← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091110.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091110.5 Rolnummer: P.09.1321.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2009-11-25 Raadplegingen: 200 - laatst gezien 2026-07-02 21:12 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Het recht getuigen à décharge te laten oproepen houdt niet in dat de rechter zelf een onderzoek moet doen teneinde de identiteit van die getuigen te achterhalen, maar het staat de beklaagde die om dit verhoor verzoekt, aan de rechter alle nuttige gegevens te verlenen opdat de oproeping van de getuige mogelijk zou zijn; bij gebrek aan dergelijke nauwkeurige gegevens, levert de weigering in te gaan op een verzoek getuigen te horen of te laten horen geen schending op van artikel 6.3.d, E.V.R.M. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Verbeurdverklaring GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Rechten bij strafvervolging Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Recht om getuigen te ondervragen of te doen ondervragen Artikel 6.3.d - Recht om getuigen te ondervragen of te doen ondervragen - Opdracht van de rechter Artikel 6.3.d - Recht om getuigen te ondervragen of te doen ondervragen - Verzoek om getuigen te verhoren - Verplichting van de verzoeker Tekst van de beslissing Nr. P.09.1321.N I. 1. J. W. beklaagde, 2. A. B. M. V. beklaagde, 3. D. J. M. W. beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Arnout De Wachter, advocaat bij de balie te Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Montignystraat 31, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen 1. S. V. burgerlijke partij, 2. SITA RECYCLING SERVICES nv, met zetel te 2340 Beerse, Lilsedijk 19, burgerlijke partij, 3. GIJSBRECHTS nv, met zetel te 2220 Hallaar (Heist-op-den-Berg), Oude Liersebaan 122, burgerlijke partij, 4. L. W., advocaat met kantoor te 2018 Antwerpen, Jan van Rijswijcklaan 1, in de hoedanigheid van curator van het faillissement van IMPRO CONSTRUCT nv, met zetel te 2060 Antwerpen, Lange Beeldekensstraat 177, burgerlijke partij, 5. IPN bvba, met zetel te 2800 Mechelen, Oscar Vankesbeeckstraat 70, waarvan het faillissement afgesloten is bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Mechelen van 24 september 2007, faillissement waarvan Etienne DE RIDDER, advocaat met kantoor te 2800 Mechelen, Leopoldstraat 64 curator was, en met als laatste gekende zaakvoerders K. H. en J. W. burgerlijke partij, 6. Bruno SCHOENAERTS, advocaat met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 31, in de hoedanigheid van curator van het faillissement van HERMANS Andre bvba, met zetel te 2018 Antwerpen, Belgiëlei 172, burgerlijke partij, verweerders. II. H. E. L. D. N. beklaagde, eiser, tegen B. S., reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 29 juni 2009. In memories die aan dit arrest zijn gehecht, voeren de eisers I drie middelen en de eiser II een middel aan. Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 1. Het arrest spreekt de eiser I.1 vrij wegens bepaalde telastleggingen. In zoverre het arrest uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerder I.4, veroordeelt het de eisers I.1 en I.2 tot onder meer voorschotten en bevat het bijgevolg geen eindbeslissing. Het arrest beslist de behandeling van de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster I.5 aan te houden daar die vordering niet in staat van wijzen is. Dit is evenmin een eindbeslissing. In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen van de eisers I.1 en I. 2 niet ontvankelijk. 2. Het arrest verklaart het incidenteel beroep van de verweerder Bruno Schoenaerts niet ontvankelijk in zoverre het gericht is tegen de eiser II. In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep van de eiser II bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eisers I Eerste onderdeel 3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.d EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt de conclusie van de eisers niet. 4. Met betrekking tot de telastlegging S van de zaak met notitienummer 631P2006, oordeelt het arrest met overname van de redenen van het beroepen vonnis: - "uit het ganse dossier blijkt dat (eisers I.1 en I.2) als achterman van de diverse in de telastlegging (H) genoemde vennootschappen systematisch hun eigen vermogen met dat van deze vennootschappen vermengen, door een voortdurende miskenning van de interne werking en van het afgescheiden vermogen van de vennootschappen. (...) Het is ook duidelijk dat (eiseres I.2), die zich steeds op de vlakte houdt, weldegelijk gedurende de jaren (...) actief betrokken was bij het beheer van de vennootschappen en de vermogensvermenging: zij verstrekte de financiële middelen voor de transacties (investeringen in de vennootschappen waarin (eiser I.1) zeggenschap wou met