← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091112.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091112.11 Rolnummer: F.07.0098.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-12-01 Raadplegingen: 460 - laatst gezien 2026-07-03 01:29 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091112.11 Fiche 1 Van "een vergissing van de douaneautoriteiten zelf" welke recht geeft op niet-navordering in de zin van artikel 5, tweede lid, van de E.G.-verordening nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 en van artikel 220.2, b), van het Communautair Douanewetboek, is geen sprake wanneer die autoriteiten zijn misleid met betrekking tot de oorsprong van de goederen door onjuiste verklaringen waarvan zij de geldigheid niet moeten controleren of beoordelen; enkel de vergissingen die aan een actieve gedraging van de bevoegde autoriteiten zijn toe te schrijven, kunnen recht geven op niet-navordering omdat zij in dit geval zelf een rechtmatig vertrouwen hebben gewekt; het feit dat een exporteur een onjuiste aangifte voorlegt aan de bevoegde overheid sluit weliswaar niet noodzakelijk uit dat de overheid een actieve vergissing heeft begaan, maar deze voorwaarde kan niet vervuld worden geacht en er ontstaat derhalve geen recht op niet-navordering, wanneer de bevoegde autoriteiten klaarblijkelijk niet wisten noch moesten weten dat de door de exporteur gegeven informatie onjuist was

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M.; in deze zaak heeft het Hof reeds een arrest uitgesproken op 8 november 2002, AR nr. C.OO.O356.N, met concl. O.M., A.C., 2002, nr. 593. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Communautair douanewetboek Vrije woorden: Invoer van goederen in een land van de Europese Gemeenschappen - Controle van oorsprong - Recht van niet-navordering - Vergissing van de bevoegde autoriteiten - Actieve gedraging - Door de bevoegde autoriteiten zelf gewekt rechtmatig vertrouwen Wettelijke bepalingen: Huishoudelijk Reglement - Art. 220.2, b Fiche 2 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Communautair douanewetboek Vrije woorden: Invoer van goederen in een land van de Europese Gemeenschappen - Controle van oorsprong - Recht van niet-navordering - Vergissing van de bevoegde autoriteiten - Actieve gedraging - Door de bevoegde autoriteiten zelf gewekt rechtmatig vertrouwen Tekst van de beslissing Nr. F.07.0098.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, voor wie optreedt de ontvanger van het eerste douanekantoor te Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Kattendijkdok-Oostkaai 22, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest, tegen PRESSE LABO SERVICE, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 1070 Anderlecht, Charles Parentéstraat 11, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 3 mei 2007 op verwijzing gewezen door het hof van beroep te Brussel, na het arrest van het Hof van 8 november 2002. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. FEITEN Uit het bestreden arrest blijkt het volgende: 1. Op 4 juni 1993, 14 december 1993 en 14 november 1994 werden videocassettes ingevoerd te Antwerpen en ingeklaard als afkomstig uit Macao. 2. Op basis van het missierapport en werkdocument van 21 juni 1994 van de Europese Commissie is bewezen dat de door de verweerster ingevoerde videocassettes uit Macao niet voldoen aan het oorsprongscriterium en dat de assemblage van deze cassettes van China naar Macao werd overgeheveld met het oog op het ontduiken van antidumpingrechten op "Chinese" videocassettes. 3. Volgens de eigen kostenberekening van de autoriteiten van Macao, voldeden de videocassettes aan de voorwaarde om onder het stelsel van algemene preferenties te kunnen vallen. De waarde van alle gebruikte materialen die niet van Macaose oorsprong waren, bedroeg volgens hen niet meer dan 40 pct. van de prijs af-fabriek van het product. 4. Deze autoriteiten hebben op basis van de inlichtingen verschaft door de exporteur, de oorsprong van de goederen gecertificeerd. 5. De Belgische douaneautoriteiten hebben aanvankelijk de aangiftes en oorsprongcertificaten aanvaard en hebben pas later een dwangbevel uitgevaardigd tot invordering van invoer- en antidumpingrechten. III. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 220, in het bijzonder 220.2.b, van de Verordening (EG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het Communautair Douanewetboek (hierna CDW), zowel voor als na zijn wijziging bij Verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000; - artikel 5, tweede lid, van de Verordening (EG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van rechten bij invoer of bij uitvoer; - artikel 94 van de Verordening (EG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993, houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG), nr.2931/92 tot vaststelling van het Communautair Douanewetboek (hierna CDW); - artikel 2 van de Verordening (EG) nr. 2144/87 van de Raad van 13 juli 1987 inzake douaneschuld; - de artikelen 1, 2 en 3 van de Verordening (EG) nr. 3091/91 van de Raad van 21 oktober 1991 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van videobanden en cassettes van oorsprong uit de Volksrepubliek China en tot definitieve inning van het voorlopig recht; - de artikelen 15ter, 15quater en 19 van de Verordening (EG) nr. 1468/81 van de Raad van 19 mei 1981 betreffende wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie, met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften, zoals gewijzigd door de Verordening 945/97 van de Raad van 30 maart 1987; - het algemeen rechtsbeginsel betreffende het recht op rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel. Aangevochten beslissing Het bestreden arrest oordeelt dat de douaneautoriteiten van Macao een actieve vergissing hebben begaan bij het afleveren van de oorsprongcertificaten waardoor zij zelf de grondslag hebben gevormd waarop het gewettigd vertrouwen berustte van de verweerster dat de ingevoerde videocassettes van oorsprong uit Macao waren: "Het hof van beroep te Antwerpen achtte op basis van een ongedateerd missierapport en een werkdocument van 21 juni 1994 van de Europese Commissie, Directoraat-Generaal XXI, Douane en Indirecte Belastingen, Oorsprong van goederen, bewezen dat de litigieuze ingevoerde videocassettes uit Macao niet voldoen aan het oorsprongcriterium en dat de assemblage van deze videocassettes van China naar Macao werd overgeheveld met het oog op het ontduiken van antidumpingrechten op ‘Chinese' videocassettes. Zoals hierboven gesteld, is het arrest van 10 januari 2000 op dit punt definitief. Het voormelde missierapport en werkdocument beschrijven de bevindingen van onderzoeken naar frauduleuze aanspraken op het voorkeurstarief en de ontduiking van antidumpingrechten in zaken betreffende de invoer in de Gemeenschap van videocassettes, waarvan werd beweerd dat ze niet uit China en Macao kwamen. Het missierapport en het werkdocument tonen aan dat bij de uitgifte van de A-formulieren op 22 april 2003, 12 november 1993 en 3 oktober 1994, de autoriteiten van Macao weet hadden of moesten hebben van die onderzoeken en van het feit dat de door Far East Magnetic Tape Factory Ltd. te Macao, vervaardigde en uitgevoerde videocassettes mogelijks niet in aanmerking kwamen voor het stelsel van algemene preferenties. De onderzoeken van de Europese Commissie in Macao werden immers uitgevoerd in het bijzijn van de leidende ambtenaren van de autoriteiten van Macao (missierapport, nr. 13.1). De autoriteiten van Macao stelden daarenboven uitgebreide rapporten op in januari 1992, mogelijks als gevolg van de groeiende onrust van de Europese Gemeenschap betreffende de ware aard van de operatie in Macao (missierapport, nr. 14.7). Het onderzoek van de Europese Commissie in de lokalen in Macao van Macao Magnetic Ltd. en Far East Magnetic Tape Factory Ltd. gebeurde op 25 maart 1992 (missierapport, nr. 20.5). Na een beoordeling van de resultaten van deze inspecties, werden de autoriteiten van Macao ervan in kennis gesteld dat in Macao door Far East Magnetic Tape Factory Ltd. vervaardigde videocassettes waarvoor het stelsel van algemene preferenties door de autoriteiten van Macao was toegekend, niet werden geacht voor deze preferenties in aanmerking te komen, aangezien de waarde van alle gebruikte materialen die niet van oorsprong waren volgens de raming, meer dan 40 pct. van de prijs af fabriek van het product bedroeg (werkdocument, blz. 3). Op 23 juli 1993 ontvingen de Commissiediensten van de autoriteiten van Macao een antwoord, waarin