id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091112.13 Rolnummer: F.08.0026.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-12-01 Raadplegingen: 547 - laatst gezien 2026-07-02 21:10 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De ambtshalve vestiging van aanslagen in de belasting op de automatische ontspanningstoestellen, na de vaststelling dat de toestellen werden geëxploiteerd buiten de aan de belastingdiensten aangegeven openingsdagen, heeft niet tot gevolg dat de belasting die de belastingplichtige spontaan op aangifte heeft betaald wegens de exploitatie van automatische ontspanningstoestellen in het kader van een seizoenonderneming, onverschuldigd betaald werd. Thesaurus CAS: BELASTING OP AUTOMATISCHE ONTSPANNINGSTOESTELLEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Verjaring (fiscaal recht) - Termijnen (aard - duur - aanvang - einde) FISCAAL RECHT - MET DE INKOMSTENBELASTING GELIJKGESTELDE BELASTINGEN - Algemeen (met de inkomstenbelasting gelijkgestelde belasting) FISCAAL RECHT - MET DE INKOMSTENBELASTING GELIJKGESTELDE BELASTINGEN - Automatische ontspanningstoestellen Vrije woorden: Onverschuldigde betaling Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 1289 en 1290 Wetboek diverse rechten en taksen - 23-11-1965 - Art. 85 Fiche 2 De terugbetaling van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen die niet verschuldigd zijn, moet worden gevorderd binnen de in de artikelen 272, 274 en 277 van het W.I.B.
(1964)vermelde korte termijnen. Thesaurus CAS: BELASTINGEN (MET DE INKOMSTENBELASTINGEN GELIJKGESTELDE) UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Verjaring (fiscaal recht) - Termijnen (aard - duur - aanvang - einde) FISCAAL RECHT - MET DE INKOMSTENBELASTING GELIJKGESTELDE BELASTINGEN - Algemeen (met de inkomstenbelasting gelijkgestelde belasting) FISCAAL RECHT - MET DE INKOMSTENBELASTING GELIJKGESTELDE BELASTINGEN - Automatische ontspanningstoestellen Vrije woorden: Onverschuldigde betaling - Vordering tot terugbetaling Wettelijke bepalingen: Wetboek diverse rechten en taksen - 23-11-1965 - Art. 2 Wetboek van Inkomstenbelastingen - 26-02-1964 - Artt. 272, 274 en 277 Tekst van de beslissing Nr. F.08.0026.N LAS VEGAS ARCADE, naamloze vennootschap, met zetel te 8500 Kortrijk, Rekollettenstraat 27/D, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Speecke, advocaat bij de balie te Kortrijk, met kantoor te 8500 Kortrijk, President Kennedypark 8A/0001, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van financiën, voor wie optreedt de gewestelijke directeur van de directe belastingen, directie Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 8 mei 2007 gewezen door het hof van beroep te Gent. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 85 van het Wetboek der met Inkomsten Gelijkgestelde Belastingen (WIGB), zoals van toepassing tijdens aanslagjaar 1991; - de artikelen 1289 en 1290 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 10, 11 en 172 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - artikel 6.1 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 en van artikel 1 van het Aanvullend Protocol van 20 maart 1952, goedgekeurd bij wet van 13 mei
- Aangevochten beslissingen Bij bestreden arrest van 8 mei 2007 ontvangt het hof van beroep eiseres' hoger beroep, maar verklaart het ongegrond en bevestigt aldus impliciet het bestreden vonnis, waarbij het bezwaarschrift van de eiseres ontvankelijk en slechts gedeeltelijk gegrond werd verklaard, meer bepaald in zover de belastingverhoging werd herleid tot 10 pct. of 431.950 frank (10.707,76 euro) en de terugbetaling werd bevolen van het teveel betaalde, verhoogd met de moratoire rente overeenkomstig artikel 418 WIB92, met veroordeling van de eiseres en de verweerder tot elk de helft van de gedingkosten, na het volgende te hebben overwogen: "In tegenstelling tot wat (de eiseres) voorhoudt is geen verrekening mogelijk met wat zij reeds als