de bedoeling deze als achterman te misbruiken - aankoop gronden Dilbeek), zij het vaak achter de schermen (beroepen vonnis p. 35); - (eiseres I.2) financierde ook de manipulaties betreffende de aankoop van de gronden in Dilbeek (beroepen vonnis p. 36); - Ook de telastlegging I.c heeft betrekking op de door (eisers I.1 en I.2) opgezette constructie om de woningen in Dilbeek te verkrijgen. Deze twee woningen waren eigendom van Impro Construct nv. Vervolgens werden de gronden aangekocht door (eiser I.3), met gelden van (eiseres I.2) en verkreeg hij zo door natrekking de woningen. Deze werden zonder vergoeding onttrokken aan de NV. Impro Construct (beroepen vonnis p. 36); - een constructie werd opgezet door (eisers I.1 en I.2) om de woningen, na dading eigendom geworden van de NV Impro Construct, uit het vermogen van de vennootschap over te hevelen naar het eigen vermogen van (eisers I.1 en I.2) (beroepen vonnis p. 41); - Duidelijk is dat (eiseres I.2) actief betrokken was bij de ‘overdracht' van de gronden met woningen in opbouw te Dilbeek (...). Hoewel eiseres I.2 hier stelt persoonlijke gelden te investeren, dienden deze enkel om via een constructie op onrechtmatige wijze gelden uit de diverse vennootschappen te onttrekken (beroepen vonnis p. 48); - (Eisers I.1 en I.2) liet(

  1. en)eiser I.3 de grond aankopen, zodat hij door natrekking eigenaar werd van de hierop opgerichte gebouwen" (beroepen vonnis p. 52); 5. Met deze redenen beantwoorden de appelrechters, die niet gehouden zijn te antwoorden op alle argumenten, die zoals hier worden aangevoerd tot staving van het verweer dat "private gelden van 1991 werden gebruikt voor (
  2. de)aankoop in 1999 van de gronden waarop Impro-Construct opstalrechten had verkregen", maar die geen afzonderlijk middel vormen, het verweer van de eisers. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 6. Verder komt het onderdeel met betrekking tot de beslissing over de telastlegging S op tegen de onaantastbare beoordeling in feite van het arrest dat een constructie werd opgezet door de eisers I.1 en I.2 om de woningen uit het vermogen van de vennootschap over te hevelen naar hun eigen vermogen. In zoverre het onderdeel opkomt tegen dit oordeel, is het niet ontvankelijk. 7. De ten aanzien van de eisers I.1 en I.2, uitgesproken straffen zijn naar recht verantwoord wegens de overige hen ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten. 8. In zoverre het onderdeel de beslissing van het arrest over telastlegging U aanvecht, is het niet gericht tegen de beslissingen over de overige bewezen verklaarde telastleggingen. Het onderdeel, al was het gegrond, kan in zoverre niet leiden tot cassatie en is dus niet ontvankelijk. 9. Voor het overige preciseert het middel niet op welk verweer het arrest niet antwoordt. Daartoe volstaat het niet te verwijzen naar de conclusie zonder het precieze verweer aan te wijzen waarop niet zou zijn geantwoord. In zoverre is het onderdeel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt het verweer van de eisers niet over de tekortkomingen van het deskundigenverslag en gaat niet in op de door de eiser voorgelegde tegenexpertise. 11. De door de eisers in conclusie aangevoerde gegevens waren met betrekking tot de telastleggingen I.a en I.b, (verduistering van minstens 17.780.827 frank in gelden en van 17.690.830 frank in materieel ten nadele van Impro Construct
  3. nv)enkel aangevoerd ter ondersteuning van hun verweer dat er geen sprake was van verduistering van de bedoelde activa welke nog steeds bestaan. Het arrest oordeelt met eigen redenen en overname van de redenen van het beroepen vonnis dat de telastlegging bewezen blijft. Het laat dit oordeel steunen op de feitelijke gegevens die het beroepen vonnis (p. 36 en 37) vermeldt alsmede op de bevindingen van de gerechtelijke deskundige waarvan het vaststelt dat ze door de conclusie van de eisers niet worden weerlegd. Aldus verwerpt het arrest de feitelijke gegevens die door de eisers in conclusie zijn aangehaald, en beantwoordt het hun verweer. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag. 12. Ten slotte hoeft het arrest niet te antwoorden op de opmerkingen van een technisch raadsman die stelt dat het deskundigenonderzoek een rekenfout bevat, welke rekenfout de eisers evenwel niet in conclusie hebben aangehaald. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel 13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.d EVRM: het arrest wijst ten onrechte het verzoek getuigen op te roepen af op grond dat er geen aanduiding is van deze getuigen noch van hetgeen waarover zij moeten worden gehoord; in conclusie hadden de eisers nochtans gevraagd alle voormalige werknemers van H. A. bvba te horen over de feiten aangehaald in die conclusie. 