door middel van kostenberekeningen betreffende de vervaardiging en de ingevoerde bestanddelen van de videocassettes werd getracht het toekennen van het stelsel van algemene preferenties aan de betreffende goederen met betrekking tot de regel van de 40 pct. te rechtvaardigen (werkdocument, blz. 3). De autoriteiten van Macao hadden dus wel degelijk kennis van de inspecties en van de resultaten ervan. Zij konden bijgevolg niet eenvoudig afgaan op inlichtingen verschaft door de exporteur, maar dienden integendeel die inlichtingen te controleren. De autoriteiten van Macao begingen derhalve een actieve vergissing door in de gegeven omstandigheden A-formulieren af te leveren. De exporteur verschafte inlichtingen in de overtuiging dat de autoriteiten van Macao de facto alle relevante gegevens kenden, vermits de inspecties in zijn lokalen gebeurden in het bijzijn van de leidende ambtenaren van die autoriteiten. Door geen bezwaar te maken tegen deze inlichtingen en de oorsprongcertificaten af te leveren, creëerden de autoriteiten van Macao zelf de grondslag waarop het gewettigd vertrouwen van de exporteur berustte. (De eiser) bewijst niet de kwade trouw van de exporteur, van wie immers niet is aangetoond dat hij kennis had van de resultaten van de inspecties in zijn lokalen. (De verweerster) heeft recht op niet-navordering van de litigieuze invoer- en antidumpingrechten". Het bestreden arrest oordeelt dat ook de eiser een actieve vergissing heeft begaan bij het aanvaarden van de aangiften ten invoer en van de oorsprongcertificaten waardoor hij eveneens het gewettigd vertrouwen heeft gewekt van de verweerster dat de ingevoerde videocassettes, omwille van hun oorsprong uit Macao, in aanmerking kwamen voor het verlaagd preferentieel douanetarief: "Het hof van beroep te Antwerpen onderzocht niet de door (de verweerster) aangevoerde actieve vergissing van (de eiser). Een actieve vergissing is eveneens in hoofde van (de eiser) aangetoond. Uit het Belgisch onderzoeksrapport van 28 februari 1995 blijkt immers dat (de eiser) op 21 juni 1991 op de hoogte werd gebracht dat in het kader van het onderzoek betreffende de ontduiking van antidumpingrechten bij de invoer in de EEG van videocassettes van oorsprong uit Hongkong en China, voor welke landen antidumpingrechten werden ingesteld, werd vastgesteld dat de firma Acme Cassette Manufacturing Ltd. uit Hongkong aan haar EEG-klanten videocassettes aanbood met certificaten Form A uit Macao. De lidstaten werden verzocht importen uit Macao op te zoeken, controles a posteriori aan te vragen, en de diensten van de afdeling DG XXI - anti-fraude van de Commissie te informeren (onderzoeksrapport, nr. 1). Verder leest men in het onderzoeksrapport dat op 17 januari 1992 aan (de eiser) werd medegedeeld dat het ging om videocassettes die uit Macao werden uitgevoerd door Far East Magnetic Tape Factory Ltd. en werden gefactureerd door Acme Cassette Manufacturing Ltd.. Door in de gegeven omstandigheden de aangiften ten invoer en de oorsprongcertificaten bij de invoer te hebben aanvaard, zonder enig voorbehoud te maken over de geldigheid van de oorsprongcertificaten uit Macao, en zonder een zekerheidsstelling van de invoerder te eisen om de betaling van de douaneschuld te waarborgen, beging ook (de eiser) een actieve vergissing, en wekte (hij) een gewettigd vertrouwen in hoofde van (de verweerster) dat de ingevoerde videocassettes van oorsprong uit Macao waren en derhalve in aanmerking komen voor het verlaagd preferentieel douanetarief. Door maanden na de invoer retroactief op (zijn) standpunt terug te komen, schond (de eiser) het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel." Het hoger beroep van de eiser tegen het vonnis van 19 september 1997 (in het arrest is per vergissing sprake van 13 september 1997) van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, waarin het dwangbevel van 31 oktober 1995 werd vernietigd en voor recht werd gezegd dat de op basis van dit dwangbevel ingevorderde invoerrechten, anti-dumpingrechten, nalatigheidinteresten en kosten niet zijn verschuldigd, werd dienvolgens ongegrond verklaard. Grieven 1. Luidens artikel 5, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer behoeven "de bevoegde autoriteiten (...) niet over te gaan tot de navordering van het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat niet is geheven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken, waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en voldaan heeft aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte." Dezelfde regel, toepasselijk op de invoeren vanaf 1 januari 1994, is overgenomen in artikel 220.2.b, van het CDW dat bepaalt: "behalve in de gevallen (...) wordt niet tot boeking achteraf overgegaan wanneer:
  1. b)het wettelijk verschuldigd bedrag aan rechten niet was geboekt, ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan." Bij Verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000 werd artikel 220.2.b, van het CDW, met ingang van 19 december 2000, aangevuld met de volgende alinea's die, omwille van hun interpretatief karakter, ook van toepassing zijn op een douaneschuld die ontstaan en nagevorderd is voor de inwerkingtreding van deze Verordening nr. 2700/2000 (H.v.J., C-293/04, 9 maart 2006, "Beemsterboer", r.o. 23 en 48): "Wanneer de preferentiële status van de goederen aan de hand van een systeem van administratieve samenwerking wordt vastgesteld waarbij instanties van een derde land betrokken zijn, wordt de afgifte door deze instanties van een onjuist certificaat aangemerkt als een vergissing, in de in de eerste alinea bedoelde zin, die redelijkerwijze niet kon worden ontdekt (tweede alinea); De afgifte van een onjuist certificaat wordt echter niet als een vergissing aangemerkt, wanneer het certificaat gebaseerd is op een onjuiste weergave van de feiten door de exporteur, behalve indien met name de instanties die het certificaat afgaven klaarblijkelijk wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen (derde alinea)." De importeur die zich beroept op de uitzondering van artikel 220.2.b, derde alinea, in fine, van de CDW, dient te bewijzen dat de autoriteiten die het certificaat afgaven, klaarblijkelijk wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen (H.v.J., C-293/04, 9 maart 2006, "Beemsterboer", r.o. 45). 2. Het gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige in de juistheid van het afgeleverde oorsprongcertificaat kan de in voormelde bepalingen voorziene bescherming slechts genieten voor zover het de bevoegde autoriteiten zelf zijn die de grondslag hebben gecreëerd waarop dit gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige berustte. Dus enkel de vergissingen die aan een actieve gedraging van de bevoegde autoriteiten zijn toe te schrijven, geven recht op niet-invordering van douanerechten (Gerecht van Eerste Aanleg, T-23/03, 6 februari 2007, "CAS", r.o. 304). Het loutere feit dat de bevoegde autoriteiten van een bepaald gebied in de certificaten hebben verklaard dat de goederen van oorsprong uit dat gebied waren, volstaat derhalve niet opdat er sprake is van een "vergissing" van de bevoegde autoriteiten in voormelde zin (conclusie van advocaat-generaal Thijs bij Cass., 8 november 2002, nr.593, p.2432, noot 5). Er is daarentegen wel sprake van een vergissing die te wijten is aan een actieve gedraging van de bevoegde autoriteiten wanneer de exporteur heeft verklaard dat de goederen van oorsprong uit een bepaald gebied zijn, er daarbij op vertrouwend dat de bevoegde autoriteiten van het gebied de facto alle voor de toepassing van de betrokken douaneregeling noodzakelijke feitelijke gegevens kenden, en wanneer deze autoriteiten desondanks geen enkel bezwaar hebben gemaakt met betrekking tot de vermeldingen in de verklaringen van de exporteur, zodat zij de oorsprong van de goederen dus op basis van een onjuiste uitlegging van de oorsprongregels hebben gecertificeerd (H.v.J., C-153/94 en C-204/94, 14 mei 1996, "Faroe Seafood Co.Ltd.", r.o. 95). Geheel anders is de situatie waarbij de exporteur onjuiste inlichtingen heeft verstrekt aan de bevoegde autoriteiten - ongeacht of dit te goeder trouw of te kwader trouw was geschied - in welk geval de exporteur er niet kan op vertrouwen dat de bevoegde autoriteiten van het gebied de facto alle voor de toepassing van de betrokken douaneregeling noodzakelijke feitelijke gegevens kenden (conclusie van advocaat-generaal Thijs bij Cass., 8 november 2002, nr.593, noot 5). In die hypothese berust de vergissing bij de exporteur of bij een derde, doch niet bij de