seizoenbedrijf betaalde. Artikel 85 WIGB voorziet dat elk opgesteld toestel moet voorzien zijn van een fiscaal kenteken en dat dit kenteken voortdurend op een zichtbare en gemakkelijk te bereiken plaats moet bevestigd zijn. Volgens alinea 3 van artikel 85 WIGB wordt elke overtreding van de bepalingen van dit artikel gelijkgesteld met niet-betaling van de belasting. Reeds in het tussenarrest werd gesteld dat er een inbreuk was op het seizoenstatuut van zodra de maximaal toegelaten termijn voor de toegankelijkheid van de lunaparken werd overschreden. Deze inbreuk staat gelijk met niet-betaling van belasting. Daaruit dient afgeleid dat de betwiste aanslagen een zelfstandige oorzaak hebben bestaande uit het niet aanbrengen van de gepaste fiscale kentekens. De betaling van de belasting als seizoenbedrijf heeft een andere oorzaak en kan dan ook niet op de verschuldigde belasting worden verrekend". Grieven Eerste onderdeel Artikel 85 WIGB bepaalt dat elk opgesteld toestel moet voorzien zijn van het bij artikel 84 bedoeld fiscaal kenteken; dat dit kenteken voortdurend moet gevestigd zijn op een zichtbare en gemakkelijk te bereiken plaats en niet mag aangewend worden voor een toestel van een hogere categorie dan diegene waarvoor de belasting werd betaald, en tenslotte in fine dat elke overtreding van de bepalingen van dit artikel wordt gelijkgesteld met niet-betaling van belasting. Met andere woorden, wanneer niet elk opgesteld toestel van een fiscaal kenteken is voorzien, en/of het kenteken niet op een zichtbare en gemakkelijk te bereiken plaats is gevestigd en/of het kenteken werd aangewend voor een toestel van hogere categorie dan diegene waarvoor de belasting werd betaald, geldt de sanctie van gelijkstelling met niet-betaling van de belasting. Dit artikel maakt deel uit van hoofdstuk V, dit zijn de controlemaatregelen inzake belasting op automatische ontspanningstoestellen (titel IV WIGB). Het gaat hier dus om een controlemaatregel en de in dit artikel opgesomde gesanctioneerde situaties zijn dan ook voorzien om de controle mogelijk te maken, of de belemmering ervan te voorkomen. De achterliggende reden is duidelijk de bezorgdheid van de wetgever om frauduleuze praktijken te voorkomen. De fraudeopportuniteit ontstaat immers doordat het kenteken niet wordt afgeleverd voor één enkel welbepaald toestel, maar voor een toestel van een bepaalde categorie, zonder identificatie van dit toestel, zodat het kenteken naar believen van de eigenaar kan en mag worden aangebracht op elk toestel van deze categorie. Dit brengt mee dat een voor een bepaald toestel betaald fiscaal kenteken kan worden gebruikt voor een ander toestel van dezelfde categorie, dat niet werd aangegeven en waarvoor niet werd betaald; m.a.w. dat het bewijs van betaling misbruikt wordt. Daaruit volgt dat de wetgever in dergelijke gevallen, waarin niet kan worden gecontroleerd of er wel werd betaald voor het bewuste toestel of de controle daaromtrent wordt belemmerd, doet alsof er geen belasting werd betaald. Daaruit volgt ook dat de ratio inhoudt dat deze gelijkstelling niet van toepassing is indien zoals te dezen duidelijk is en nooit werd betwist, zelfs niet in het arrest a quo, dat voor elk toestel werd betaald, zij het te weinig. In dergelijk geval is er geen gelijkstelling met niet-betaling van belasting en kan enkel het wettelijk verschuldigd supplement worden gevraagd, wat bekomen wordt door de reeds betaalde belasting te verrekenen. Besluit: waar het hof van beroep beslist dat er geen verrekening mogelijk is met de als seizoenbedrijf betaalde belasting omdat er een inbreuk is gebeurd die gelijkstaat met niet betaling van belasting en de eerder betaalde belasting een andere oorzaak heeft die niet op de verschuldigde belasting kan worden verrekend, terwijl vaststaat dat wel degelijk voor elk toestel werd betaald als seizoenonderneming en er dus geen misbruik werd gemaakt van de gebrekkige controlemogelijkheden, schendt het