id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091027.1 Rolnummer: P.09.0748.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2009-11-02 Raadplegingen: 762 - laatst gezien 2026-07-02 21:25 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Het door de artikelen 196, 197 en 213 Strafwetboek, artikel 450 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 en artikel 206bis Wetboek Registratierechten bedoelde strafbare gebruik van een vals stuk is de aanwending ervan om uitwerking te geven aan zijn specifieke valsheid; het gebruik van een vals stuk duurt voort, zelfs zonder nieuw feit van de dader en zonder zijn herhaalde tussenkomst, zolang het doel dat hij beoogde niet werd verwezenlijkt en zolang de oorspronkelijke handeling die hem wordt verweten, zonder dat hij zich ertegen verzet, de gunstige uitwerking blijft hebben die hij ervan verwachtte, maar eens het doel van die valsheid volledig is bereikt, neemt het strafbare gebruik een einde
(1).
(1)Cass., 23 dec. 1998, AR A.94.0001.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981223.9, A.C., 1998, nr. 534; Cass., 7 feb. 2007, AR P.06.1491.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070207.6, A.C., 2007, nr. 72; Cass., 23 april 2008, AR P.08.0163.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080423.2, A.C., 2008, nr. 246; Cass., 27 jan. 2009, AR P.08.1639.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090127.3, A.C., 2009, nr. 68. Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare trouw - Valsheid STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Gebruik van valse stukken Gebruik van valse stukken - Duur van het misdrijf Gebruik van valse stukken - Tijdstip waarop het strafbaar gebruik eindigt Fiche 4 Wanneer verschillende valsheden, zowel gemeenrechtelijke als fiscale, de uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, dit is een constructie van valsheden uitmaken, kan het zijn dat, ondanks dat elk soort valsheid een specifiek strafbaar opzet vereist, het doel van het geheel van de valsheden slechts volledig is bereikt wanneer elk van die valsheden zijn doel volledig heeft bereikt. Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare trouw - Valsheid STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Constructie van gemeenrechterlijke en fiscale valsheden - Eenzelfde misdadig opzet - Ogenblik waarop het doel van de valsheid is bereikt - Toepassing Fiches 5 - 6 Bij de regeling van de rechtspleging overeenkomstig artikel 130 Wetboek van Strafvordering staat het de raadkamer te oordelen betreffende welk concreet gebruik er voldoende bezwaar bestaat en of de strafvordering daarvoor niet verjaard is; bovendien houdt artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering in, dat wanneer de inverdenkinggestelde daaromtrent een verweermiddel aanvoert, de raadkamer daarop moet antwoorden en, in voorkomend geval, dient te preciseren waaruit het vermeende gebruik bestaat, welk het doel ervan was en welk gevolg het beoogde. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare trouw - Valsheid STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Raadkamer - Regeling van de rechtspleging - Gebruik van valse stukken - Opdracht van de raadkamer Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare trouw - Valsheid STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Gebruik van valse stukken - Regeling van de rechtspleging - Opdracht van de raadkamer Fiches 7 - 10 Wanneer de inverdenkinggestelde voor de raadkamer een verweermiddel aanvoert omtrent de verjaring van de strafvordering voor een telastlegging van gebruik van valse stukken, moet de raadkamer daarop antwoorden en, in voorkomend geval, dient zij te preciseren waaruit het vermeende gebruik bestaat, welk het doel ervan was en welk gevolg het beoogde; dit antwoord moet de kamer van inbeschuldigingstelling, die overeenkomstig artikel 235bis, §§ 1 en 2, Wetboek van Strafvordering de regelmatigheid van de procedure controleert, toelaten na te gaan of de door de raadkamer als gebruik van valse stukken aangewezen concrete handeling wel een strafbaar gebruik van valsheid kan uitmaken en, indien dit het geval is, of op grond van het aangegeven concrete gebruik de gevolgtrekking door de raadkamer betreffende de verjaring ervan wettig verantwoord is
(1).
(1)Zie Cass., 31 mei 2005, AR P.05.0536.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050531.3, A.C., 2005, nr.
- Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare trouw - Valsheid STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Raadkamer - Regeling van de rechtspleging - Gebruik van valse stukken - Verweermiddel waarbij de verjaring van de strafvordering wordt aangevoerd - Opdracht van de raadkamer - Verplichting om op het verweer te antwoorden - Draagwijdte van deze verplichting Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare trouw - Valsheid STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Gebruik van valse stukken - Regeling van de rechtspleging - Verweermiddel waarbij de verjaring van de strafvordering wordt aangevoerd - Opdracht van de raadkamer - Verplichting om op het verweer te antwoorden - Draagwijdte van deze verplichting Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare trouw - Valsheid STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Hoger beroep tegen de verwijzingsbeschikking van de raadkamer - Gebruik van valse stukken - Verweermiddel waarbij voor de raadkamer de verjaring van de strafvordering werd aangevoerd - Opdracht van de kamer van inbeschuldigingstelling Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare trouw - Valsheid STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling Vrije woorden: Gebruik van valse stukken - Regeling van de rechtspleging - Verweermiddel waarbij voor de raadkamer de verjaring van de strafvordering werd aangevoerd - Verwijzingsbeschikking - Hoger beroep - Opdracht van de kamer van inbeschuldigingstelling Tekst van de beslissing Nr. P.09.0748.N I M. J. G. D. B. inverdenkinggestelde, eiser, met als raadslieden mr. Joris A. Vercraeye, mr. Mounir Souidi en mr. Luc De Daele, advocaten bij de balie te Antwerpen. II M. B. S. inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Philip Traest, advocaat bij de balie te Brussel. III E. A. R. C. inverdenkinggestelde, eiser, met als raadslieden mr. Jo De Meester, advocaat bij de balie te Antwerpen, en mr. Silvia Van Dyck, advocaat bij de balie te Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 3 april
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eiser I - Tweede middel van de eiser II - Eerste middel van de eiser III
- Het eerste middel van de eiser I voert schending aan van de artikelen 196, 197 juncto 213 Strafwetboek, de artikelen 339 en 340 WIB64 en 449 en 450 WIB92, de artikelen 206, 206bis en 207ter Wetboek Registratierechten, en artikel 21 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het fiscale gebruik van vermeende valse stukken verliest in de regel zijn nuttig effect bij de definitieve vestiging van de belasting; gezien de feiten zouden zijn gepleegd in 1993 en 1994, dient te worden nagegaan welke beslissing de fiscale diensten hebben genomen en wanneer de definitieve vestiging van belasting plaatsvond; het bestreden arrest weigert ten onrechte na te gaan op welke datum de definitieve vestiging van de belasting plaatsvond, teneinde de verjaring van de strafvordering op precieze wijze te kunnen nagaan.
- Het eerste onderdeel van het tweede middel van de eiser II voert schending aan van de artikelen 131, 135, § 2, en 235bis Wetboek van Strafvordering en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: gevat van een verweermiddel betreffende de verjaring moet de kamer van inbeschuldigingstelling kunnen oordelen tot op welke datum het gebruik van dit vals stuk heeft geduurd; een andere oplossing maakt het appelrecht tegen de beslissing van de raadkamer op dit punt een volkomen inhoudloos recht; daar de appelrechters oordelen gebonden te zijn door de beslissing van de raadkamer met betrekking tot de datum tot wanneer het gebruik van de beweerde valse stukken heeft geduurd en derhalve het aanvangspunt van de verjaring, verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht.