bevoegde autoriteiten die door de onjuiste weergave van de feiten door de exporteur, waarvan zij de geldigheid niet behoeven te controleren of beoordelen, op het verkeerde been zijn gezet. De importeur kan in die context van misleiding geen gewettigd vertrouwen in de geldigheid van de oorsprongcertificaten baseren op het feit dat de douaneautoriteiten deze certificaten oorspronkelijk hebben gecertificeerd en aanvaard (H.v.J., C-153/94 en C-204/94, 14 mei 1996, "Faroe Seafood Co. Ltd.", r.o.93; H.v.J., C-293/04, 9 maart 2006, "Beemsterboer", r.o. 33) en zal zelf het risico moeten dragen dat voortvloeit uit een handelsdocument dat bij een latere controle onjuist blijkt te zijn (H.v.J., C-251/00, 14 november 2002, "Ilumitronica", r.o. 43). 3.1. Het bestreden arrest stelt vast dat de autoriteiten van Macao "eenvoudig" zijn afgegaan op de inlichtingen verschaft door de exporteur, terwijl zij deze inlichtingen hadden moeten controleren in zoverre zij, via het missierapport en het werkdocument, weet hadden of moesten hebben van het feit dat de videocassettes in kwestie "mogelijks" niet in aanmerking kwamen voor het stelsel van algemene preferenties. Het bestreden arrest neemt zodoende noodzakelijk aan dat de inlichtingen verschaft door de exporteur aan de autoriteiten van Macao onjuist waren zodat de bevoegde instanties de facto niet op de hoogte waren van alle voor de toepassing van de betrokken douaneregeling noodzakelijke feitelijke gegevens. In die omstandigheden kan het afleveren aan de verweerster van de oorsprongcertificaten niet als een actieve vergissing worden beschouwd van de bevoegde autoriteiten van Macao en kon de verweerster er niet redelijk op vertrouwen dat de bevoegde autoriteiten van het gebied alle voor de toepassing van de betrokken douaneregeling noodzakelijke feitelijke gegevens kenden. Waar de onjuiste weergave van de feiten door de exporteur zodoende aan de oorsprong lag van de vergissing en misleiding van de bevoegde diensten van Macao hebben deze douaneautoriteiten bijgevolg niet zelf de grondslag gecreëerd waarop het wettig vertrouwen van verweerster berustte. 3.2. De vaststelling in het arrest dat de douaneautoriteiten van Macao weet hadden of moesten hebben van het feit dat de videocassettes in kwestie "mogelijke" niet in aanmerking kwamen voor het stelsel van algemene preferenties en dienaangaande hadden nagelaten om een effectieve controle uit te oefenen of bezwaar te maken tegen de verklaringen van de exporteur, laat weliswaar toe om de douaneautoriteiten van Macao dienaangaande een passieve houding te verwijten, doch volstaat niet om een vergissing te weerhouden in de zin van de artikelen 5, tweede lid, van de Verordening (EG) nr. 1697/79 en 220.2.b, van het CDW, die toe te schrijven is aan een actieve gedraging van de bevoegde autoriteiten van Macao. De afgifte van een onjuist oorsprongcertificaat kan immers niet worden aangemerkt als een "actieve" vergissing wanneer het certificaat gebaseerd is op een onjuiste weergave van de feiten door de exporteur en de bevoegde instanties niet met zekerheid wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen. Het bestreden arrest oppert slechts dat de autoriteiten van Macao weet hadden of moesten hebben van het feit dat de uitgevoerde videocassettes "mogelijks" niet voldeden aan de oorsprongcriteria, zonder dat door de verweerster werd aangetoond, noch door het bestreden arrest werd vastgesteld dat zij wisten of moesten weten dat deze cassettes ook "effectief" niet in aanmerking kwamen voor het preferentieel tarief. Het bestreden arrest stelt integendeel vast dat volgens de eigen kostenberekening van de autoriteiten van Macao de videocassettes wel voldeden aan de oorsprongcriteria, inzonderheid aan de regel dat de waarde van alle gebruikte materialen, die niet van oorsprong waren, niet meer dan 40 pct. van de prijs af-fabriek van het product mag bedragen. 