artikel 85 WIGB door geen verrekening toe te staan van deze betaalde belasting. Tweede onderdeel De bevestiging van de bestreden aanslagen brengt meteen mee dat de betaalde belasting uit hoofde van de seizoenonderneming ten onrechte werd betaald en moet worden terugbetaald. Op het ogenblik dat de schuld van de eiseres t.o.v. de verweerder ter betaling van de volledige belasting op alle automatische ontspanningstoestellen definitief vaststaat, ontstaat er ook een schuld van de verweerder omdat voor dezelfde toestellen de reeds betaalde taks als seizoenonderneming ipso facto onverschuldigd wordt. Deze schuldvordering van de eiseres houdende teruggaaf van ten onrechte betaalde belasting als seizoenonderneming, dient volgens de geëigende fiscale procedure te gebeuren, en met name via verrekening in het kader van de berekening van de uiteindelijk verschuldigde belasting. De (terug)betaling van de schuld van en door de verweerder gebeurt immers luidens artikel 1290 van het Burgerlijk Wetboek van rechtswege en uit kracht van wet onder de vorm van een schuldvergelijking (verrekening) met zijn eigen schuldvordering; m.a.w., de verrekening is niets anders dan een uitvoeringsmodaliteit van de teruggaaf van de als seizoenonderneming betaalde belasting. De twee schulden vernietigen elkaar op het ogenblik dat zij tegelijk bestaan, ten belope van hun wederkerig bedrag. Welke de oorzaken zijn van de beide schulden/schuldvorderingen is daarbij niet relevant, temeer dat de te betalen en terug te betalen belasting steeds op dezelfde toestellen betrekking hebben. Besluit: doordat het hof van beroep beslist dat er geen verrekening mogelijk is, schendt het de artikelen 1289 en 1290 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 85 WIGB. Derde onderdeel De regel van de gelijkheid van alle Belgen voor de wet en het verbod van discriminatie, ingeschreven in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, sluiten niet uit dat er een onderscheid in behandeling wordt gemaakt tussen bepaalde categorieën van personen, voor zover het criterium van onderscheid steunt op een objectieve en redelijke rechtvaardiging. Het bestaan van dergelijke rechtvaardiging moet beoordeeld worden rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel evenals met de aard van de beginselen in kwestie. Het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijke verhouding van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het beoogde doel. Wanneer geen fraudemogelijkheid bestaat ten gevolge van het gebrek aan correlatie tussen de kentekens en de individuele toestellen omdat elk toestel voorzien is van een kenteken, valt er niet in te zien welke objectieve en redelijke rechtvaardiging zou kunnen gegeven worden voor dergelijk verbod op verrekening, temeer dat dit een disproportionele verrijking van de Belgische Staat tot gevolg heeft. Indien artikel 85 WIGB zo moet worden geïnterpreteerd dat er geen verrekening mogelijk is, zelfs niet in de omstandigheid dat de onverschuldigde betaling van de belasting als seizoenonderneming vaststaat voor elk toestel dat voorwerp is van de belasting als gewone (jaar)onderneming, ontstaat een discrilinatoir onderscheid tussen: 1) enerzijds de ondernemingen die het ganse jaar open zijn en die hun (jaar)belasting betalen tegen 100 pct., en anderzijds de ondernemingen die wegens het wegvallen van hun statuut als seizoenonderneming ook het ganse jaar mogen open zijn, maar daarvoor een belasting betalen gelijk aan 150 pct., namelijk de jaarbelasting en de niet verrekenbare seizoenbelasting; en 2) enerzijds de belastingplichtigen onderworpen aan de inkomstenbelastingen, die in geval van verschuldigde belastingen de reeds betaalde belastingen mogen verrekenen derwijze dat enkel nog het supplement moet worden betaald, en anderzijds de belastingplichtigen onderworpen aan de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, meer bepaald de belasting op automatische ontspanningstoestellen, die