← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091112.17

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091112.17 Rolnummer: F.07.0076.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2009-12-01 Raadplegingen: 663 - laatst gezien 2026-07-03 02:46 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De controleambtenaren van het fiscaal bestuur zijn in beginsel gemachtigd tot het uitvoeren van een visitatie in de inrichting waar automatische ontspanningstoestellen staan opgesteld zonder dat de belastingplichtige of de bewoner de toegang mag verhinderen; de controleambtenaren zijn niet verplicht de voorafgaande toestemming te vragen aan de houder van de lokalen vooraleer een publieke ruimte te betreden tijdens de openingsuren. Thesaurus CAS: BELASTING OP AUTOMATISCHE ONTSPANNINGSTOESTELLEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Bewijsmiddelen administratie belastingen FISCAAL RECHT - MET DE INKOMSTENBELASTING GELIJKGESTELDE BELASTINGEN - Algemeen (met de inkomstenbelasting gelijkgestelde belasting) FISCAAL RECHT - MET DE INKOMSTENBELASTING GELIJKGESTELDE BELASTINGEN - Automatische ontspanningstoestellen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Redelijke termijn Vrije woorden: Controlemaatregelen - Toezichtsambtenaren - Recht van toegang tot de inrichting Wettelijke bepalingen: Wetboek diverse rechten en taksen - 23-11-1965 - Artt. 76, § 1 en 87 Fiche 2 De controleambtenaren, die op grond van artikel 87 W.I.G.B. een visitatie doen in een inrichting waar automatische toestellen dienende tot ontspanning zijn opgesteld en die gemachtigd zijn tot het opsporen en het vaststellen van overtredingen in dat artikel bedoeld, kunnen tijdens die visitatie inlichtingen vragen aan de belastingplichtige en kunnen de uitleg van de belastingplichtige noteren in het proces-verbaal. Thesaurus CAS: BELASTING OP AUTOMATISCHE ONTSPANNINGSTOESTELLEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Bewijsmiddelen administratie belastingen FISCAAL RECHT - MET DE INKOMSTENBELASTING GELIJKGESTELDE BELASTINGEN - Algemeen (met de inkomstenbelasting gelijkgestelde belasting) FISCAAL RECHT - MET DE INKOMSTENBELASTING GELIJKGESTELDE BELASTINGEN - Automatische ontspanningstoestellen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Redelijke termijn Vrije woorden: Controlemaatregelen - Toezichtsambtenaren - Recht van visitatie van de inrichting Wettelijke bepalingen: Wetboek diverse rechten en taksen - 23-11-1965 - Art. 87 Koninklijk Besluit - 27-08-1993 - Art. 176, eerste en tweede lid Fiches 3 - 4 Bij overschrijding van de redelijke termijn bij een rechtspleging strekkende tot het opleggen of beoordelen van belastingverhoging, welke een strafsanctie is in de zin van artikel 6 E.V.R.M., moet de rechter die daarvoor met volle rechtsmacht oordeelt, deze sanctie op een meetbare wijze kunnen verminderen of eventueel de belastingplichtige ervan ontslaan. Thesaurus CAS: BELASTING UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Bewijsmiddelen administratie belastingen FISCAAL RECHT - MET DE INKOMSTENBELASTING GELIJKGESTELDE BELASTINGEN - Algemeen (met de inkomstenbelasting gelijkgestelde belasting) FISCAAL RECHT - MET DE INKOMSTENBELASTING GELIJKGESTELDE BELASTINGEN - Automatische ontspanningstoestellen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Redelijke termijn Vrije woorden: Belastingverhoging - Strafsanctie - Rechtspleging - Redelijke termijn - Overschrijding - Artikel 6.1 E.V.R.M. - Toetsing door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Bewijsmiddelen administratie belastingen FISCAAL RECHT - MET DE INKOMSTENBELASTING GELIJKGESTELDE BELASTINGEN - Algemeen (met de inkomstenbelasting gelijkgestelde belasting) FISCAAL RECHT - MET DE INKOMSTENBELASTING GELIJKGESTELDE BELASTINGEN - Automatische ontspanningstoestellen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Redelijke termijn Vrije