4. Uit het feit dat de eiser op de hoogte was gebracht van de praktijk waarbij door een welbepaalde exporteur Chinese videocassettes werden ingeklaard als afkomstig van Macao, zonder dat aan de oorsprongscriteria was voldaan, en de eiser was verzocht om importen uit Macao op te zoeken, controles a posteriori aan te vragen en de diensten van de afdeling DG XXI- anti-fraude van de Europese Commissie te informeren, kan evenmin wettig worden afgeleid dat een actieve vergissing was begaan door de eiser door in de gegeven omstandigheden de aangiften ten invoer en de oorsprongcertificaten te hebben aanvaard, zonder enig voorbehoud te maken over de geldigheid ervan en zonder zekerheidsstelling van de invoerder te eisen om de betaling van de douanerechten te waarborgen. Het is vaststaande rechtspraak van het Hof van Justitie dat de belastingplichtige een gewettigd vertrouwen in de geldigheid van een oorsprongscertificaat niet kan baseren op het feit dat de douaneautoriteiten van een lidstaat ze voorshands heeft aanvaard : de rol van die autoriteiten bij de eerste aanvaarding van een aangifte vormt immers geen beletsel voor latere controles (H.v.J., C-153/94 en C-204/94, 14 mei 1996, "Faroe Seafood Co. Ltd.", r.o.93; H.v.J., C-293/04, 9 maart 2006, "Beemsterboer", r.o. 32 en 33). De controle achteraf, zoals voorzien in artikel 94 CDW heeft juist tot doel om de juistheid van de op een eerder afgegeven certificaat vermelde oorsprong na te gaan (H.v.J., C-293/04, 9 maart 2006, "Beemsterboer", r.o. 32 en 33) zodat de eiser, na het voorshands aanvaarden van de certificaten, retroactief kon terugkomen op zijn standpunt zonder hierdoor het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel te schenden en geenszins was verplicht om een voorbehoud te maken of een zekerheidsstelling te eisen. Uit de stukken van het dossier blijkt bovendien dat door de eiser een controle a posteriori was aangevraagd waarop door de autoriteiten van Macao werd bevestigd dat de afgeleverde certificaten authentiek zijn en de videocassettes daadwerkelijk Macao als oorsprong hadden. Evenzeer als de douaneautoriteiten van Macao was de eiser bijgevolg door de onjuiste verklaringen van de exporteur misleid geweest, terwijl door de verweerster niet werd aangetoond, noch in het bestreden arrest werd vastgesteld dat de eiser klaarblijkelijk wist of had moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen. Het loutere feit dat de eiser op de hoogte was gebracht van een onderzoek naar ontduiking van antidumpingrechten op de invoer van Chinese videocassettes met oorsprongcertificaten uit Macao, uitgevoerd door Far East Magnetic Tape Factory Ltd., impliceert niet op zich dat de eiser klaarblijkelijk wist of had moeten weten dat de ingevoerde videocassettes in kwestie niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen, mede gelet op de uitgevoerde controle achteraf bij de douaneautoriteiten van Macao die de oorsprong hadden bevestigd. In ieder geval kon de eiser pas tot navordering van de verschuldigde rechten overgaan na de eindbeslissing van 10 augustus 1994 van het Comité Oorsprong van de Europese Commissie (stuk 13 van de eiser) waarin was beslist om de videocassettes in kwestie niet de oorsprong van Macao toe te kennen. Het is de Europese Commissie die bepaalt wanneer zij de resultaten van het onderzoek, die onder het beroepsgeheim vallen, aan de lidstaten mededeelt (zie de artikelen 15ter, 15quater en 19 van de Verordening (EG) nr. 1468/81 van de Raad van 19 mei 1981) zodat de eiser niet vroeger kon weten of had moeten weten dat de videocassettes niet in aanmerking kwamen voor het verlaagd preferentieel douanetarief. 5. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig heeft kunnen oordelen dat zowel de douaneautoriteiten van Macao als de eiser een actieve vergissing hebben begaan in de zin van de artikelen 5, lid 2, van de Verordening (EG) nr. 1697/79 en 220.2.b, van het CDW, noch wettig hebben beslist dat beide douaneautoriteiten een gewettigd vertrouwen hebben gewekt in hoofde van de verweerster dat de ingevoerde videocassettes in aanmerking kwamen voor het verlaagd preferentieel douanetarief waardoor de verweerster recht had op niet-navordering van de litigieuze invoer- en antidumpingrechten (schending van de artikelen 220, in het bijzonder 220.2.b, CDW, 94 CDW, 5, tweede lid, van de Verordening (EG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979, 1, 2 en 3 van de Verordening (EG) nr. 3091/91 van de Raad van 21 oktober 1991, 2 van de Verordening (EG) nr. 2144/87 van de Raad van 13 juli 1987 inzake douaneschuld, 15ter, 15quater en 19 van de Verordening (EG) nr. 1468/81 van de Raad van 19 mei 1981, het