in geval van een verschuldigde belasting wegens kwalificatie als gewone onderneming hun eerder betaalde belasting als seizoenonderneming niet mogen verrekenen en dus niet kunnen volstaan met betaling van het supplement. Besluit: in de door de appelrechters weerhouden interpretatie schendt artikel 85 WIGB de artikelen 10, 11 en 172 van de gecoördineerde Grondwet. Artikel 26, §2, van de wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof bepaalt dat indien te dien aanzien (schending door een wet van de artikelen 10, 11 of 172, van de Grondwet) een vraag wordt opgeworpen voor een rechtscollege, dit college het Grondwettelijk Hof moet verzoeken op deze vraag uitspraak te doen. Vierde onderdeel De weigering tot verrekening van belasting op grond van een controlemaatregel voorzien in artikel 85 WIGB die ten deze resulteert in een te betalen bedrag van 8.639.000 frank + 431.950 frank = 9.070.950 frank (224.862,98 euro), kan niet anders aangemerkt worden dan als een sanctie van strafrechtelijke aard, aangezien ze zonder onderscheid elke belastingplichtige en niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut betreft, een bepaald bedrag voorschrijft en op de naleving ervan een sanctie stelt, niet alleen maar een vergoeding in geld van een schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om een herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen, stoelt op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk tezelfdertijd preventief en repressief is en zeer zwaar is gelet op het bedrag ervan. Uit artikel 6.1 EVRM volgt dat, als het om een sanctie met een penaal karakter gaat, de rechter deze sanctie met volle rechtsmacht moet kunnen toetsen. Hij mag de wettelijkheid ervan onderzoeken en in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet de rechter in het bijzonder toelaten om na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat hij mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve sanctie van dergelijke omvang. Hij mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, zonder die sanctie te mogen verminderen om redenen van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige of om loutere redenen van opportuniteit. De gebondenheid van het bestuur aan de sanctie belet niet dat het bestuur afwijkt van de door of krachtens de wet vastgestelde boetetarieven. De rechter moet precies nagaan of er gronden zijn om van die tarieven af te wijken en die gronden vermelden. Concreet houdt dit in dat als artikel 85 WIGB zo moet geïnterpreteerd worden dat belastingplichtigen geen recht hebben op verrekening, zelfs niet in de omstandigheid dat de onverschuldigde betaling van de belasting als seizoenonderneming vaststaat voor elk toestel dat het voorwerp uitmaakt van de belasting als gewone (jaar)onderneming, er een discriminatoir onderscheid ontstaat met de belastingplichtigen die het voorwerp uitmaken van een strafsanctie of van een administratieve sanctie met strafrechtelijk karakter, aangezien eerst genoemden niet, en laatstgenoemden wel kunnen genieten van een toetsing met volle rechtsmacht. Besluit: in de door de appelrechters weerhouden interpretatie schendt artikel 85 WIGB de artikelen 10, 11 en 172 van de gecoördineerde Grondwet, afzonderlijk gelezen of in samenhang met artikel 6.1 EVRM en artikel 1 van het (eerste) Aanvullend Protocol. Artikel 26, §2, van de wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof bepaalt dat indien te dien aanzien (schending door een wet van de artikelen 10, 11 of 172 van de Grondwet) een vraag wordt opgeworpen voor een rechtscollege, dit college het Grondwettelijk Hof moet verzoeken op deze vraag uitspraak te doen. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 100 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 betreffende de gecoördineerde Wetten op de Rijkscomptabiliteit (voorheen wet van 6 februari 1970); - artikel 131, 2°, van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat; - artikel 2262bis, §1, 1°, van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 10 van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring; - artikel 1376 van het Burgerlijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel houdende verbod van verrijking zonder oorzaak. Aangevochten beslissingen De eiseres heeft ingeroepen dat, als artikel 85 WIGB geen verrekening toelaat, er dan in elk geval sprake is van een onverschuldigde betaling en/of verrijking zonder oorzaak. Deze vordering werd voor het eerst geformuleerd in het verzoekschrift tot hoger beroep van 21 juni