14. Het recht getuigen à décharge te laten oproepen houdt niet in dat de rechter zelf een onderzoek moet doen teneinde de identiteit van die getuigen te achterhalen. Het staat de beklaagde die om dit verhoor verzoekt, aan de rechter alle nuttige gegevens te verlenen opdat de oproeping van de getuige mogelijk zou zijn. Bij gebrek aan dergelijke nauwkeurige gegevens, levert de weigering in te gaan op een verzoek getuigen te horen of te laten horen geen schending op van artikel 6.3.d EVRM. 15. In conclusie hebben de eisers gevraagd alle voormalige werknemers van H. A. bvba te horen met de enkele vermelding "(zie sociaal passief)". Dergelijke vage verwijzing liet de appelrechters niet toe de juiste identiteit van de werknemers van de vennootschap te kennen teneinde ze nuttig ter rechtszitting te laten oproepen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vierde onderdeel 16. Het onderdeel voert schending aan van 149 Grondwet: het arrest is niet in openbare rechtszitting uitgesproken. 17. Het arrest vermeldt dat het in openbare rechtszitting is uitgesproken. Het onderdeel dat opkomt tegen deze authentieke vaststelling die niet van valsheid is beticht, is niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel 18. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek: het arrest beveelt ten onrechte de verbeurdverklaring van de gronden en de daarop gebouwde woning gelegen te Dilbeek, Itterbeeksebaan 369 A en 371; het dossier bevat geen gedagtekende en getekende vordering van het openbaar ministerie tot verbeurdverklaring van vermogensvoordelen. 19. De eisers zijn schuldig verklaard aan de telastlegging S.c van de zaak met notitienummer 2006P631, met name zaken bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek, meer bepaald twee woningen gelegen te Dilbeek, omgezet of overgedragen te hebben met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen of een persoon die betrokken is bij een misdrijf waaruit deze zaken voortkomen, te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van zijn daden; dit feit levert het misdrijf op bepaald in artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek. 20. Artikel 505, derde lid, Strafwetboek, in de versie van toepassing op het ogenblik van de feiten, bepaalt dat onder meer de zaken bedoeld in het eerste lid, 3°, van dit artikel het voorwerp uitmaken van de misdrijven die gedekt worden door deze bepaling, in de zin van artikel 42, 1°, en dat zij verbeurdverklaard worden. Die verbeurdverklaring is verplicht zodat daarvoor geen schriftelijke vordering van het openbaar ministerie vereist was. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 21. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek: het arrest beveelt ten onrechte de verbeurdverklaring van de grond en de erop gebouwde woningen te Dilbeek op grond van de voormelde artikelen; de vordering tot verbeurdverklaring is immers gesteund op de artikelen 42, 1°, 43bis en 505 Strafwetboek. 22. Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel, is de verbeurdverklaring van de witgewassen vermogensvoordelen verplicht op grond van de artikelen 42, 1°, en 505, eerste lid, 3°, en derde lid, Strafwetboek, in de versie van toepassing op het ogenblik van de feiten. Hieruit volgt dat de verbeurdverklaring van de woningen te Dilbeek, voorwerp van de telastlegging S.c, in elk geval op grond van die wetsbepalingen naar recht verantwoord is. Het feit dat het arrest de verbeurdverklaring uitspreekt op grond van andere wetsbepalingen, doet hieraan geen afbreuk. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel 23. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en van de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek: het arrest weerlegt noch beantwoordt het door de eisers geleverde bewijs dat de gronden in 1999 gekocht zijn met gelden die reeds in 1991 in het bezit waren van de eisers; daarenboven is de verbeurdverklaring niet beperkt tot het bedrag van de vermogensvoordelen dat overeenstemt met de opstal. 24. Het onderdeel vraagt in werkelijkheid een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is Het onderdeel is niet ontvankelijk. Derde middel Eerste en tweede onderdeel 25. De onderdelen voeren schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 21ter Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat ten aanzien van de eisers geen eenvoudige schuldigverklaring kan uitgesproken worden onder meer daar de eisers I.1 en I.2 met malafide praktijken verder gegaan zijn en de zaak tot tweemaal toe werd verdaagd op verzoek van de eisers; die redengeving is tegenstrijdig. 26. De onderdelen betrekken bij hun kritiek niet alle redenen van het arrest. Het arrest oordeelt ook dat de redelijke termijn niet is overschreden daar het gaat om een indrukwekkend aantal feiten waarin diverse vennootschappen betrokken zijn, zestien beklaagden werden gedagvaard en de verwevenheid van de diverse vennootschappen een grondig boekhoudkundig onderzoek vereiste waarvoor een deskundige werd aangesteld. Die redenen dragen de beslissing dat de redelijke termijn niet is overschreden. In zoverre zijn de onderdelen niet gericht tegen die redenen en zijn ze niet ontvankelijk. 