- Het tweede onderdeel van het tweede middel van de eiser II voert schending aan van de artikelen 131, 135, § 2, en 235bis Wetboek van Strafvordering en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het door de eiser uitvoerig voor de raadkamer gevoerde verweer werd door de uiterst summier gemotiveerde beschikking van de raadkamer niet beantwoord; meer bepaald had de eiser aangevoerd dat op 28 november 1996 een bericht van wijziging van aangifte door de fiscale administratie werd uitgevaardigd en dat zulk geleid heeft tot de inkohiering op 30 december 1996 en dat derhalve het beweerde gebruik van valse stukken in elk geval slechts tot op 30 december 1996 kan worden gesitueerd; evenmin beanwoordt de raadkamer het verweer in dit verband van de eiser III, waarbij in het bijzonder werd ingegaan op het beweerdelijk laatste gebruik in het licht van de telastleggingen van fiscale valsheid C en D; hieruit volgt dat de beslissing van de raadkamer, die de datum van het gebruikseinde van de valse stukken vaststelt op 30 september 1999, niet tot stand is gekomen met respect voor het recht van verdediging van de eiser; de beslissing van de appelrechters die vervolgens oordelen dat de kamer van inbeschuldigingstelling door de vaststelling van deze datum door de raadkamer gebonden is en op die grond het middel van het verval van de strafvordering door verjaring verwerpt, miskent derhalve eveneens het recht van verdediging van de eiser; het resultaat is immers dat de eiser noch voor de raadkamer, noch voor de appelrechters het recht heeft gehad om met betrekking tot het aanvangspunt van de verjaring van de strafvordering een verweer te voeren dat op wettelijke gronden werd ontmoet.
- Het eerste onderdeel van het eerste middel van de eiser III voert schending aan van de artikelen 135, § 2, en 235bis Wetboek van Strafvordering: de beoordeling van de verjaring vergt een onderzoek naar feitelijke omstandigheden; enerzijds moet bepaald worden wanneer de verjaringstermijn begint te lopen, anderzijds dient men de toepasselijke verjaringstermijn te bepalen en te toetsen aan het voorliggend geval, rekening houdend met de aard van het misdrijf en eventuele stuitings- en schorsingsgronden; de appelrechters die oordelen dat het hoger beroep tegen de beslissing van de raadkamer aangaande het aanvangspunt van de verjaringstermijn niet ontvankelijk is, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.
- Het tweede onderdeel van het eerste middel van de eiser III voert schending aan van de artikelen 135, § 2, en 235bis Wetboek van Strafvordering: de eiser heeft bij de appelrechters het verweer gevoerd dat de feiten van de telastleggingen A en B eindigden op 18 februari 1994, de feiten van de telastlegging C op 30 juni 1996 en deze van de telastlegging D op 1 maart 1994; de raadkamer heeft uitsluitend geantwoord op het verweer aangaande de verjaring voor de feiten A en B, maar niet aangaande C en D, en toont bovendien niet aan waarom het door de eiser voorgedragen ‘laatste feit' niet als einddatum van het vermeende voortgezet misdrijf kan dienen; dit motiveringsgebrek werd in conclusie bij de kamer van inbeschuldigingstelling aangevoerd; de appelrechters konden dan ook eisers hoger beroep in zoverre niet onontvankelijk verklaren.
- De drie middelen hebben dezelfde draagwijdte. Ze bekritiseren de beslissing van de appelrechters over de verjaring.
- Het door de artikelen 196, 197 en 213 Strafwetboek, artikel 450 WIB92 en artikel 206bis Wetboek Registratierechten bedoelde strafbare gebruik van een vals stuk, is de aanwending ervan om uitwerking te geven aan zijn specifieke valsheid. Het gebruik van een vals stuk duurt voort, zelfs zonder nieuw feit van de dader en zonder zijn herhaalde tussenkomst, zolang het doel dat hij beoogde niet werd verwezenlijkt en zolang de oorspronkelijke handeling die hem wordt verweten, zonder dat hij zich ertegen verzet, de gunstige uitwerking blijft hebben die hij ervan verwachtte. Eens het doel van de valsheid volledig is bereikt, neemt het strafbare gebruik een einde. Wanneer verschillende valsheden, zowel gemeenrechtelijke als fiscale, de uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, dit is een constructie van valsheden uitmaken, kan het evenwel zijn dat, ondanks dat elk soort valsheid een specifiek strafbaar opzet vereist, het doel van het geheel van de valsheden slechts volledig is bereikt wanneer elk van die valsheden zijn doel volledig heeft bereikt.
- Bij de regeling van de rechtspleging overeenkomstig artikel 130 Wetboek van Strafvordering staat het de raadkamer te oordelen betreffende welk concreet gebruik er voldoende bezwaar bestaat en of de strafvordering daarvoor niet verjaard is.
