id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091112.16 Rolnummer: F.08.0019.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2009-12-01 Raadplegingen: 516 - laatst gezien 2026-07-02 21:11 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091112.16 Fiche 1 Wanneer de werkgeversbijdragen voor een levensverzekeringscontract op het ogenblik dat zij worden gestort, moeten beschouwd worden als bezoldigingen in hoofde van de werknemer omdat de pensioenopbouw wordt verricht in het definitief en uitsluitend voordeel van laatstgenoemde, worden de latere uitkeringen niet als een uitgesteld beroepsinkomen belast op grond van art. 34, § 1, 2°, W.I.B.
(1992); het oordeel dat de stortingen van de werkgeversbijdragen voor een levensverzekeringscontract niet in het uitsluitend en definitief voordeel van de werknemer werden gedaan, kan mede berusten op de vaststelling dat de werknemer tijdens de opbouw van het pensioen niet kon beschikken, krachtens de wet of de overeenkomst, over de pensioenreserves
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Pensioenen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Belastbare inkomsten HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Levensverzekering Vrije woorden: Levensverzekeringscontract - Werkgeversbijdragen - Stortingen tijdens de pensioenopbouw - Beschikkingsrecht van de werknemer - Belastbaarheid van het pensioen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 34, § 1, 2° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 Als een individueel en definitief verworven pensioenopbouw in uitvoering van een levensverzekeringscontract wordt onder meer bedoeld dat de werkgeversbijdragen die de werkgever stort aan een stichting pensioenfonds onherroepelijk uit het vermogen van de werkgever zijn verdwenen en in hoofde van de werknemer vaste pensioenaanspraken doen ontstaan die definitief verworven zijn op het moment van de betaling van de bijdragen; de omstandigheid dat in principe het opgebouwde pensioen betaalbaar is vanaf het bereiken van de pensioenleeftijd, is slechts een modaliteit van de verplichting een pensioen te betalen maar is op zichzelf geen doorslaggevend element voor de beoordeling of de pensioenopbouw definitief en individueel verworven is
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Pensioenen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Belastbare inkomsten HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Levensverzekering Vrije woorden: Levensverzekeringscontract - Werkgeversbijdragen - Stortingen tijdens de pensioenopbouw - Beschikkingsrecht van de werknemer - Individueel en definitief verworven pensioenopbouw Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 34, § 1, 2° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 3 Om overeenkomstig art. 39, § 2, 2°, W.I.B.
(1992)belastingvrijstelling van het in uitvoering van een individueel gesloten levensverzekeringscontract uitgekeerde pensioen te genieten, vereist de wet alleen dat aan de voorwaarden van dit artikel is voldaan, maar niet dat de premiebetalingen overeenkomstig artikel 145/1, 2°, van dit wetboek voor belastingvermindering in aanmerking kwamen
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Pensioenen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Belastbare inkomsten HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Levensverzekering Vrije woorden: Levensverzekeringscontract - Uitkeringen - Belastingvrijstelling - Vereisten Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 39, § 2, 2° - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiches 4 - 6 Conclusie van advocaat-generaal THIJS. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Pensioenen UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Algemeen FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - PERSONENBELASTING - Grondslag - Beroepsinkomen - Belastbare inkomsten HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Levensverzekering Vrije woorden: Levensverzekeringscontract - Werkgeversbijdragen - Stortingen tijdens de pensioenopbouw - Beschikkingsrecht van de werknemer - Belastbaarheid van het pensioen Levensverzekeringscontract - Werkgeversbijdragen - Stortingen tijdens de pensioenopbouw - Beschikkingsrecht van de werknemer - Individueel en definitief verworven pensioenopbouw Levensverzekeringscontract - Uitkeringen - Belastingvrijstelling - Vereisten Tekst van de beslissing Nr. F.08.0019.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, voor wie optreedt de direc¬teur der directe belastingen te Leuven, met kantoor te 3001 Leuven, Philipssite 3A, eiser, tegen