- Dienaangaande beslissen de appelrechters als volgt: "Afgezien van de vraag of de voorwaarden voor de toepassing van de rechtsregels inzake onverschuldigde betaling te dezen wel vervuld zijn, dient de verjaring te worden onderzocht. (...). De vordering tot onverschuldigde betaling betreft een vordering tegen de Federale Staat waarop het bijzonder verjaringsregime van de artikelen 100 en 101 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit van toepassing is. Deze regeling houdt een belangrijke afwijking in van het gemeen recht zodat de appellante zich tevergeefs beroept op de overgangsbepalingen van de wet van 10 juni
- Bij de beoordeling van de vordering tot onverschuldigde betaling moet ook rekening worden gehouden met de bepalingen van artikel 100, 1° en 2°, van de wet op de Rijkscomptabiliteit luidend als volgt: ‘Artikel 100 verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat zijn vervallen, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen: 1° de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet is geschied binnen een termijn van vijfjaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan; 2° de schuldvorderingen die, hoewel ze zijn overgelegd binnen de onder 1° bedoelde termijn, door de ministers niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van vijfjaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk ze werden overgelegd'. In artikel 100, 1° en 2°, op de Rijkscomptabiliteit gaat het dus om de verjaring van schuldvorderingen ten voordele van de Staat. Deze verjaringsregeling raakt de openbare orde kan bijgevolg in elke stand van het geding worden opgeworpen. Artikel 100 SWR maakt een onderscheid tussen schuldvorderingen die krachtens een wettelijke qf reglementaire bepaling moeten worden overgelegd (eerste lid, 1° en 2°), schuldvorderingen waarvoor dergelijke overlegging niet vereist is (eerste lid, 3°) en schudvorderingen die voortkomen uit vonnissen. Wat de schuldvorderingen betreft die moeten worden overgelegd gaat het Hof van Cassatie ervan uit dat behoudens andersluidende bepalingen alle schuldvorderingen die voor de Staat geen ‘vaste uitgave' uitmaken moeten worden overgelegd (vergelijk Cass., 10 oktober 1996, Ar. Cass., 1996, 906; Cass., 14 april 2003, RABG, 2003, afl. 15, 837, noot I. Claeys). Dit wordt afgeleid uit de artikelen 68 en 100, van het Algemeen Reglement op de Rijkscomptabiliteit (zie Cass., 13 juni 2003, RW, 2004-05, 384, noot S. Van Der Jeught; Cass., 25 maart 2004, TFR, 2004, 851, noot D. Jacques; zie voor een uitvoerige uitleg: Joke Baeck, ‘Verjaring en overheidsaansprakelijkheid', in Verjaring in het Privaatrecht. Weet de avond wat de morgen brengt?; Ignace Claeys, (ed.), Mechelen, Wolters Kluwer België, 2005, blz. 129-180). Een terugvordering wegens onverschuldigde betaling maakt voor de Staat geen vaste uitgave uit zodat deze onderworpen is aan de bijzondere verjaringstermijn van artikel 100, eerste lid, SWR. Bijgevolg moet de appellante (de eiseres) om de betaling van haar vordering te bekomen een aangifte, een staat of een rekening overleggen binnen de vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan de schuldvordering is ontstaan, waarbij in België het begrotingsjaar samenvalt met het kalenderjaar. Vraag is wanneer de schuldvordering wegens onverschuldigde betaling is ontstaan. De appellante (de eiseres) stelt de datum van het tussenarrest dit is 28 november 2006 voorop, zijnde de datum waarop de betwiste aanslagen werden gehandhaafd. Volgens de appellante (de eiseres) is de rechtsmacht van het hof (van beroep) alsdan uitgeput en is het onverschuldigd karakter van de betaling definitief komen vast te staan. Andere data van het ontstaan van de schuldvordering zouden kunnen zijn ofwel de datum van betaling van 8.639.000 frank (214.155,22 euro) dit is einde 1990 ofwel het ogenblik van inkohiering van de bestreden beslissing dit is 21 december