woorden: Belastingverhoging - Strafsanctie - Rechtspleging - Redelijke termijn - Overschrijding - Toetsing door de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 Fiches 5 - 6 Bij de beoordeling van de redelijke termijn bij een rechtspleging strekkende tot het opleggen of beoordelen van belastingverhoging, wordt in de regel rekening gehouden met het gedrag van de administratie en ook met het gedrag van de belastingplichtige die zelf op onredelijke wijze de behandeling van het geschil heeft vertraagd. Thesaurus CAS: BELASTING UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Bewijsmiddelen administratie belastingen FISCAAL RECHT - MET DE INKOMSTENBELASTING GELIJKGESTELDE BELASTINGEN - Algemeen (met de inkomstenbelasting gelijkgestelde belasting) FISCAAL RECHT - MET DE INKOMSTENBELASTING GELIJKGESTELDE BELASTINGEN - Automatische ontspanningstoestellen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Redelijke termijn Vrije woorden: Belastingverhoging - Strafsanctie - Rechtspleging - Redelijke termijn - Overschrijding - Artikel 6.1 E.V.R.M. - Beoordelingscriteria Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Bewijsmiddelen administratie belastingen FISCAAL RECHT - MET DE INKOMSTENBELASTING GELIJKGESTELDE BELASTINGEN - Algemeen (met de inkomstenbelasting gelijkgestelde belasting) FISCAAL RECHT - MET DE INKOMSTENBELASTING GELIJKGESTELDE BELASTINGEN - Automatische ontspanningstoestellen GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Eerlijk proces - art. 6 - Redelijke termijn Vrije woorden: Belastingverhoging - Strafsanctie - Rechtspleging - Redelijke termijn - Overschrijding - Beoordelingscriteria Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 Tekst van de beslissing Nr. F.07.0076.N BAETENS, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 9100 Sint-Niklaas, Heidebloemstraat 70, bus 13, eiseres, met als raadsman mr. Michel Maus, advocaat bij de balie te Brugge, met kantoor te 8310 Brugge, Blekerijstraat 103/0302, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijke directeur der directe belastingen te Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, Leopold II-laan 132b, verweerder, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 7 november 2006 gewezen door het hof van beroep te Gent. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift zes middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 87 Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, hierna WIGB. Aangevochten beslissingen (...) Dat in casu de verschillende aanslagen het gevolg zijn van een fiscale visitatie uitgevoerd in de lokalen van het lunapark van de bvba Baetens op 3 april 1998 overeenkomstig de bepalingen van artikel 87 WIGB. (...) dat het hof van beroep ter zake wat de toepassing van artikel 87 WIGB in het bestreden arrest heeft gesteld: "Uit de verklaringen van de heer Baetens, opgenomen in elk proces-verbaal, blijkt dat op het ogenblik dat de verbalisanten het lunapark betraden waarin de belaste automatische ontspanningstoestellen waren opgesteld, dit lunapark open was voor het publiek en dat er zelfs meerdere klanten aanwezig waren. Er diende dan ook geen toegang te worden verleend in de zin van artikel 87 WIGB. De openstelling van het lunapark voor het publiek, houdt in dat ook de verbalisanten toegang hadden tot het lunapark. De (eiseres) diende dan ook niet specifiek toegang te verlenen, zodat wat dit betreft artikel 87, WIGB geen toepassing kreeg. De verbalisanten konden in het aldus voor hen toegankelijke lunapark de overtredingen vaststellen en er proces-verbaal van opstellen. (artikel 176 KB/WIB naar het welk artikel 87, WIGB verwijst )". (...) Dat de bvba Baetens de mening is toegedaan dat deze zienswijze van het (hof van beroep) ingaat tegen de draagwijdte van artikel 87 WIGB. Artikel 87, WIGB stelt: ‘De personen, houders van lokalen zoals bedoeld in artikel 76, en, in voorkomend