- D. S.,
- D. M.,
- D. H.,
- B. T., verweersters, allen als wettelijke erfgenaam van P. D., overleden te (...) op 5 juni 2007, met als raadslieden mr. Marc Vandendijk en mr. Chantal Hendrickx, advocaten bij de balie te Brussel, met kantoor te 1180 Brussel, Edith Cavellstraat 66/1, waar de verweersters sub 1 tot 3 woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 24 oktober 2007 gewezen door het hof van beroep te Brussel. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 34, §1,2°, en 39, §2, 2°, a, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (WIB92), zoals van toepassing voor de aanslagjaren 2000 en 2001; - artikel 172 van de Grondwet; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissing De verweerders houden voor dat een vergissing in rechte is gebeurd, nu de ontvangen periodieke uitkeringen vanwege de Stichting Pensioenfonds Honeywell op grond van de fiscale wet niet als pensioenen mogen worden belast, doch wel als roerende inkomsten. Dit is de rechtsvraag die het hof moet beslechten. Er wordt niet betwist dat de heffingsbevoegdheid over de uitkeringen, die wijlen de heer D. in 2000 en 2001 ontving van de Stichting Pensioenfonds Honeywell te Amsterdam, overeenkomstig het dubbelbelastingverdrag tussen België en Nederland aan België toekomt. Derhalve komt enkel het Belgisch intern fiscaal recht in aanmerking om de belastbaarheid van de uitkeringen te beoordelen. De verweerders in cassatie wijzen erop dat periodieke pensioenuitkeringen in beginsel, overeenkomstig artikel 34 WIB92, in België worden belast tegen het progressief tarief. Zij stellen dat wanneer evenwel wordt aangetoond dat de pensioenrechten in het individueel en definitief voordeel van de begunstigde zijn opgebouwd, de latere periodieke uitkeringen niet meer kunnen worden belast als uitgesteld bedrijfsinkomen. Teneinde de principiële belastbaarheid als (uitgesteld) bedrijfsinkomen van de uitkeringen in het kader van buitenlandse pensioenen te weerleggen, moet de belastingplichtige bij een B-polis of C-polis (waarover het in deze niet gaat) het louter individueel karakter aantonen en in de andere gevallen (de hypothese waarover het in deze gaat) bewijzen dat de premies in zijn definitief en uitsluitend individueel voordeel werden gestort. Indien dit laatste bewijs wordt geleverd is er volgens het Hof van Cassatie (Cass., 11 april 2002, T.F.R., 2002, 801) sprake van een individueel gesloten levensverzekeringsovereenkomst, en dit niettegenstaande het feit dat het gaat om een collectieve pensioenregeling (K. VAN DUYSE, o.c., nr. 8, p. 807). Het bestreden arrest stelt vast dat verweerders in cassatie met reden voorhouden dat in deze aan de voorwaarde dat de premies in het individueel en definitief verworven voordeel van wijlen de heer D. zijn gestort is voldaan. Dit blijkt inderdaad uit het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds Honeywell, en meer bepaald uit de volgende bepalingen: - in artikel 1 van dit pensioenreglement is uitdrukkelijk een minimum garantiebepaling opgenomen, hetgeen betekent dat de begunstigde steeds minimum recht heeft op de pensioenrechten die tijdens de tewerkstelling zijn opgebouwd; - overeenkomstig artikel 8.7 van het pensioenreglement worden bij het voortijdig verlaten van de onderneming de tot dan toe opgebouwde pensioenrechten niet aangetast; dit artikel voorziet zelfs in de mogelijkheid de financiering van de pensioenregeling voort te zetten; - artikel 9.2 van het pensioenreglement bepaalt het behoud van de opgebouwde rechten in geval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor pensioenleeftijd, anders dan door overlijden of dan als gevolg van arbeidsongeschiktheid; - in artikel 9.4 van het pensioenreglement is de mogelijkheid voorzien tot afkoop van de pensioenrechten ingeval van emigratie; in deze staat vast dat wijlen de heer D. daadwerkelijk geëmigreerd is, nu hij zich sedert zijn tewerkstelling bij Honeywell in België in 