- Bovendien houdt artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering in, dat wanneer de inverdenkinggestelde daaromtrent een verweermiddel aanvoert, de raadkamer daarop moet antwoorden en, in voorkomend geval, dient te preciseren waaruit het vermeende gebruik bestaat, welk het doel ervan was en welk gevolg het beoogde. Dit antwoord moet de kamer van inbeschuldigingstelling die overeenkomstig artikel 235bis, §§ 1 en 2, Wetboek van Strafvordering de regelmatigheid van de procedure controleert, toelaten na te gaan of de door de raadkamer als gebruik van valse stukken aangewezen concrete handeling wel een strafbaar gebruik van valsheid kan uitmaken en, indien dit het geval is, of op grond van het aangegeven concrete gebruik de gevolgtrekking door de raadkamer betreffende de verjaring ervan wettig verantwoord is.
- Het bestreden arrest onderzoekt enerzijds (p. 21 tot 24 - rubriek "II. wat betreft de opgeworpen, ontvankelijke argumenten a) de verjaring van de strafvordering") of het door de raadkamer aangenomen gebruik wel een strafbaar gebruik van valsheid kan uitmaken, anderzijds (p. 34 tot 37 - rubriek "
- Wat betreft de verjaring") of op grond van dit gebruik de gevolgtrekking betreffende de nog niet-bereikte verjaring wettig verantwoord is. Het bestreden arrest overweegt in verband met het concrete gebruik van de valsheid (p. 24): "Wat betreft het gebruik van deze sub A en B bedoelde documenten stelt de procureur des Konings, zoals supra aangehaald, dat het laatste feit van gebruik minstens voortduurde tot en met 30 september
- Er wordt verwezen naar stuk 168 hetgeen bij nazicht een brief lijkt te zijn van 30 september 1999 vanwege [de derde eiser] aan de fiscus (dezelfde brief bevindt zich eveneens in het dossier, stukken 520 en 1098). In dit schrijven gaat [de derde eiser] in op de vraag tot het verstrekken van welbepaalde gegevens en bewijsstukken vanwege de fiscus d.d. 29 september 1999 . Het lijdt bijgevolg, gezien de duidelijke inhoud van dit schrijven, geen twijfel dat de brief van 30 september 1999 gediend heeft om de stukken vermeld sub A en B tot op die datum een nuttig effect te geven, onder meer ten overstaan van de fiscus (het weze opgemerkt dat het sub de tenlasteleggingen A en B omschreven bedrieglijk opzet, ruimer is dan een louter ‘fiscaal opzet'). In de huidige fase kan eveneens gesteld worden dat er inzake de feiten vermeld onder de tenlasteleggingen C , D en E eveneens voldoende bezwaren aanwezig zijn, nu deze laatste kwalificaties gebaseerd zijn op de sub A en B vermelde I vermeende, valsheden. Het gebruik van de onder tenlasteleggingen C en D bedoelde stukken kan om voormelde redenen eveneens minstens blijven doorlopen tot en met 30 september 1999 . Het gevolg van deze vaststellingen is dan ook dat de laatste nuttige stuitingsdaad de vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek betreft vanwege de procureur des Konings d.d. 20 september
- Gelet op de weerhouden ‘eenheid van opzet'."
- Aan de hand van deze overwegingen kan het Hof niet, zonder zelf een feitenonderzoek te verrichten waartoe het geen bevoegdheid heeft, toetsen welke welbepaalde gegevens en bewijsstukken de eiser III in zijn brief van 30 september 1999 aan de fiscus heeft verstrekt, waarin in dit verband het beweerde gebruik van de gemeenrechtelijke valsheden A en B zou hebben kunnen bestaan en welk mogelijk gevolg dat vermeende gebruik beoogde en kon bereiken. Het bestreden arrest is bijgevolg zelf niet wettig verantwoord. De drie middelen zijn in zoverre gegrond. Overige middelen
- De overige middelen die niet tot cassatie zonder verwijzing kunnen leiden, behoeven geen antwoord meer. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Laat de kosten ten laste van de Staat. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Begroot de kosten in het geheel op 597,27 euro waarvan de eisers elk 199,09 euro verschuldigd zijn. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère en Paul Maffei, en op de openbare rechtszitting van 27 oktober 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091027.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981223.9 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050531.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070207.6 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080423.2 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090127.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110309.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130226.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div