geval, de bewoner van het gebouw waarin deze lokalen zijn gelegen, zijn verplicht toegang tot de inrichting te verlenen aan de toezichtsambtenaren aangewezen in artikel 176 van het KB/WIB92, die belast zijn met het opsporen en het vaststellen van de overtredingen van deze titel en van de eventueel tot uitvoering ervan te nemen besluiten. De regelen betreffende de processen-verbaal bedoeld in voormeld artikel 176 zijn terzake van toepassing'. Het wordt algemeen aanvaard dat de fiscale administratie geen andere onderzoeksmachten heeft dan die welke haar uitdrukkelijk door de wetgevende macht werden toebedeeld. Het is de fiscale ambtenaren bijgevolg niet toegestaan om onderzoekshandelingen te verrichten zonder dat daartoe een wettelijke grondslag bestaat. Daarenboven heeft de noodzakelijke wettelijke toekenning van de fiscale onderzoeksbevoegdheden tot gevolg dat de fiscale onderzoeksmachten als uitzonderlijke bevoegdheden moeten worden gecatalogeerd en derhalve beperkend moeten worden geïnterpreteerd. De fiscale ambtenaren dienen zich aldus strikt te houden aan het door de federale of regionale wetgever geschapen kader waarbinnen zij hun onderzoek kunnen voeren. Indien de administratie de draagwijdte van het door de wet, het decreet of de ordonnantie toegekende controlerecht miskent dan is er sprake van machtsoverschrijding hetgeen onmiskenbaar tot de bewijsuitsluiting aanleiding geeft. Artikel 87 WIGB bepaalt de voorwaarden van de uitoefening van het fiscaal visitatierecht in het kader van de belasting op de automatische ontspanningstoestellen. Dit artikel stelt: ‘De personen, houders van lokalen zoals bedoeld in artikel 76, en, in voorkomend geval, de bewoner van het gebouw waarin deze lokalen zijn gelegen, zijn verplicht toegang tot de inrichting te verlenen aan de toezichtsambtenaren aangewezen in artikel 176 KB/WIB92, die belast zijn met-het opsporen en het vaststellen van de overtredingen van deze titel en van de eventueel tot uitvoering ervan te nemen besluiten. De regelen betreffende de processen-verbaal bedoeld in voormeld artikel 176 zijn terzake van toepassing'. In wezen houdt artikel 87 WIGB enkel voor de exploitanten van de automatische ontspanningstoestellen ‘de verplichting in om de administratie toegang te verlenen' tot de ruimten waar zij hun automatische ontspanningstoestellen hebben opgesteld. De uitoefening van de fiscale visitatie is dienvolgens afhankelijk van de medewerking van de belastingplichtige. Dit betekent dat de administratie in eerste instantie om de toegang moet verzoeken waarna artikel 87 WIGB de belastingplichtige de administratie de toegang moet verlenen. Het is de administratie in het licht van artikel 87 WIGB niet toegelaten om zichzelf, zonder dat zij om toelating tot toegang hebben verzocht, de toegang te verschaffen tot de lokalen van de belastingplichtige, al dan niet met behulp van de openbare macht. Op dat vlak wijkt artikel 87 WIGB bijvoorbeeld af van de bepalingen van de artikelen 39 WIGB, 476, WIB92 en 63, derde lid, WBTW waar wel in een autonoom betredingsrecht voor de administratie werd voorzien. Artikel 39 WIGB voorziet dat de controleambtenaren in het kader van de verkeersbelasting ‘zonder enige bijstand garages of bergplaatsen kunnen onderzoeken'. Artikel 476 WIB92 bepaalt uitdrukkelijk dat de controlerende ambtenaren ‘het recht hebben om zich in de gebouwen en eender welke onroerende goederen van de belastingplichtige te begeven'. Artikel 63, derde lid, BTW-wetboek, van zijn kant bepaalt dat ‘de ambtenaren op elk tijdstip, en zonder voorafgaande verwittiging, vrij mogen binnentreden in alle gebouwen, werkplaatsen, inrichtingen, lokalen'. Een dergelijk autonoom betredingsrecht is niet voorzien in de bepalingen van artikel 87, WIGB. Artikel 87 WIGB, bepaalt uitdrukkelijk dat de belastingplichtige de toegang tot de inrichting moet verlenen. Uit deze zinsnede kan geenszins