1970 met zijn gezin in België kwam vestigen; derhalve heeft hij de afkoopmogelijkheid potentieel vanaf 1970 gehad; uiteindelijk heeft hij voor deze mogelijkheid niet geopteerd, maar voor het ontvangen van periodieke uitkeringen; - artikel 13 van het pensioenreglement bepaalt dat een wijziging van de pensioenregeling niet tot gevolg mag hebben dat de reeds opgebouwde pensioenrechten worden aangetast; - er kan mogelijks beslag worden gelegd in hoofde van de genieter op de bijdragen op basis van de imperatieve werking van artikel 32 van de (Nederlandse) Pensioen- en Spaarfondsenwet; - ter zitting van het hof van 3 oktober 2007 preciseerde de raadsman van de verweerders, dat deze laatste wet uitdrukkelijk in de mogelijkheid voorziet van overdracht, inpandgeving of enige andere handeling waardoor enig recht op pensioen of aanspraak op pensioen aan een ander wordt toegekend. Het bestreden arrest stelt voorts dat de eiser ten onrechte het debat verlegt naar de vraag of de begunstigde de uitkering kon opeisen op een tijdstip dat hij vrijelijk en naar eigen goeddunken kon kiezen. Dit criterium maakt een te enge interpretatie uit van het begrip ‘individueel en definitief verworven' en is op zich niet doorslaggevend; het maakt hoogstens één element uit dat naast andere in aanmerking kan worden genomen. Ten onrechte leidt bepaalde rechtspraak en rechtsleer uit voornoemd cassatiearrest van 11 april 2002 af dat indien uit het pensioenreglement zou blijken dat het pensioen pas betaalbaar is vanaf de pensioenleeftijd (zoals dat in deze het geval is), het Hof van Cassatie van oordeel zou zijn dat dit een indicatie is dat er geen individuele en definitief verworven rechten zouden zijn. Dergelijke gevolgtrekking is niet correct. Het feit dat het pensioen pas betaalbaar is vanaf de pensioenleeftijd, maakt immers een loutere betalingsmodaliteit uit (in dezelfde zin, zie T. LEEUWERCK, "Nederlandse pensioenen misvatting over cassatiearrest beheerst recente rechtspraak", Fisc. Act., 2006, nr. 31, pp.l e.v.). Wat de toepassing van het beginsel ‘non bis in idem' betreft, stellen verweerders in cassatie terecht dat men de fase van de pensioenopbouw moet analyseren, alvorens het fiscale regime van de uitkeringen vast te stellen. Door meteen uit te gaan van de definitie van artikel 34 WIB92 schendt de eiser in cassatie het algemeen beginsel 'non bis in idem'. Nu het hof, op grond van een analyse van het pensioenreglement, tot het besluit komt dat de pensioenopbouw in deze in het individueel en definitief verworven voordeel van wijlen de heer D. is gebeurd, moeten de pensioenrechten dan ook worden geacht tot zijn privé-vermogen te behoren. Bijgevolg kunnen de latere periodieke uitkeringen niet meer als pensioen worden gekwalificeerd. In de periode dat er voor wijlen de heer D. bijdragen werden gestort aan de Nederlandse Stichting Pensioenfonds Honeywell, gold in België immers de principiële belastbaarheid van de premies die door de werkgever ten voordele van de werknemer werden gestort in een groepsverzekeringscontract of aan een pensioenfonds als een belastbaar voordeel van alle aard. Hieruit volgt dat de latere periodieke uitkeringen niet meer kunnen worden belast als uitgesteld bedrijfsinkomen. Anders oordelen zou een inbreuk op het algemeen beginsel ‘non bis in idem' betekenen (zie Cass., 11 april 2002, voormeld). Ten slotte verwijzen de verweerders terecht naar het Bachmannarrest van het Europees Hof van Justitie te Luxemburg van 28 januari
- Dit arrest heeft betrekking op individuele levensverzekeringen, hetgeen in casu het geval is. In dit arrest heeft het Hof van Justitie gewezen op de band die in België bestaat tussen de (niet-)aftrekbaarheid van de premies en de (niet-)belastbaarheid van de uitkeringen. Zijn de premies niet afgetrokken a fortiori niet aftrekbaar- in België, dan zijn de uitkeringen niet belastbaar. Nu de verweerders aantonen dat in deze de premies gestort aan de Stichting Pensioenfonds Honeywell nooit zijn afgetrokken van enig in België belastbaar inkomen, noch tijdens de tewerkstelling in Nederland, noch tijdens de tewerkstelling in België, en dit het geval is zowel voor de persoonlijke bijdragen van wijlen de heer D., als voor de werkgeversbijdragen, zijn de door wijlen de heer D. ontvangen