← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091022.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091022.8 Rolnummer: D.09.0003.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-11-18 Raadplegingen: 512 - laatst gezien 2026-07-03 01:22 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een onpartijdige rechter vereist dat de appelrechter, aan wie een volledige toetsingsbevoegdheid wordt geboden en die de zaak zelf kan berechten, de rechtmatigheid van de procedure gevolgd in eerste aanleg zou onderzoeken wanneer een partij hem dit vraagt. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Boekhouder - Tucht Vrije woorden: Recht op een onpartijdige rechter - Tuchtrechtelijke vervolging - Appèlrechter - Toetsingsbevoegdheid Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Boekhouder - Tucht Vrije woorden: Recht op een onpartijdige rechter - Tuchtrechtelijke vervolging - Appèlrechter - Toetsingsbevoegdheid Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - TUCHTZAKEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie BURGERLIJK RECHT - BEROEPEN - Boekhouder - Tucht Vrije woorden: Recht op een onpartijdige rechter - Tuchtrechtelijke vervolging - Appèlrechter - Toetsingsbevoegdheid Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6 Tekst van de beslissing Nr. D.09.0003.N V. M., eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiser woonplaats kiest, tegen BEROEPSINSTITUUT VAN ERKENDE BOEKHOUDERS EN FISCALISTEN, publiekrechtelijke rechtspersoon, vertegenwoordigd door zijn Nationale Raad, met zetel te 1050 Brussel, Legrandlaan 45, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing, op 2 februari 2009 gewezen door de kamer van beroep van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten. Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wetsbepalingen - De artikelen 2 en 4 van het Reglement van plichtenleer van het Beroepsinstituut van Boekhouders (BIB) van 31 oktober 1997, goedgekeurd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 december 1997 (BS 29 januari 1998) (verder: Reglement van plichtenleer). Aangevochten beslissing De bestreden beslissing legt de eiser de tuchtrechtelijke schrapping op. De kamer van beroep verwerpt de kritiek van de eiser in cassatie dat de tuchtprocedure geen grond heeft nu de feiten niet gepleegd werden bij de uitoefening van het beroep, op grond van volgende motieven: "De bestreden beslissing merkt terecht op dat artikel 2 van het Reglement van Plichtenleer nergens een onderscheid maakt tussen professionele en extraprofessionele activiteiten. Het doel van een tuchtrechtelijk onderzoek bestaat er precies in te "...onderzoeken of de titularis van een openbaar ambt of van een beroep de deontologische of disciplinaire regels heeft overschreden of afbreuk heeft gedaan aan de eer of waardigheid van zijn ambt of beroep" (Grondwettelijk Hof, 7 december 1999, arrest nr. 129/99) en geeft het tuchtrecht een autonomie ten opzichte van het strafrecht dat doel heeft schendingen van de maatschappelijke orde te doen bestraffen en uitgeoefend wordt in het belang van de gehele maatschappij. Dit afbreuk doen kan niet alleen door feiten binnen de uitoefening van het beroep doch ook door feiten die daar vreemd aan zijn (zie ter zake J. du Jardin, "Rechtspraak in tuchtzaken door beroepsorden: toetsing van de wettigheid door het Hof van Cassatie, R.W. 2000-2001, nr. 64, p. 785

(790)), en dit niet alleen voor gevestigde vrije beroepen zoals advocaat of notaris doch ook voor recente zoals de boekhouder BIBF. De vaststelling van de rechter te Turnhout, bij het bepalen van de strafmaat en in het bijzonder of er al dan niet een bijkomende straf onder vorm van een beroepsverbod in de zin van het KB nr. 22 van 24 oktober 1934 dient opgelegd te worden, dat het, BVBA Bofisko, waarvan appellant zaakvoerder is, niet betrokken was bij de gepleegde feiten, verhinderen niet dat dezelfde feiten tuchtrechtelijk onderzocht en gekwalificeerd worden (zie ook J. du Jardin, o.c., p. 794) in hoofde van appellant. De (kamer van beroep) is dan ook van oordeel dat dus wel degelijk kan onderzocht worden of de feiten die het voorwerp waren van de correctionele veroordeling van appellant door de rechtbank te Turnhout niet tevens inbreuk vormen op de plichtenleer". Grieven
  1. Overeenkomstig artikel 10 van de kaderwet van 3 augustus 2007 betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen, kunnen tuchtstraffen worden opgelegd aan de leden van een gereglementeerd beroep van wie bewezen is dat zij aan hun plichten zijn tekort gekomen. Deze deontologische normen voor boekhouders zijn nader gepreciseerd in het reglement van plichtenleer van het beroepsinstituut van boekhouders. Overeenkomstig artikel 2 van het reglement van plichtenleer bestaan de voorschriften van de plichtenleer van het Instituut uit een geheel van regels, verplichtingen en verbodsbepalingen die de boekhouder BIB "bij de uitoefening van zijn beroep" dient na te leven. Artikel 4 van het reglement van plichtenleer stelt: "De boekhouder BIB moet zijn beroep uitoefenen met de vereiste bekwaamheid, eerlijkheid en waardigheid. Hij dient over de nodige onafhankelijkheid te beschikken, die de uitoefening van een vrij beroep kenmerkt, om zijn beroep uit te oefenen volgens de voorschriften van de plichtenleer".
  2. Volgens de kamer van beroep werden de hem voorgelegde feiten gepleegd buiten de beroepsuitoefening van de eiser (cfr. de overwegingen "Die eerlijkheid en waardigheid moeten altijd aanwezig zijn en niet alleen tijdens de strikte uitoefening van het beroep van boekhouder doch ook daarbuiten"; "Hoewel bvba Bofisko blijkbaar niet betrokken was bij de uitvoering van de strafbare feiten"; "ook al was dit niet in dossiers van het boekhoudkantoor waarvan hij zaakvoerder is").