worden afgeleid dat de administratie zich vrijelijk de toegang tot de inrichting zou kunnen verschaffen. Had de wetgever dit gewild dan had hij dit, zoals in artikel 63, derde lid, BTW-wetboek, en 476, WIB 92, uitdrukkelijk voorzien. Door te stellen dat aan de administratie overeenkomstig artikel 87 WIGB, geen toegang moet worden verleend om een publieke ruimte te betreden met het oog op het verrichten van een fiscaal controleonderzoek heeft het hof van beroep in het bestreden arrest de draagwijdte van artikel 87 WIGB niet gerespecteerd. Indien men het standpunt van het Hof zou volgen dan zou de administratie de inrichting van de belastingplichtige ook kunnen betreden indien deze de toegang aan de controlerende ambtenaren zou weigeren. Dit blijkt evenwel niet uit de administratieve commentaren alwaar wordt gesteld dat het weigeren van de toelating tot toegang tot het gebouw met de niet betaling van de belasting wordt gelijkgesteld waardoor aan de administratie het recht wordt verleend om een ambtshalve aanslag te vestigen. Hieruit blijkt duidelijk dat de administratie niet eigenmachtig in gebouwen kan binnentreden indien de exploitant van een gebouw waar spelen staan opgesteld de toegang tot het gebouw zou weigeren. Het weze hierbij herhaald dat de fiscale onderzoeksmachten strikt moeten worden geïnterpreteerd en niet, zoals de administratie zou willen, ruimer kunnen worden geïnterpreteerd dan hetgeen uit de wet blijkt. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 87 WIGB; - artikel 176 KB/WIB92; - artikel 22 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 170 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen (...) Dat het hof van beroep in het bestreden arrest heeft gesteld: "De (eiseres) voert aan dat de processen verbaal lastens haar opgesteld nietig zijn wegens machtsoverschrijding, meer bepaald om reden dat het WIGB niet voorziet dat de verbalisanten bij de controle gerechtigd zouden zijn om inlichtingen te vragen aan de belastingplichtige of derden of om ze te horen. In de processen verbaal komt de verklaring voor van de heer W.B. , die zich in zijn verklaring voorstelde als zaakvoerder van de bvba Baetens, die het lunapark gelegen te Westende, Koning Ridderdijk 4 en 5 uitbaat. Uit artikel 87 WIGB, en artikel 176 KB/WIB2, naar hetwelk artikel 87 WIGB, verwijst, volgt dat de vermelde ambtenaren belast zijn met de opsporing van de overtredingen. Het vragen van inlichtingen aan de heer B. en het aan hem gericht verzoek een verklaring hieromtrent af te leggen kadert in de opsporing van de overtredingen waarvoor de betrokken ambtenaren te deze bevoegd waren. Uit zijn verklaring kunnen immers gegevens blijken die hun invloed kunnen hebben op het bestaan van de overtreding (bvb overmacht, wie de overtreding heeft begaan, tijdstip van opstelling van het toestel, werking en categorie van het toestel, ed. meer). Het opnemen van de verklaring van de heer B. in een proces-verbaal valt eveneens binnen de bevoegdheid van deze ambtenaren: het proces-verbaal voor de opstelling waarvan zij door de wet bevoegd worden. gemaakt, heeft immers juist tot doel onder meer bewijs te verschaffen van de overtreding". (...) de bvba Baetens (

  1. is)de mening toegedaan dat deze zienswijze van het hof van beroep ingaat tegen de bepalingen van artikel 87 WIGB, artikel 176 KB/WIB92, en de artikelen 22 en 170 van de Grondwet. (...) Dat artikel 22 van de Grondwet, voorziet dat ieder recht heeft op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden ‘door de wet' bepaald en dat artikel 170 van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat geen belasting ten behoeve van de Staat kan worden ingevoerd dan ‘door een wet'. Deze bepalingen voorzien dat de overheid slechts onder bepaalde omstandigheden toe om afbreuk te doen aan de fundamentele rechtsbescherming van de rechtsonderhorige die door de voormelde grondrechten