- In de parlementaire voorbereiding daarentegen blijkt dat bij de bepaling van het ontstaan van de schuldvordering tegen de Staat moet rekening gehouden worden met het tijdstip waarop voor de schuldeiser het recht ontstaat om een rechtsvordering in te stellen (zie Joke Baeck, ‘Verjaring en overheidsaansprakelijkheid', in Verjaring in het Privaatrecht. Weet de avond wat de morgen brengt?, Ignace Claeys (ed.), Mechelen, Wolters Kluwer België, blz. 148). Het recht om een rechtsvordering in te stellen is ontstaan op de datum van de inkohiering. Dan is immers komen vast te staan dat de vroegere betaling van 50 pct. niet correct was zodat de appellante (de eiseres) vanaf dat ogenblik haar vordering tot onverschuldigde betaling had kunnen stellen, althans in de stelling van de appellante dat er van een onverschuldigde betaling sprake was. De omstandigheid dat deze aanslagen via de geëigende fiscale procedure werden bestreden doet daaraan geen afbreuk. Dit belet niet dat de schuldvordering ontstaan is bij de vestiging van de bestreden aanslagen. De zienswijze van de appellante (de eiseres) kan derhalve niet worden bijgetreden. Als vertrekpunt van de verjaring dient derhalve 1 januari 1993 in aanmerking te worden genomen, zodat gelet op de verjaringstermijn van vijf jaar de vordering op grond van onverschuldigde betaling die pas op 21 juni 2001 werd geformuleerd laattijdig werd ingesteld. De vordering tot teruggave van de onverschuldigde betaling van 8.639.000 frank (214.155,22 euro) is verjaard op grond van artikel 100, 1°, SWR. Een zelfde redenering geldt voor zover de vordering is gesteund op ‘verrijking zonder oorzaak'. In de gegeven omstandigheden dienen de andere grieven niet nader onderzocht te worden". Grieven De appelrechters weigeren ten gronde in te gaan op de vraag tot teruggave op grond van de onverschuldigde betaling, voorzien in artikel 1376, van het Burgerlijk Wetboek en/of het principe van de verrijking zonder oorzaak, omdat dergelijke vordering verjaard is op grond van de Wet op de Rijkscomptabiliteit. Eind 1990 heeft de eiseres belastingen betaald en vordert zodoende (deze) belasting terug op grond van de onverschuldigde betaling en/of de verrijking zonder oorzaak. Uit de Voorbereidende Werken van de wet van 6 februari 1970 blijkt dat artikel 100, van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 niet van toepassing is op de terugbetaling van belastingen. De aldaar voorziene verjaringstermijnen zijn derhalve niet van toepassing. Derhalve is enkel artikel 2262bis, §1, 1°, van het Burgerlijk Wetboek van toepassing, dat een verjaringtermijn van 10 jaar voorschrijft voor persoonlijke vorderingen, samen met de overgangsbepalingen van de wet van 10 juni 1998, meer bepaald artikel 10, waardoor de vordering, voor het eerst uitgeoefend in het verzoekschrift van 21 juni 2001 tijdig werd uitgeoefend, welke datum men ook als vertrekpunt (betaling, inkohiering) zou weerhouden. Besluit: doordat de appelrechters beslissen dat artikel 100, 1°, van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 betreffende de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit van toepassing is op de voorliggende vordering en deze aldus verjaard is, schenden zij de artikelen 100, van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 betreffende de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit (voorheen wet van 6 februari 1970) en artikel 131, 2°, van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat, artikel 2262bis, §1, 1°, van het Burgerlijk Wetboek, artikel 10, van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring, artikel 1376, van het Burgerlijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel houdende verbod van verrijking zonder oorzaak. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Artikel 85, eerste lid, van het Wetboek van de met inkomsten gelijkgestelde belastingen (hierna: WIGB), zoals van toepassing voor aanslagjaar 1991, bepaalt dat elk opgesteld toestel moet voorzien zijn van het bij artikel 84 bedoeld fiscaal kenteken. Dit kenteken moet voortdurend op een zichtbare en gemakkelijk te bereiken plaats gevestigd zijn; het mag niet worden aangewend voor een toestel van een hogere categorie dan diegene waarvoor de belasting is betaald. Artikel 85, derde lid, van dat wetboek bepaalt dat elke overtreding van de bepalingen van dit artikel gelijkgesteld wordt met niet-betaling van de belasting.
- Het onderdeel gaat ervan uit dat, ongeacht het fiscaal kenteken geplaatst op de toestellen, het bestuur rekening moet houden met de betalingen die in verband met die toestellen zijn gedaan door de belastingplichtige.
- Het niet-bestreden tussenarrest van 28 november 2006 beslist dat de exploitatie van de toestellen waarvoor een seizoensbijdrage was betaald gebeurde buiten de toegelaten periode en oordeelt dat hierdoor de toestellen van een onregelmatig fiscaal kenteken waren voorzien. Het bestreden arrest trekt alleen de gevolgen uit het oordeel uitgesproken in het arrest van 28 november 2006 in verband met de oorzaak van de betwiste aanslagen en beslist dat aangezien een onregelmatig kenteken was aangebracht de sanctie van artikel 85, derde lid, WIGB moet worden toegepast.
- Het onderdeel dat in wezen opkomt tegen een beslissing die reeds in het tussenarrest was vervat, met name dat het kenteken onregelmatig was, is niet ontvankelijk. Tweede tot vierde onderdeel
- De onderdelen gaan uit van de verkeerde juridische veronderstelling dat de ambtshalve vestiging van de betwiste aanslagen in de belasting op de automatische ontspanningstoestellen, na de vaststelling dat de toestellen werden geëxploiteerd buiten de aan de belastingdiensten aangegeven openingsdagen, tot gevolg heeft dat de belasting die de eiseres spontaan op aangifte heeft betaald wegens de exploitatie van automatische ontspanningstoestellen in het kader van een seizoenonderneming, onverschuldigd betaald werd. De onderdelen falen naar recht.
- De door de eiseres voorgestelde prejudiciële vragen hoeven niet te worden gesteld. Tweede middel
- Krachtens artikel 2 WIGB, zoals van toepassing tijdens het aanslagjaar 1991, zijn de aldaar opgesomde bepalingen van het WIB64 van toepassing op de met die belastingen gelijkgestelde belastingen. Zo zijn onder meer de artikelen 272, 274 en 277 WIB64, van toepassing op de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen. De terugbetaling van met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen die niet verschuldigd zijn, moet worden gevorderd binnen de in die bepalingen vermelde korte termijnen.
- Het middel, dat ervan uitgaat dat de terugbetaling van de belasting op de automatische ontspanningstoestellen die de eiseres spontaan heeft betaald, op grond van artikel 2262bis, §1, 1°, van het Burgerlijk Wetboek, gedurende tien jaar kan worden gevorderd omdat de belasting niet verschuldigd zou zijn, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 161,93 euro jegens de eisende partij en op de som van 119,33 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts, en de raadsheren Eric Stassijns, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 12 november 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091112.13 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140508.10 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160129.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div