algemeen rechtsbeginsel betreffende het recht op rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel). IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Artikel 5, tweede lid, van Verordening 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, bepaalt: "De bevoegde autoriteiten behoeven niet over te gaan tot de navordering van het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat niet is geheven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken, waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en voldaan heeft aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte." Dezelfde regel, toepasselijk op een deel van de invoeren, is overgenomen in artikel 220. 2, b), eerste lid, van Verordening 2913/92 tot vaststelling van het Communautair Douanewetboek, hierna Communautair Douanewetboek, dat bepaalt: "Behalve in de gevallen (...) wordt niet tot boeking achteraf overgegaan wanneer: (...)
  2. b)het wettelijk verschuldigd bedrag aan rechten niet was geboekt, ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan". 2. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, hierna Hof van Justitie, herhaalt in het arrest van 18 oktober 2007, Agrover, C-173/06, dat deze bepalingen de mogelijkheid bieden aan de douaneautoriteiten niet tot navordering van het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer over te gaan, wanneer aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan: - de niet-heffing van de rechten moet te wijten zijn aan een vergissing van de bevoegde autoriteiten; - de vergissing van deze autoriteiten moet van die aard zijn, dat een belastingschuldige te goeder trouw, ondanks zijn beroepservaring en de door hem betrachte zorgvuldigheid, deze redelijkerwijze niet kon ontdekken; - de belastingschuldige moet aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte hebben voldaan. 3. Wat de eerste voorwaarde betreft, kunnen de bevoegde autoriteiten ook die zijn van de exportstaat die de exportcertificaten afgeeft. 4. Volgens het Hof van Justitie, in zijn arrest van 14 mei 1996, Farao Seafood, gevoegde zaken C-153/94 en C-204/94, is sprake van een "vergissing van de bevoegde autoriteiten" in de zin van artikel 5, tweede lid, van Verordening 1697/79, wanneer de exporteur heeft verklaard dat de goederen van oorsprong uit een bepaald gebied zijn, er daarbij op vertrouwend dat de bevoegde autoriteiten van het gebied de facto alle voor de toepassing van de betrokken douaneregeling noodzakelijke feitelijke gegevens kenden, en wanneer deze autoriteiten desondanks geen enkel bezwaar hebben gemaakt met betrekking tot de vermeldingen in de verklaringen van de exporteur, zodat zij de oorsprong van de goederen dus op basis van een onjuiste uitlegging van de oorsprongregels hebben gecertificeerd. 5. In artikel 220.2, b), Communautair Douanewetboek, werden een tweede en een derde lid ingevoegd door de verordening 2700/2000 van 16 november 2000, tot wijziging van de verordening 2913/92, met als doel voor het bijzondere geval van de preferentiële regelingen, met name het begrip "vergissing van de douaneautoriteiten" te definiëren. Artikel 220.2, b), tweede en derde lid, van het Communautair Douanewetboek, bepaalt dat wanneer de preferentiële status van de goederen aan de hand van een systeem van administratieve samenwerking wordt vastgesteld waarbij instanties van een derde land betrokken zijn, de afgifte door deze instanties van een onjuist certificaat wordt aangemerkt als een vergissing die redelijkerwijze niet kon worden ontdekt, in de in het eerste lid van artikel 220.2, b), bedoelde zin. De afgifte van een onjuist certificaat wordt echter niet als een vergissing aangemerkt, wanneer het certificaat gebaseerd is op een onjuiste weergave van de feiten door de exporteur, behalve indien met name de instanties die het certificaat afgaven klaarblijkelijk wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen. 6. Het Hof van Justitie oordeelt in het arrest van 9 maart 2006, Beemsterboer, C-293/04, dat artikel 220.2, b, van het Communautair Douanewetboek, in de uit de verordening 2700/2000 voortvloeiende versie, een interpretatieve bepaling is en van toepassing is op een douaneschuld die is ontstaan en is nagevorderd vóór de inwerkingtreding van deze verordening. Wie zich beroept op een uitzondering van artikel 220.2, b, derde lid, in fine, Communautair Douanewetboek, dient volgens het arrest Beemsterboer te bewijzen dat de autoriteiten die dat certificaat hebben afgegeven, klaarblijkelijk wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen. Het staat volgens dat arrest ook vast dat in elk geval de Europese Gemeenschap niet de schadelijke gevolgen van het onbehoorlijk handelen van de leveranciers van de importeurs kan dragen. 