, vierde vacatie, dd. 29 oktober 2003 heeft (de eiser) verklaard dat hij geen verdere vorderingen meer wenste te formuleren. (...)". Grieven Uit de artikelen 1209 t/m 1223 van het Gerechtelijk Wetboek, in het bijzonder de artikelen 1209, 1214, 1217, 1218, 1219 en 1223, blijkt dat de partijen beweringen en zwarigheden kunnen formuleren tijdens het hele verloop van de werkzaamheden van vereffening en verdeling en uiterlijk tot na ontvangst van de staat van vereffening en verdeling. Uiteraard kunnen partijen lopende de werkzaamheden ook afstand doen van bepaalde betwistingen of akkoorden afsluiten, doch dergelijke afstand of akkoorden moeten uitdrukkelijk of minstens impliciet doch zeker uit de notariële vaststellingen blijken. Krachtens het algemeen rechtsbeginsel inzake afstand van recht, zoals onder meer tot uitdrukking gebracht in de artikelen 824 en 1045 van het Gerechtelijk Wetboek, moet de afstand van een recht immers strikt worden uitgelegd en kan zij enkel worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn. Zonder uitdrukkelijke of minstens ondubbelzinnige en vaststaande verklaringen die wijzen op een afstand van het recht op zwarigheden, hebben partijen bijgevolg nog tot na ontvangst van de staat van vereffening het recht om geschillen of betwistingen op te werpen. De enkele omstandigheid dat partijen ter gelegenheid van de laatste vacatie van werkzaamheden verklaren "geen verdere vorderingen meer te wensen te formuleren" (bijgevoegd stuk 4), ontneemt aan de partijen niet het recht om, na onderzoek van de staat van vereffening en verdeling, die werd opgemaakt op grond van de inlichtingen vastgesteld tijdens de verschillende vacaties van werkzaamheden, geschillen op te werpen m.b.t. de vaststellingen en voorstellen in de staat van vereffening. Uit het proces-verbaal van niet-instemming van 8 september 2004 en uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat de eiser m.b.t. de leningen bij de Citibank en bij Sodefina (thans Record Bank) niet alleen een geschil had opgeworpen over de bestemming van de gelden, maar ook over de echtheid van de handtekening van de decuius. Om die reden had de eiser de overlegging van de originele leningsakten opgevraagd. Het antwoord van de notaris bevestigend, verwerpt het bestreden arrest echter het geformuleerde bezwaar gekoppeld aan het verzoek tot overlegging van de originele akten om de reden dat de eiser "bij de afsluiting van het proces-verbaal van werkzaamheden, vierde vacatie, dd. 29 oktober 2003 verklaard heeft dat hij geen verdere vorderingen meer wenste te formuleren". Dergelijke algemene verklaring kan onmogelijk, mede gelet op de ernst van de geformuleerde zwarigheid, het bewijs vormen van een ondubbelzinnige en vaststaande afstand van het recht om betwisting te voeren tegen de echtheid van de in de staat van vereffening vermelde leningsakten. Door er anders over te oordelen en daarop te steunen om eisers verzoek te verwerpen strekkende tot de toetsing van de originele leningsakten aan hun echtheid, miskent het besteden arrest het algemeen rechtsbeginsel dat afstand van een recht op strikte wijze dient uitgelegd (schending van voormeld rechtsbeginsel en de artikelen 824 en 1045 van het Gerechtelijk Wetboek waarin dit beginsel onder meer tot uitdrukking is gebracht) en ontneemt het arrest tevens op onwettige wijze aan de eiser het recht om beweringen en zwarigheden te formuleren tot na ontvangst van de staat van vereffening en verdeling (schending van de artikelen 1209 t/m 1223, inzonderheid de artikelen 1209, 1214, 1217, 1218, 1219 en 1223 van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Tweede onderdeel
  4. Krachtens artikel 1212 van het Gerechtelijk Wetboek, heeft, indien de roerende en onroerende goederen niet openbaar worden verkocht, de optredende notaris naar wie de partijen zijn verwezen door de rechtbank die uitspraak moet doen over een vordering tot verdeling, opdracht de boedelbeschrijving te verrichten. Deze overeenkomstig de artikelen 1175 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek op te stellen boedelbeschrijving, wordt door de optredende notaris evenwel slechts verricht, indien minstens een van de partijen hem hiertoe verzoekt.
  5. De partij, die niet heeft verzaakt aan het recht een boedelbeschrijving door de optredende notaris te laten verrichten, kan tegen de afwezigheid van inventaris opkomen zolang het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden niet is afgeslo¬ten.
  6. Afstand door een partij van het recht een boedelbeschrijving door de optredende notaris te doen opstellen kan uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden. Krachtens het algemeen rechtsbeginsel dat de afstand van een recht door een partij strikt moet worden geïnterpreteerd en niet wordt vermoed, kan dergelijke afstand slechts worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn.
  7. Na te hebben vastgesteld dat de omvang van de boedels in betwisting bleef en dat een van de zwarigheden van de eiser erin bestond vooralsnog een boedelbeschrijving "met inbegrip van de rekeningen" te laten opstellen door de optredende notaris, oordeelt de appelrechter dat de eiser impliciet afstand heeft gedaan van zijn recht een boedelbeschrijving te laten verrichten, daar: - de eiser in zijn verzoekschrift tot hoger beroep en in zijn appelconclusie toegeeft dat "hij bij de eerste vacatie van de opening van werkzaamheden het verzoek tot het opstellen van een inventaris heeft laten varen"; - bij de tweede vacatie tussen partijen een akkoord ontstond "om de waarde van de inboedel te schatten op 500.000 frank".
  8. De appelrechter vermocht niet zonder miskenning van het algemeen rechtsbeginsel krachtens hetwelk de afstand van een recht door een partij slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn, op die gronden te oordelen dat de eiser impliciet afstand heeft gedaan van zijn recht een boedelbeschrijving te vorderen. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Tweede middel
  9. De appelrechter stelt vast dat de eiser in vraag stelde of de leningsakten van Citibank Belgium en Sodefina wel degelijk door de decujus werden ondertekend en ook of de aldus ontleende bedragen daadwerkelijk de voorgehouden bestemming kregen.
  10. De appelrechter wijst die zwarigheid af op grond van de vaststelling dat de eiser bij de vierde vacatie heeft verklaard "geen verdere vorderingen meer te wensen te formuleren".
  11. Door op die grond de zwarigheid, in de mate dat zij er toe strekt de echtheid te betwisten van de handtekening van de decujus voorkomende in deze leningsakten, evenals de voorgehouden bestemming van de ontleende bedragen, te verwerpen, heeft de ap¬pelrechter het algemeen rechtsbeginsel miskend, krachtens hetwelk de afstand van een recht door een partij strikt moet worden geïnterpreteerd, niet wordt vermoed en slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn. Het middel is in zoverre gegrond. Overige grieven
  12. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt nopens de zwarigheden van de eiser er toe strekkende een boedelbeschrijving te laten verrichten door de optredende notaris en de echtheid van de handtekening van de decujus in de lenings¬akten van Citibank Belgium en Sodefina, alsmede de aangevoerde bestemming van de aldus ontleende gelden te betwisten, beslist dat de staat van vereffening-verdeling van 20 juli 2004 zonder meer wordt gehomologeerd en oordeelt nopens de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en op de openbare terechtzitting van 22 oktober 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091022.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.