wordt geboden. Essentieel hierbij is dat van overheidswege slechts van de individuele rechten en vrijheden van de rechtsonderhorige kan worden afgeweken dan in de gevallen ‘door de wet bepaald'. Het is derhalve pas nadat de wetgever, door middel van een formele wet, de overheid uitdrukkelijk heeft gemachtigd om de individuele rechten en vrijheden van de rechtsonderhorige te limiteren dat een dergelijk optreden gerechtvaardigd kan zijn. Het is evident dat deze principes ook van toepassing zijn ten aanzien van de fiscale controle. Vooreerst moet worden gesteld dat, elke fiscale onderzoekshandeling in se en in abstracto in strijd is met het recht op de eerbiediging van het privé-leven. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 22 van de Grondwet, vereist derhalve ook een fiscale inbreuk op het recht op privacy een wettelijke goedkeuring. Daarnaast moet tevens worden gesteld dat de regeling van de fiscale controle ook een onderdeel vormt van het fiscaal legaliteitsbeginsel voorzien in artikel 170 van de Grondwet. Ook om deze reden is dienvolgens steeds de tussenkomst van de wetgever vereist opdat de fiscale administratie gerechtigd zou zijn fiscale onderzoekshandelingen te stellen. Op grond van de bepalingen van de artikelen 22 en 170 van de Grondwet, moet derhalve worden gesteld dat de administratie slechts fiscale onderzoekshandelingen kan stellen indien zij daarvoor op een formele wettelijke grondslag kan terugvallen. Het weze hierbij herhaald dat het de fiscale ambtenaren niet is toegestaan om onderzoekshandelingen te verrichten zonder dat daartoe een wettelijke grondslag bestaat. De noodzakelijke wettelijke toekenning van de fiscale onderzoeksbevoegdheden heeft daarenboven tot gevolg dat de fiscale onderzoeksmachten als uitzonderlijke bevoegdheden moeten worden gecatalogeerd en derhalve beperkend moeten worden geïnterpreteerd. De fiscale ambtenaren dienen zich aldus strikt te houden aan het door de federale wetgever geschapen kader waarbinnen zij hun onderzoek kunnen voeren. (...) Dat moet worden vastgesteld dat de wetgeving op de belasting op de automatische ontspanningstoestellen nergens in het recht van de administratie voorzien om vragen om inlichtingen aan de belastingplichtige of aan derden te stellen of nog om de belastingplichtigen of derden te horen. (...) Dat dit recht nergens in de artikelen 85 tot 87 WIGB, wordt voorzien. (...) Dat ook de bepalingen van artikel 2 WIGB, die weergeven welke bepalingen van het WIB92 van toepassing zijn inzake de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, niet verwijzen naar de toepasselijke bepalingen van de artikelen 316, 322, 323, 325 en 326, WIB92 die administratie in het kader van de inkomstenbelastingen toelaten om de belastingplichtige en/of derden te verhoren. (...) Dat ook de bepalingen van artikel 176 KB/WIB92, waarnaar door artikel 87 WIGB, wordt verwezen bezwaarlijk als rechtsgrond kunnen dienen voor het vraagrecht van de administratie. Artikel 176 KB/WIB bepaalt wel dat de ‘uitleg van de overtreders' bij het pv. kan worden gevoegd, doch deze bepalingen geven aan de administratie geenszins het recht om vragen te stellen. Zoals hierboven reeds afdoende aangetoond, kunnen slechts fiscale onderzoekshandelingen worden gesteld voor zover dit "door" en niet "krachtens" de wet wordt toegestaan. Artikel 176 KB/WIB92 kan derhalve niet als grondslag voor het stellen van fiscale onderzoekshandelingen worden aanvaard. Dit kan enkel door een wet in de formele zin van het woord. Door te stellen dat artikel 87 WIGB, en artikel 176 KB/WIB92, de rechtsgrond vormen voor het vraagrecht van de administratie, gaat het bestreden arrest in tegen de vereiste van legaliteit van de fiscale controle zoals voorzien door de artikelen 22 en 170, van de Grondwet. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen (...) Dat de bvba Baetens in de procedure ten gronde heeft gesteld: - dat artikel 79, §2, WIGB, voorziet dat de categorie waarin een bepaald type van toestel moet worden gerangschikt, door de Koning wordt bepaald, na raadpleging van de betrokken beroepsverenigingen; - dat op grond van deze wetsbepaling de Koning bij koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen de indeling in categorieën van de automatische ontspanningstoestellen heeft vastgelegd; - dat artikel 79, §2, WIGB, echter uitdrukkelijk voorziet dat de Koning de categorie waarin een bepaald toestel moet worden gerangschikt slechts kan vastleggen dan na raadpleging van de betrokken beroepsverenigingen. Dat uit de publicatie van het KB van 8 juli 1970 in het Belgisch Staatsblad van 15 september 1970 evenwel nergens blijkt dat aan deze voorwaarde zou zijn voldaan. (...) Dat het hof van beroep wat deze grief betreft in het bestreden arrest heeft gesteld: "De (eiseres) voert aan dat de administratie niet aantoont dat, zoals voorzien bij artikel 79, §2, WIGB, de betrokken beroepsverenigingen werden geraadpleegd alvorens tot indeling van de automatische ontspanningstoestellen werd overgegaan bij KB van 08 juli 1970. Volgens de geïntimeerde heeft dit tot gevolg dat artikel 56, van het KB van 08 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen nietig is en geen rechtsgevolg kan sorteren. Het behoort de (eiseres), die de nietigheid inroept van artikel 56, van het KB van 08 juli 1970, aan te tonen dat de omstandigheden die tot de nietigheid hebben geleid voorhanden zijn, en met name te deze dat de administratie in gebreke is gebleven over te gaan tot de raadpleging van de beroepsorganisaties. Dit bewijs wordt niet geleverd. (...) Dat de bvba Baetens de mening is toegedaan dat het hof van beroep hiermee ingaat tegen de bepalingen van artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek, en artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek. (...) Dat artikel 870, van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt: "Iedere partij moet het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert". (...) Dat artikel 1315, van het Burgerlijk Wetboek, voorziet: "Hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, moet het bestaan daarvan bewijzen". (...) Dat de rechtspraak en de rechtsleer unaniem stellen dat de bewijslast van het bestaan en de omvang van de belastingschuld toekomt aan de administratie. Het feit dat het procesinitiatief in fiscale zaken toekomt aan de belastingplichtige heeft geen invloed op de principiële bewijslast van de administratie. Dit blijkt duidelijk uit een arrest van het Hof van Cassatie van 17 april 1989 waar het Hof stelde dat ‘de overheid het bestaan en het bedrag van de aanslag moet aantonen wanneer die door de belastingplichtige wordt betwist'. Indien een belastingplichtige een fiscale aanslag voor de rechtbank betwist, zal de administratie steeds de bewijslast van de fiscale vordering moeten vervullen. De ambtshalve uitvoerbaarheid van de fiscale aanslag heeft noodzakelijkerwijs tot gevolg dat de belastingplichtige, indien hij niet akkoord kan gaan met de opgelegde aanslag, zelf het initiatief zal moeten nemen om, al dan niet na het doorlopen van een administratieve procedure, de stap naar de rechter te zetten. De eisende partij in een fiscaal geschil is dienvolgens steeds de belastingplichtige die zich tegen de gevestigde aanslag wenst te verzetten. De uitoefening van de openbare macht van de fiscus zorgt er aldus voor dat het procesinitiatief aan de rechtsonderhorige wordt overgedragen, maar dit betekent niet dat de bewijslast wordt omgedraaid. In een administratieve geschillenprocedure is het dan ook de administratie, die de uitvoering vordert van haar administratieve beslissing, die op het vlak van de bewijslastverdeling als eiser is te beschouwen en niet de rechtsonderhorige die zich in rechte tegen de administratieve rechtshandeling heeft