← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091103.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091103.6 Rolnummer: P.09.0884.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2009-11-20 Raadplegingen: 580 - laatst gezien 2026-07-02 21:21 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het feit dat het bedrag van de onderhoudsuitkering "definitief" werd begroot dan wel slechts "provisioneel", doet geen afbreuk aan de verplichting tot betaling van de onderhoudsuitkering waartoe de schuldenaar is veroordeeld volgens een rechterlijke beslissing waartegen geen verzet of hoger beroep meer openstaat op het ogenblik van de hem ten laste gelegde feiten. Thesaurus CAS: VERLATING VAN FAMILIE UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen familie en zeden - Familieverlating Vrije woorden: Veroordeling tot betaling van een uitkering tot onderhoud - Aard van de beslissing Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 391bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 2 Voor het misdrijf verlating van familie dient de strafrechter na te gaan of er nog een gewoon rechtsmiddel openstaat tegen de rechterlijke beslissing van veroordeling tot betaling van een uitkering tot onderhoud; een voorafgaande ingebrekestelling van de schuldenaar is geen noodzakelijke voorwaarde om hem schuldig te verklaren aan het misdrijf van verlating van familie, zoals bepaald in artikel 391bis, eerste lid, Strafwetboek

(1).
(1)Cass., 24 nov. 1958, Arr. Verbr., 1959,
  1. Thesaurus CAS: VERLATING VAN FAMILIE UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen familie en zeden - Familieverlating Vrije woorden: Veroordeling tot betaling van een uitkering tot onderhoud - Voorwaarde - Voorafgaande ingebrekestelling van de schuldenaar Annotaties Publicaties: R.W. - DE SMET Bart - 2009-2010/39 - p. 1644-1646 Tekst van de beslissing Nr. P.09.0884.N I. J. A. B. beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Lode Robben, advocaat bij de balie te Hasselt, tegen G. B. burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 29 april
  2. De eiser voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 391bis Strafwetboek: het vonnis van de vrederechter te Hasselt (kanton 2) van 10 juni 2005 waarop de veroordeling is gesteund, is "geen veroordeling tot het betalen van een onderhoudsgeld (...) waarop niet volledig kan worden teruggekomen, en die bijgevolg definitief is"; aldus is eisers schuldigverklaring niet naar recht verantwoord.
  4. Artikel 391bis, eerste lid, Strafwetboek stelt strafbaar "hij die, na door een rechterlijke beslissing waartegen geen verzet of hoger beroep meer openstaat, te zijn veroordeeld om een uitkering tot onderhoud te betalen aan zijn echtgenoot, aan zijn bloedverwanten in de nederdalende of in de opgaande lijn, meer dan twee maanden vrijwillig in gebreke blijft de termijnen ervan te kwijten".
  5. De strafrechter dient na te gaan of de beslissing niet meer vatbaar is voor verzet of hoger beroep. Het feit dat het bedrag van de onderhoudsuitkering "definitief" werd begroot dan wel slechts "provisioneel", doet geen afbreuk aan de verplichting tot betaling van de onderhoudsuitkering waartoe de schuldenaar is veroordeeld volgens een rechterlijke beslissing waartegen geen verzet of hoger beroep meer openstaat op het ogenblik van de hem ten laste gelegde feiten. In zoverre het middel van het tegendeel uitgaat, faalt het naar recht.
  6. De appelrechters stellen vast dat de eiser bij vonnis van de vrederechter te Hasselt van 10 juni 2005 dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld werd om "met ingang van de maand januari 2005 een provisionele uitkering na echtscheiding te betalen van" 500 euro per maand. Zij oordelen: "dat de uitkering een provisionele uitkering betreft, belet niet dat het vonnis in kracht van gewijsde trad en dus verbindend was voor [de eiser], ongeacht een eventuele latere herziening dan wel andere uitspraak ingevolge de nog hangende tegeneis met betrekking tot de echtscheidingsvordering." Aldus verantwoorden zij hun beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 391bis Strafwetboek en artikel 1247 Burgerlijk Wetboek, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de voorafgaande ingebrekestelling : een "pro memorie aanmaning" kan onmogelijk een voldoende ingebrekestelling inhouden waarbij duidelijk gemaakt wordt dat de schuldeiser aandringt op betaling; bovendien voldoet een aanmaning "pro memorie" niet aan de wetten op het taalgebruik in gerechtszaken.
