id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091110.4 Rolnummer: P.09.0655.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2009-11-25 Raadplegingen: 188 - laatst gezien 2026-07-02 21:12 Versie(s): Vertaling FR Fiche Voor de toepassing van artikel 35, § 4, vijfde lid, Voorlopige Hechteniswet, dat bepaalt dat de borgsom toegewezen wordt aan de Staat zodra gebleken is dat de verdachte of de veroordeelde zonder wettige reden van verschoning niet verschenen is bij enige proceshandeling of ter tenuitvoerlegging van het vonnis, is het noodzakelijk maar voldoende dat, in toepassing van artikel 35, § 4, laatste lid, van deze wet, op vordering van het openbaar ministerie de niet-verschijning van de veroordeelde ter tenuitvoerlegging van het vonnis wordt vastgesteld door de rechtbank die de veroordeling heeft uitgesproken; het feit dat de vordering van het openbaar ministerie werd ingesteld na een eerdere dagvaarding tot teruggave van de borgsom door derden die deze borgsom betaalden, doet hieraan geen afbreuk. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) - Vrijheid mits borgsom Vrije woorden: Borgsom - Veroordeelde die zonder wettige reden van verschoning niet verschenen is ter tenuitvoerlegging van het vonnis - Toewijzing van de borgsom aan de Staat Tekst van de beslissing Nr. P.09.0655.N A. B. beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie te Tongeren. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 18 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 35, § 4, laatste lid, Voorlopige Hechteniswet: het vervallenverklaren van de borgsom kan slechts gebeuren wanneer het openbaar ministerie het initiatief hiertoe neemt; te dezen heeft niet het openbaar ministerie hiertoe het initiatief genomen maar wel de partijen V. en V. die het openbaar ministerie hebben gedagvaard in teruggave van de borgsom.
- Artikel 35, § 4, vijfde lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat de borgsom toegewezen wordt aan de Staat zodra gebleken is dat de verdachte of de veroordeelde zonder wettige reden van verschoning niet verschenen is bij enige proceshandeling of ter tenuitvoerlegging van het vonnis. Het laatste lid van datzelfde artikel bepaalt dat de niet-verschijning van de veroordeelde ter tenuitvoerlegging van het vonnis, op vordering van het openbaar ministerie, vastgesteld wordt door de rechtbank die de veroordeling heeft uitgesproken. Het vonnis verklaart tevens dat de borgsom aan de Staat vervalt.
- Voor de toepassing van voormelde wetsbepaling is het noodzakelijk maar voldoende dat op vordering van het openbaar ministerie de niet-verschijning van de veroordeelde ter tenuitvoerlegging van het vonnis wordt vastgesteld door de rechtbank die de veroordeling heeft uitgesproken. Het feit dat de vordering van het openbaar ministerie werd ingesteld na een eerdere dagvaarding tot teruggave van de betaalde borgsom, doet hieraan geen afbreuk. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 35, § 4, laatste lid, Voorlopige Hechteniswet: het arrest kon de borgsom niet vervallen verklaren omdat de politie zich nooit met een gevangenisbriefje heeft aangeboden op de verblijfplaats van de eiser, namelijk te B., L.straat 5, niettegenstaande deze gekend was of kon gekend zijn indien het gehele strafdossier ter beschikking was.
- Het middel dat het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, is niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van eisers recht van verdediging: door niet in te gaan op eisers verzoek tot voeging van het strafdossier waardoor zou kunnen vastgesteld worden dat op het adres te B., L.straat 5, een huiszoeking bij de eiser werd verricht en dat dit huis het voorwerp uitmaakt van een strafrechtelijk beslag ten laste van de eiser, werd eisers recht van verdediging miskend.
- De rechter in strafzaken oordeelt onaantastbaar in feite over de noodzaak, het nut of de raadzaamheid van het verzoek van een partij tot het laten voegen van bepaalde stukken. De omstandigheid dat de rechter een dergelijk verzoek weigert omdat hij dit voor zijn oordeelsvorming niet noodzakelijk acht, levert geen miskenning van het recht van verdediging op.
- De appelrechters oordelen dat: - uit geen enkel element blijkt dat het adres te B., L.straat 5, ooit in aanmerking is gekomen als verblijfplaats waar de eiser zou aan te treffen zijn om hem het gevangenisbriefje te betekenen; - uit de bijkomende stukken blijkt dat die woning al geruime tijd onbewoond was; - het feit dat op dit adres door de onderzoeksrechter ooit een huiszoeking werd bevolen, niet betekent dat het een verblijfplaats zou betreffen waar de eiser zou kunnen aangetroffen worden, temeer daar uit de bijkomende stukken blijkt dat in de betrokken periode op talrijke plaatsen huiszoekingen werden uitgevoerd zonder dat de eiser ergens kon aangetroffen worden. De appelrechters die met voormelde redenen eisers verzoek tot voeging van een ander strafdossier afwijzen omdat ze die maatregel niet nodig achten om tot hun overtuiging te komen, miskennen diens recht van verdediging niet. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Beoordeelt de kosten op 75,93 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Geert Jocqué, en op de openbare rechtszitting van 10 november 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091110.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div