7. Het Hof van Justitie herinnert er in het arrest Agrover aan dat artikel 220.2, b, van het Communautair Douanewetboek, de bescherming beoogt van het gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige in de juistheid van alle factoren die een rol spelen bij het besluit om al dan niet tot navordering van douanerechten over te gaan. Het gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige is slechts vatbaar voor bescherming uit hoofde van dat artikel, indien het de bevoegde autoriteiten "zelf" zijn geweest die de grondslag hebben gecreëerd voor dat gewettigd vertrouwen. Enkel de vergissingen die aan een actieve gedraging van de bevoegde autoriteiten zijn toe te schrijven, geven derhalve recht op niet-navordering van douanerechten. Deze voorwaarde kan niet vervuld worden geacht, en er ontstaat derhalve geen recht op niet-navordering, wanneer de bevoegde overheden misleid zijn met betrekking tot de oorsprong van de goederen door onjuiste verklaringen waarvan zij de geldigheid niet behoeven te controleren of te beoordelen. Het feit dat een exporteur een onjuiste aangifte voorlegt aan de bevoegde overheid sluit weliswaar niet noodzakelijk uit dat de overheid een actieve vergissing heeft begaan, maar deze voorwaarde kan niet vervuld worden geacht en er ontstaat derhalve geen recht op niet-navordering, wanneer de bevoegde autoriteiten klaarblijkelijk niet wisten noch moesten weten dat de door de exporteur gegeven informatie onjuist was. 8. Het bestreden arrest stelt vast dat de exporteur inlichtingen verschafte in de overtuiging dat de autoriteiten van Macao de facto alle relevante gegevens kenden, vermits de inspecties in zijn lokalen gebeurden in het bijzijn van de leidende ambtenaren van die autoriteiten. De eiser bewijst volgens de appelrechters niet de kwade trouw van de exporteur, van wie immers niet zou zijn aangetoond dat hij kennis had van de resultaten van de inspecties in zijn lokalen. Daarenboven stellen de appelrechters vast dat na een beoordeling van de resultaten van deze inspecties van 25 maart 1992, de autoriteiten van Macao ervan in kennis gesteld werden dat in Macao door Far East Magnetic Tape Factory vervaardigde videocassettes waarvoor het Stelsel van Algemene Preferenties door de autoriteiten van Macao was toegekend, niet werden geacht voor deze preferenties in aanmerking te komen. De appelrechters besluiten dat de autoriteiten van Macao wel degelijk kennis hadden van de inspecties en de resultaten ervan en dat zij door geen bezwaar te maken tegen de inlichtingen van de exporteur en de oorsprongcertificaten af te leveren, zelf de grondslag creëerden waarop het gewettigd vertrouwen van de exporteur berustte. 9. Uit die gegevens konden de appelrechters wettig afleiden dat de autoriteiten van Macao een actieve vergissing hebben begaan, die recht gaf op de niet-navordering van de invoer- en antidumpingrechten. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen. 10. Voor het overige verwijt het middel het arrest een actieve vergissing te hebben aangenomen in hoofde van de eiser. 11. Het middel is in zoverre gericht tegen een overtollige beschouwing van de appelrechters en kan mitsdien niet tot cassatie leiden. Het middel is in zoverre niet-ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 101,43 euro jegens de eisende partijen en op de som van 79,36 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts, en de raadsheren Eric Stassijns, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 12 november 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091112.11 Gerelateerde publicatie(
  3. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091112.11 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101210.2 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20111124.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.