uitkeringen niet belastbaar als uitgesteld bedrijfsinkomen. Grieven Eerste onderdeel Het bestreden arrest stelt dat ten einde de principiële belastbaarheid als (uitgesteld) bedrijfsinkomen van de uitkeringen in het kader van buitenlandse pensioenen te weerleggen, de belastingplichtige moet bewijzen dat de premies in zijn definitief en uitsluitend individueel voordeel werden gestort. Het bestreden arrest stelt vast dat de verweerders in cassatie met reden voorhouden dat in deze aan de voorwaarde dat de premies in het individueel en definitief verworven voordeel van wijlen de heer D. zijn gestort is voldaan. Bij deze vaststelling stelt het bestreden arrest ten onrechte dat de eiser in cassatie het debat verlegt naar de vraag of de begunstigde de uitkering kon opeisen op een tijdstip dat hij vrijelijk en naar eigen goeddunken kon kiezen. Dit criterium maakt volgens het bestreden arrest een te enge interpretatie uit van het begrip ‘individueel en definitief verworven' en is op zich niet doorslaggevend; het maakt hoogstens één element uit dat naast andere in aanmerking kan worden genomen. In het arrest van 11 april 2002 stelt het Hof het volgende: "Wanneer de werkgeversbijdragen voor een levensverzekeringscontract op het ogenblik dat zij worden gestort, als bezoldigingen moeten beschouwd worden in hoofde van de werknemer omdat de pensioenopbouw wordt verricht in zijn definitief en uitsluitend voordeel, worden de latere uitkeringen niet als een uitgesteld beroepsinkomen belast op grond van artikel 34, §1, 2°, WIB
- Dit is evenwel niet het geval wanneer wordt vastgesteld dat de werknemer tijdens de opbouw van het pensioen, krachtens de wet of de overeenkomst, niet kon beschikken over de pensioenreserves. Er anders over oordelen zou inhouden dat tweemaal wordt belast, wat niet strookt met de strekking van de wet. Het oordeel dat de stortingen van de werkgeversbijdragen voor een levensverzekeringscontract niet in het uitsluitend en definitief voordeel van de werknemer worden gedaan, kan mede berusten op de vaststelling dat de werknemer tijdens de opbouw van het pensioen niet kon beschikken, krachtens de wet of de overeenkomst, over de pensioenreserves". (Cass., 11 april 2002). Het begrip ‘individueel en definitief verworven' impliceert het actueel ter beschikking stellen, niet het opbouwen van toekomstige rechten, die in deze niet bedoeld worden noch geïmpliceerd door de ratio legis. Het argument van het bestreden arrest dat "er anders over oordelen zou inhouden dat hetzelfde inkomen tweemaal wordt belast", strookt in deze context niet met de werkelijkheid. Het kan waar zijn dat, volgens het geval, de betalingen door een werkgever verricht tot opbouw van een pensioen voor de werknemer belastbaar zijn op het tijdstip waarop zij verricht worden. Dit kan zich voordoen wanneer de werknemer onmiddellijk de vrije beschikking heeft over de opgebouwde rechten. Beide toestanden, met name onmiddellijke of uitgestelde belastbaarheid, kunnen dus bestaan, maar de ene sluit de andere uit. En de toepassing van de ene of de andere regel hangt niet af van een keuze of willekeurige beslissing van de betrokken personen, maar van het tijdstip van effectieve toekenning, dit is het tijdstip waarop de werknemer de vrije beschikking over de toekenning bekomt. De belastbaarheid overeenkomstig artikel 34, §1, 2°, WIB92 is evenwel de algemene regel, en de vrijstelling ingesteld door artikel 39, 2°, a, WIB92 vormt hierop een uitzondering, zodat de toepassingsvoorwaarden op restrictieve wijze dienen geïnterpreteerd, en het aan de verweerder in cassatie behoort aan te tonen dat in casu aan de voorwaarden is voldaan. Doordat het bestreden arrest stelt dat de eiser in cassatie voor de toepassing van artikel 39 WIB92 een te enge interpretatie hanteert van het begrip ‘individueel en definitief verworven', schendt het bestreden arrest artikel 34, §1, 2° en 39, §2, 2°, WIB92 en artikel 172 van de Grondwet en voor zoveel als nodig de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek. Tweede onderdeel Krachtens artikel 34, §1, 2°, omvatten pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen, ongeacht de schuldenaar, de verkrijger of de benaming ervan en de wijze waarop ze worden vastgesteld en toegekend: 2° pensioenen, renten, kapitalen en afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten die geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van persoonlijke bijdragen van aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood als vermeld in artikel 145/1, 10, of door middel van bijdragen als vermeld in de artikelen 145/1, 2°, en 145/17, 1 °, of door middel van werkgeversbijdragen. Het bestreden arrest stelt dat ten einde de principiële belastbaarheid als (uitgesteld) bedrijfsinkomen van de uitkeringen in het kader van buitenlandse pensioenen te weerleggen, de belastingplichtige moet bewijzen dat de premies in zijn definitief en uitsluitend individueel voordeel werden gestort. Het bestreden arrest stelt vast dat in deze aan de voorwaarde dat de premies in het individueel en definitief verworven voordeel van wijlen de heer D. zijn gestort is voldaan. Dat bovendien de belastbaarheid de algemene regel is, en de vrijstelling ingesteld door artikel 39, §2, 2°, a, WIB92 een uitzondering vormt hierop, zodat de toepassingsvoorwaarden op restrictieve wijze dienen geïnterpreteerd te worden, en het aan de verweerder in cassatie behoort aan te tonen dat in casu aan de voorwaarden is voldaan. Krachtens artikel 39, §2, 2°, a, WIB92 zijn pensioenen, renten en kapitalen, spaartegoeden en afkoopwaarden in beginsel vrijgesteld indien de belastingplichtige of de persoon wiens rechtverkrijgende hij is, het levensverzekeringscontract individueel heeft gesloten en geen vrijstelling is toegepast overeenkomstig de bepalingen die voor het aanslagjaar 1993 van toepassing waren en de in artikel 145/1, 2° en 145/17, 1° vermelde verminderingen niet zijn verleend. Om in aanmerking te komen voor de vrijstellingsregeling van artikel 39, §2, 2°, WIB92 dienen eerst de toepassingsvoorwaarden van artikel 145/1, 2° te zijn voldaan. Krachtens artikel 145/1, 2°, WIB92 wordt binnen de grenzen en onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 145/2 tot 145/16bis een belastingvermindering verleend die wordt berekend op de volgende uitgaven die tijdens het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald als bijdragen van een aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood die de belastingplichtige tot uitvoering van een individueel gesloten levensverzekeringscontract definitief in België heeft betaald voor het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden. In casu werd niet aangetoond, noch vastgesteld dat de belastingplichtige de premies effectief heeft betaald door bvb. aan te tonen dat die bijdragen aan de Nederlandse Stichting Pensioenfonds Honeywell als een belastbaar voordeel van alle aard werden aangegeven (de principiële belastbaarheid wordt bevestigd door het bestreden arrest) . Hieruit blijkt dat aan de voorwaarden van artikel 145/1, 2°, WIB92 niet werd voldaan. Het argument dat "er anders over oordelen zou inhouden dat hetzelfde inkomen tweemaal wordt belast", strookt in deze context niet met de werkelijkheid. Het kan waar zijn dat, volgens het geval, de betalingen door een werkgever verricht tot opbouw van een pensioen voor de werknemer belastbaar zijn op het tijdstip waarop zij verricht worden. Dit kan zich voordoen wanneer de werknemer onmiddellijk de vrije beschikking heeft over de opgebouwde rechten. Beide toestanden, met name onmiddellijke of uitgestelde belastbaarheid, kunnen dus bestaan, maar de ene sluit de andere uit. En de toepassing van de ene of de andere regel hangt niet af van een keuze of willekeurige beslissing van de betrokken personen, maar van het tijdstip van effectieve toekenning, dit is het tijdstip waarop de werknemer de vrije beschikking over de toekenning bekomt. Het Wetboek van Inkomstenbelastingen bevat geen bepaling volgens dewelke een uitkering niet belastbaar is indien de corresponderende premies niet afgetrokken werden. Doordat het bestreden arrest stelt dat als gevolg van de principiële belastbaarheid, en niet ten gevolge van de werkelijke belastbaarheid van de premies, de latere periodieke uitkeringen niet meer kunnen belast worden als uitgesteld bedrijfsinkomen, schendt het bestreden arrest het algemeen rechtsbeginsel ‘non bis in idem'. Doordat niet werd aangetoond dat de overeenkomst voldoet aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 145/1, 2°, WIB92 schendt het bestreden arrest voornoemd artikel en bijgevolg ook artikel 39, §2, 2°, a, WIB92 en voor zoveel als nodig de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Wanneer de werkgeversbijdragen voor een levensverzekeringscontract op het ogenblik dat zij worden gestort, moeten beschouwd worden als bezoldigingen in hoofde van de werknemer omdat de pensioenopbouw wordt verricht in het definitief en uitsluitend voordeel van laatstgenoemde, worden de latere uitkeringen niet als een uitgesteld beroepsinkomen belast op grond van artikel 34, §1, 2°, WIB
