id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091027.3 Rolnummer: P.09.0901.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2009-11-02 Raadplegingen: 803 - laatst gezien 2026-07-03 03:21 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 5 Het recht op daadwerkelijke rechtshulp, bedoeld in artikel 13 E.V.R.M., houdt in dat wanneer de nationale instantie vaststelt dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6.1 van dit verdrag, is overschreden, zij een passend rechtsherstel moet bieden, maar geen enkele verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling stelt dat de overschrijding van de redelijke termijn de niet-ontvankelijkheid of het verval van de strafvordering voor gevolg heeft; de rechter beoordeelt welk het passende rechtsherstel is in het stadium van de rechtspleging waarin hij uitspraak doet en dit rechtsherstel kan, in het stadium van de regeling van de rechtspleging, bestaan in de loutere vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn, waarmede de verwijzingsrechter die ten gronde oordeelt dan rekening zal moeten houden bij de globale beoordeling van de zaak
(1)Cass, 24 jan. 1990, AR 7805, A.C., 1989-90, nr. 323; Cass., 27 mei 1992, AR 9727, A.C., 1991-92, nr. 508; Cass., 13 okt. 1993, AR P.93.0389.F ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931013.15, A.C., 1993, nr. 407; Cass., 22 maart 2000, AR P.99.1758.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000322.10, A.C., 2000, nr. 197; Cass., 17 mei 2000, AR P.00.0275.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000517.31, A.C., 2000, nr. 302; Cass., 13 feb. 2001, AR P.99.0739.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010213.6, A.C., 2001, nr. 86; Cass., 24 feb. 2004, AR P.03.1148.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040224.19, A.C., 2004, nr. 97; Cass., 28 mei 2008, AR P.08.0216.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080528.7, A.C., 2008, nr. 323 en Pas., 2008, I, nr. 323, met concl. adv.-gen. Vandermeersch. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 13 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Redelijke termijn GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Daadwerkelijk rechtsmiddel - art. 13 Vrije woorden: Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel - Daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie - Vaststelling door de nationale instantie van de overschrijding van de redelijke termijn Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Redelijke termijn GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Daadwerkelijk rechtsmiddel - art. 13 Vrije woorden: Behandeling binnen een redelijke termijn - Overschrijding van de redelijke termijn Behandeling binnen een redelijke termijn - Overschrijding van de redelijke termijn - Passend rechtsherstel - Beoordeling door de rechter Behandeling binnen een redelijke termijn - Regeling van de rechtspleging - Kamer van inbeschuldigingstelling - Vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn - Passend rechtsherstel - Toepassing Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Toezicht door Kamer inbeschuldigingstelling GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Redelijke termijn GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Daadwerkelijk rechtsmiddel - art. 13 Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Regeling van de rechtspleging - Vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn - Passend rechtsherstel - Toepassing Tekst van de beslissing Nr. P.09.0901.N R. C. M. inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Bart Coopman, advocaat bij de balie te Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 5 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest wordt gehecht, grieven aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste grief
- De grief voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM: het bestreden arrest oordeelt ten onrechte dat de kamer van inbeschuldigingstelling die de overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, geen maatregel tot herstel kan uitspreken; die vaststelling houdt immers in dat het onderzoeksgerecht de vastgestelde schending van het verdrag moet sanctioneren; wanneer het onderzoeksgerecht geen beoordeling van de grond van de zaak kan doen, belet niets dat het oordeelt dat de strafvordering vervallen of niet ontvankelijk is.
- Artikel 13 EVRM bepaalt: "Eenieder wiens rechten en vrijheden, welke in dit verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op een daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie, zelfs indien deze schending zou zijn begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie." Die rechtshulp houdt in dat wanneer de nationale instantie bedoeld in die bepaling vaststelt dat de redelijke termijn binnen dewelke eenieder recht heeft op de berechting van zijn zaak, is overschreden, zij een passend rechtsherstel moet bieden.