27. Voor het overige vereisen de onderdelen een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre zijn de onderdelen evenmin ontvankelijk. Derde onderdeel 28. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1. EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de redelijke termijn niet is overschreden op grond dat de eisers hun malafide praktijken hebben verdergezet en het noodzakelijk was een deskundige aan te stellen; het arrest beantwoordt niet het verweer van de eisers over het verloop van de termijn tussen het beroepen vonnis en de behandeling van de zaak in hoger beroep. 29. De rechter oordeelt onaantastbaar of de redelijke termijn binnen dewelke eenieder recht heeft op de berechting van zijn zaak, is overschreden. Hij mag daarvoor rekening houden met alle gegevens van de zaak, onder meer met de noodzaak om, gelet op de complexiteit van de zaak, specifieke onderzoekshandelingen zoals een deskundigenonderzoek te laten uitvoeren, en met de houding van de beklaagden waardoor het verloop van de procedure wordt vertraagd. In zoverre het onderdeel een andere rechtsopvatting aankleeft, faalt het naar recht. 30. Het arrest oordeelt dat de redelijke termijn hier niet verstreken is daar de onderlinge verwevenheid van de diverse vennootschappen een grondig boekhoudkundig onderzoek waarvoor een deskundige werd aangesteld, vereiste. Het oordeelt ook dat sinds het beroepen vonnis evenmin kan aangenomen worden dat de redelijke termijn is verstreken daar de eisers tot tweemaal toe in hoger beroep een uitstel van de zaak hebben gevraagd. Aldus beantwoordt het arrest het bedoelde verweer en is het naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet aangenomen worden. 31. Voor het overige komt het onderdeel op tegen dit onaantastbaar oordeel van het arrest en is het niet ontvankelijk. Middel van de eiser II Eerste onderdeel 32. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt eisers conclusie niet. 33. Het onderdeel preciseert niet op welk verweer het arrest niet antwoordt. Bij gebrek aan nauwkeurigheid is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 34. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.d EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt eisers conclusie niet dat de aangestelde deskundige bijkomende stukken diende te beoordelen; daarenboven beveelt het arrest het verhoor van de deskundige niet. 35. De eiser heeft, met verwijzing naar de conclusie van de eiser I.1, geconcludeerd dat hij een volledige boekhouding heeft gevoerd en dat de deskundige niet alle boekhoudkundige stukken van de curator heeft gekregen. Het arrest oordeelt dat de eiser uitgebreid heeft gereageerd op het deskundigenverslag en dat in een aanvullend verslag al zijn opmerkingen werden weerlegd. Het oordeelt ook dat er geen reden is de deskundige te horen om te weten welke stukken hem ter beschikking zijn gesteld daar in het verslag (p. 8) een opsomming wordt gegeven van alle stukken die de deskundige kon raadplegen en de deskundige in zijn aanvullend verslag melding maakt van de door de eiser medegedeelde stukken, wat er niet toe geleid heeft dat de deskundige zijn besluiten heeft gewijzigd. Ten slotte oordeelt het nog dat na de overname van de BVBA Hermans op 2 mei 2001 geen reguliere boekhouding meer werd gevoerd en dat op basis van de besluiten van de deskundige, de telastlegging C (het niet voeren van een boekhouding overeenkomstig de wet van 17 juli 1975) bewezen is. Aldus beantwoordt het arrest eisers verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 36. De rechter oordeelt onaantastbaar over de noodzaak, de gepastheid en de raadzaamheid van het verhoor van een getuige. Zoals blijkt uit de hierboven vermelde redenen, oordeelt het arrest met opgave van redenen dat het verhoor van de deskundige niet nodig is voor de waarheidsvinding. Aldus schendt het arrest artikel 6.3.d. EVRM niet. In zoverre kan het onderdeel niet aangenomen worden. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op strafgebied 37. De substantiële of op straffe van onderzoek voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet genomen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Begroot de kosten op 297,03 euro, waarvan de eisers I 148,52 euro verschuldigd zijn en de eiser II 148,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Jean-Pierre Frère, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Geert Jocqué, en op de openbare rechtszitting van 10 november 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091110.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.