- Er anders over oordelen zou inhouden dat tweemaal wordt belast, wat niet strookt met de strekking van de wet. Het oordeel dat de stortingen van de werkgeversbijdragen voor een levensverzekeringscontract niet in het uitsluitend en definitief voordeel van de werknemer werden gedaan, kan mede berusten op de vaststelling dat de werknemer tijdens de opbouw van het pensioen niet kon beschikken, krachtens de wet of de overeenkomst, over de pensioenreserves.
- Als individueel en definitief verworven wordt onder meer bedoeld dat de werkgeversbijdragen die de werkgever stort aan een stichting pensioenfonds onherroepelijk uit het vermogen van de werkgever zijn verdwenen en in hoofde van de werknemer vaste pensioenaanspraken doen ontstaan die definitief verworven zijn op het moment van de betaling van de bijdragen. De omstandigheid dat in principe het opgebouwde pensioen betaalbaar is vanaf het bereiken van de pensioenleeftijd, is slechts een modaliteit van de verplichting een pensioen te betalen maar is op zichzelf geen doorslaggevend element voor de beoordeling of de pensioenopbouw definitief en individueel verworven is.
- Het onderdeel, dat van de tegenovergestelde opvatting uitgaat, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel preciseert niet hoe en waardoor de appelrechter de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek schendt. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.
- Krachtens artikel 39, §2, 2°, a, WIB92, zoals van toepassing voor de aanslagjaren 2001 en 2002, zijn pensioenen, renten en kapitalen, spaartegoeden en afkoopwaarden, vrijgesteld van be¬lasting indien de belastingplichtige of de persoon wiens rechtverkrijgende hij is, het levensverzekeringscontract individueel heeft gesloten en geen vrijstelling is toegepast overeenkomstig de bepalingen die voor het aanslagjaar 1993 van toepassing waren en de in artikel 145/1, 2° en 145/17, 1° van ditzelfde wetboek vermelde verminderingen niet zijn verleend.
- Het onderdeel gaat ervan uit dat de vrijstelling slechts geldt als de titularis van het pensioen bewijst dat de overeenkomst voldoet aan de toepassingsvoorwaarden zowel van voormeld artikel 145/1, 2°, als van voormeld artikel 39, §2, 2°, a. Om vrijstelling te genieten overeenkomstig artikel 39, §2, 2°, WIB92, vereist de wet alleen dat aan de voorwaarden van dit artikel is voldaan, maar niet dat de premiebetalingen overeenkomstig arti¬kel 145/1, 2°, van dit wetboek voor belastingvermindering in aanmerking kwamen. Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, faalt in zoverre naar recht.
- In zoverre het onderdeel de schending van het algemeen rechtsbeginsel "non bis in idem" aanvoert, is het niet ontvankelijk wegens onnauwkeurigheid daar het onderdeel niet toelaat de aangevoerde onwettigheid te onderkennen. Dictum Het Hof, Zonder acht te slaan op de memorie van antwoord van de verweersters, die niet werd betekend aan de eiser, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten met uitzondering van de kosten van de memorie van antwoord die ten laste blijven van de verweersters. De kosten zijn begroot op de som van 515,32 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts, en de raadsheren Eric Stassijns, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 12 november 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091112.16 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091112.16 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180921.3 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230127.1N.9 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251023.1N.12 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.170 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div