- Geen enkele verdragrechtelijke of wettelijke bepaling stelt dat de overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6.
- EVRM de niet-ontvankelijkheid of het verval van de strafvordering voor gevolg heeft. De rechter beoordeelt welke in het stadium van de rechtspleging waar het uitspraak doet, het passende rechtsherstel is. Dit rechtsherstel kan in dat stadium van de rechtspleging bestaan in de loutere vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn, waarmede de verwijzingsrechter die ten gronde oordeelt, dan rekening zal moeten houden bij de globale beoordeling van de zaak. Het arrest dat aldus oordeelt, is naar recht verantwoord. De grief kan niet worden aangenomen. Tweede grief
- De grief voert schending aan van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering en, voor zover als nodig, de artikelen 131, § 1, en 135, § 2, Wetboek van Strafvordering: het bestreden arrest oordeelt ten onrechte dat artikel 235bis Wetboek van Strafvordering niet toelaat wegens de overschrijding van de redelijke termijn de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering vast te stellen en dat noch de nationale noch de internationale wetgeving voorzien in de niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering of in de nietigheid van de procedurestukken als onmiddellijk door het onderzoeksgerecht uit te spreken rechtsherstel bij de overschrijding van de redelijke termijn uit te spreken; artikel 235bis Wetboek van Strafvordering voorziet wel degelijk in de mogelijkheid die sanctie uit te spreken.
- Zoals blijkt uit het antwoord op de eerste grief, stelt geen enkele verdragrechtelijke of wettelijke bepaling dat de overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6.
- EVRM de niet-ontvankelijkheid of het verval van de strafvordering voor gevolg heeft. De rechter beoordeelt welke in het stadium van de rechtspleging waar het uitspraak doet, het passende rechtsherstel is.
- Hieruit volgt dat het onderzoeksgerecht dat als nationale instantie bedoeld in artikel 13 EVRM geroepen wordt om bij schending van het verdrag een passende rechtshulp te verlenen, vaststelt dat de redelijke termijn binnen dewelke eenieder het recht heeft op de berechting van zijn zaak, is overschreden, onaantastbaar oordeelt welke het passende rechtsherstel is. Het kan daartoe oordelen dat dit rechtsherstel in dat stadium van de rechtspleging is bereikt door de enkele vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn en dat de verwijzingsrechter dit gegeven in aanmerking zal nemen bij de beoordeling van de grond van de zaak. Het arrest dat aldus oordeelt, is naar recht verantwoord. De grief kan niet aangenomen worden. Prejudiciële vragen
- De eiser voert aan dat artikel 235bis Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt in zoverre deze wetsbepaling de kamer van inbeschuldigingstelling niet toelaat wegens de loutere overschrijding van de redelijke termijn een adequaat rechtsherstel te verlenen, terwijl zij dit wel kan doen voor de schending van enig ander recht beschermd door artikel 6 EVRM; dezelfde artikelen 10 en 11 Grondwet zijn eveneens geschonden in zoverre de vonnisgerechten, in tegenstelling tot de onderzoeksgerechten, in geval van een loutere overschrijding van de redelijke termijn wel een adequaat rechtsherstel kunnen verlenen.
- De vragen berusten geheel op de in het antwoord op de grieven onjuist bevonden rechtsopvatting dat de kamer van inbeschuldigingstelling bij de vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn aan de inverdenkinggestelde geen passend rechtsherstel kan verlenen. De vragen hoeven niet te worden gesteld. Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Begroot de kosten op 126,09 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère en Paul Maffei, en op de openbare rechtszitting van 27 oktober 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091027.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100413.4 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100915.2 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101006.4 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101027.3 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170719.7 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221109.2F.9 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221215.2F.1 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230117.2F.1 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230117.2N.3 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251231.2F.3 ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.016 ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.051 ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.092 ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100503.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931013.15 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000322.10 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000517.31 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010213.6 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040224.19 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080528.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.9 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091124.9 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120605.6 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120626.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div