  3. Hoewel "bvba Bofisko (het boekhoudkantoor van eiser) blijkbaar niet betrokken was bij de uitvoering van de strafbare feiten", acht de kamer van beroep zich bevoegd om te oordelen over de tuchtvordering om reden dat "artikel 2 van het reglement van plichtenleer nergens een onderscheid maakt tussen professionele en extraprofessionele activiteiten", en legt hij aan de eiser een tuchtstraf op wegens schending van artikel 4 van het reglement van plichtenleer. Uit de artikelen 2 en 4 van het reglement van plichtenleer volgt evenwel dat dit reglement enkel van toepassing is voor de inbreuken op de bekwaamheid, eerlijkheid en waardigheid die de boekhouder "bij de uitoefening van zijn beroep" zou hebben gepleegd. De Kamer van Beroep kon derhalve niet zonder schending van de artikelen 2 en 4 van het reglement van plichtenleer oordelen dat de eiser een inbreuk heeft gepleegd op dit reglement van plichtenleer, ondanks het feit dat die inbreuk een handeling buiten zijn beroepsuitoefening zou betreffen. Door de eiser een tuchtstraf op te leggen wegens inbreuk op artikel 4 van het reglement van plichtenleer, zonder te oordelen dat de in aanmerking genomen feiten bij de uitoefening van het beroep zijn gepleegd, heeft de kamer van beroep derhalve artikelen 2 en 4 van het reglement van plichtenleer geschonden. De beslissing is dan ook niet naar recht verantwoord. Tweede middel Geschonden wetsbepaling - artikel 6.1 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (verder: EVRM); - artikel 149 van de Grondwet; - het algemeen rechtsbeginsel betreffende de onpartijdigheid van de rechter. Aangevochten beslissing De bestreden beslissing legt de eiser de tuchtrechtelijke schrapping op. De kamer van beroep verwerpt de kritiek van eiser in cassatie op de regelmatigheid van het procesverloop voor de uitvoerende kamer, met name dat de samenstelling van de zetel er onwettig gewijzigd werd, op grond van volgende motieven: "Er zijn geen stukken die toelaten na te zien of de kamer of de samenstelling van de kamer een onregelmatige wijziging heeft ondergaan". (cfr. pagina 4 van de bestreden beslissing) Grieven Overeenkomstig artikel 6.1 EVRM heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde tuchtrechtelijke vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Door te oordelen dat er geen stukken zijn "die toelaten na te zien of de kamer of de samenstelling van de kamer een onregelmatige wijziging heeft ondergaan" en daarop aan de eiser een tuchtstraf op te leggen, pleegt de kamer van beroep inbreuk op de verplichting die op haar rustte om de regelmatigheid van het procesverloop te onderzoeken - met name het onderzoek naar de samenstelling van de leden van de zetel van de uitvoerende kamer - en schendt de kamer van beroep aldus artikel 6.1 EVRM evenals het algemeen rechtsbeginsel betreffende de onpartijdigheid van de rechter. Minstens laat deze beslissing het Hof niet toe na te gaan, noch te beoordelen of de leden van de kamer van beroep die uitspraak hebben gedaan, niet reeds vooraf van deze zaak kennis hebben genomen (schending van artikel 6.1 EVRM van het algemeen rechtsbeginsel betreffende de onpartijdigheid van de rechter en, voor zoveel als nodig, van artikel 149 van de Grondwet). III. BESLISING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel Grond van niet-ontvankelijkheid
  4. De eiser wijst artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek niet als geschonden aan en de aangewezen wetsbepalingen zijn vreemd aan de aangevoerde grief: Het middel voert schending aan van onder meer het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid van de rechter en van artikel 6.1 EVRM. Die bepalingen zouden geschonden zijn doordat de kamer van beroep weigerde de regelmatigheid van de samenstelling van de uitvoerende kamer te onderzoeken, hoewel dit gevraagd was door de eiser. De eiser heeft aldus precies de wettelijke bepalingen aangewezen die hij geschonden acht. Die wettelijke bepalingen zijn niet vreemd aan de aangevoerde grief. De eiser hoefde artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek, een bepaling die slechts overeenkomstig van toepassing is en niet de grondslag vormde van de aangevoerde grief, niet als geschonden aan te wijzen. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Middel
  5. Krachtens artikel 6 EVRM heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde tuchtrechtelijke vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een onpartijdige rechter vereist eveneens dat de appelrechter aan wie een volledige toetsingsmogelijkheid wordt geboden en die de zaak zelf kan berechten, de rechtmatigheid van de procedure gevolgd in eerste aanleg zou onderzoeken wanneer een partij hem dit vraagt.
  6. Wanneer aldus voor een appelrechter wordt aangevoerd dat in de loop van de behandeling van het dossier de samenstelling van de kamer die het dossier in eerste aanleg heeft behandeld gewijzigd is en een onregelmatige wijziging heeft ondergaan, kan het voor de appelrechter niet volstaan, zonder het recht op een eerlijke behandeling te schenden, dit verweer af te wijzen, zoals hij te dezen heeft gedaan, louter op grond dat "er geen stukken zijn die toelaten na te zien of de kamer of de samenstelling van de kamer een onregelmatige wijziging heeft ondergaan". Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt de bestreden beslissing. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. Veroordeelt het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten in de kosten. Verwijst de zaak naar de Kamer van Beroep, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en op de openbare terechtzitting van 22 oktober 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091022.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170623.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.