  8. In zoverre het middel artikel 1247 Burgerlijk Wetboek als geschonden aanwijst, zonder nauwkeurig aan te geven hoe en waardoor de bestreden beslissing die bepaling schendt, is het niet ontvankelijk.
  9. Artikel 391bis, eerste lid, Strafwetboek stelt strafbaar "hij die, na door een rechterlijke beslissing waartegen geen verzet of hoger beroep meer openstaat, te zijn veroordeeld om een uitkering tot onderhoud te betalen aan zijn echtgenoot, aan zijn bloedverwanten in de nederdalende of in de opgaande lijn, meer dan twee maanden vrijwillig in gebreke blijft de termijnen ervan te kwijten".
  10. De strafrechter dient na te gaan of er nog een gewoon rechtsmiddel openstaat tegen de rechterlijke beslissing. Een voorafgaande ingebrekestelling van de schuldenaar is geen noodzakelijke voorwaarde om hem schuldig te verklaren aan het misdrijf van verlating van familie, zoals bepaald in artikel 391bis, eerste lid, Strafwetboek. In zoverre het middel van het tegendeel uitgaat, faalt het naar recht.
  11. In zoverre het middel aanvoert dat de vermelding "pro memorie" in het gerechtsdeurwaardersexploot van 26 april 2006 in strijd is met "de wetten op het taalgebruik in gerechtszaken", is het niet gericht tegen de bestreden beslissing. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Derde middel Eerste onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 63 Wetboek van Strafvordering: de rechtstreekse dagvaarding maakt geen enkel gewag van enige mogelijke schade zodat niet voldaan is aan de voorwaarden om zich burgerlijke partij te stellen.
  13. Hij die beweert door een wanbedrijf te zijn benadeeld, kan zich krachtens de artikelen 63 en 182 Wetboek van Strafvordering burgerlijke partij stellen en dat wanbedrijf bij de correctionele rechtbank aanhangig maken door rechtstreekse dagvaarding van de beklaagde. Het is voor de ontvankelijkheid van de rechtstreekse dagvaarding en het instellen van de strafvordering voldoende dat de dagende partij aanvoert benadeeld te zijn door het aangegeven misdrijf, zonder dat zij haar vordering tot schadevergoeding hoeft te detailleren.
  14. In haar rechtstreekse dagvaarding geeft de verweerster een uitvoerig feitenrelaas om aan te tonen dat de eiser zich schuldig maakt aan het misdrijf van verlating van familie en vraagt zij "vergoeding van de door haar naar aanleiding van het misdrijf van familieverlating geleden schade" waarvoor zij een voorschot van 1 euro vordert. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de rechtstreekse dagvaarding geen gewag maakt van enige mogelijke schade, mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters motiveren niet waarom de burgerlijke vordering ontvankelijk is en beantwoorden eisers verweer daarover niet.
  16. In haar rechtstreekse dagvaarding geeft de verweerster een uitvoerig feitenrelaas om aan te tonen dat de eiser zich schuldig maakt aan het misdrijf van verlating van familie en vraagt zij "vergoeding van de door haar naar aanleiding van het misdrijf van familieverlating geleden schade" waarvoor zij een voorschot van 1 euro vordert. De eerste rechter neemt deze rechtstreekse dagvaarding en de daarin vermelde vordering tot schadevergoeding over, verklaart het misdrijf met redenen bewezen en verklaart de eis van de verweerster die op het bewezen verklaarde misdrijf is gesteund, ontvankelijk maar slechts ten dele gegrond. De appelrechters verwijzen op burgerlijk gebied naar de redenen van de eerste rechter. Aldus beantwoorden zij eisers verweer en verantwoorden zij hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 69,66 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare rechtszitting van 3 november 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091103.6 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150421.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.