verzet. Iedere administratieve handeling dient gedragen te worden door bestaande en rechtens toelaatbare motieven die uit de beslissing zelf of uit het dossier van de zaak moeten blijken. Het is aan het bestuur om het bewijs te leveren van het bestaan en van de deugdelijkheid van die motieven. Indien deze aanspraken door de belastingplichtige worden betwist is het aan de administratie om aan te tonen dat de voorgewende rechtsconformiteit van de aanslag met de rechtsrealiteit overeenstemt. Het feit dat de belastingplichtige hierbij als eiser optreedt in het geschil doet hieraan geen afbreuk. Het is aan de administratie om aan de hand van de feitelijke elementen eigen aan de zaak aan te tonen dat de bestaanvoorwaarden van de organieke belastingwet in hoofde van de belastingplichtige zijn vervuld voor het belastbaar tijdperk waarop de aanslag betrekking heeft. (...) Dat het bestreden arrest deze principes heeft miskend door te stellen dat het aan de bvba Baetens zou zijn om aan te tonen dat de Koning bij de indeling van de automatische ontspanningstoestellen in categorieën de beroepsverenigingen niet zou hebben geraadpleegd zoals vereist door artikel 79 WIGB. Vierde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 170 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 159 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen (...) Dat het fiscaal legaliteitsbeginsel vervat in artikel 170, van het Gerechtelijk Wetboek, inhoudt dat niemand aan een belasting kan worden onderworpen of van die belasting kan worden vrijgesteld dan na de beslissing door een beraadslagende vergadering die democratisch is verkozen. Het betreft hier een exclusieve bevoegdheid van de vertegenwoordigende raden die zich uitstrekt tot alle elementen die van invloed kunnen zijn op het bedrag van de verschuldigde belasting. Daartoe behoren onder meer het belastingsubject, de belastbare materie, de berekeningsgrondslag, de tarieven, de vrijstellingen, de verminderingen, evenals de essentiële heffingsmodaliteiten zoals de aangifteverplichting, de aangiftetermijn en de sancties. Op grond van artikel 170 van het Gerechtelijk Wetboek, is de tussenkomst van de vertegenwoordigende wetgevende overheid dan ook vereist, telkens als de criteria voor een belastingvrijstelling of vermindering moeten worden bepaald. Bovendien heeft het grondwettelijk legaliteitsbeginsel tot gevolg dat delegatie van de fiscale bevoegdheid niet is toegelaten. (...) Dat de bvba Baetens ten gronde heeft gesteld dat artikel 56 van het KB van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen werd geconcipieerd in strijd met het grondwettelijk fiscaal legaliteitsbeginsel. Artikel 56, 2°, van het KB, van 8 juli 1970 voorziet immers naast de fiscale begunstiging die reeds wordt voorzien in artikel 81, 1°, WIGB in een aanvullende vermindering van de belasting voor de toestellen toebehorend aan een foorreiziger. Het kwestieuze artikel bepaalt namelijk dat de automatische ontspanningstoestellen bedoeld in artikel 56, 1°, letter c - te weten de toestellen die aan de speler of gebruiker toelaten, zelfs toevallig, tenminste het bedrag van de gedane inzet in specie of in de vorm van penningen terug te winnen en/of prijzen te winnen, in natura of in de vorm van premiebons, met een handelswaarde van ten minste tweehonderdvijftig frank - die normaal tegen een A-tarief worden belast, zullen worden belast tegen een voordelig B-tarief indien zij worden opgesteld bij een foorreiziger. In casu heeft dit als consequentie dat de toestellen van het type pusher "Magic Star" bij de bvba Baetens wordt belast tegen het A-tarief van 144.000 frank per speelvlak (cf. artikel 56, 1°, letter c, KB 8 juli 1970) dit terwijl hetzelfde toestel opgesteld bij een foorreiziger wordt belast tegen het B-tarief van 52.000 frank (cf. artikel 56, 2°, KB 8 juli 1970) beperkt tot 1/ 10 van de belasting (cfr. Artikel 81, WIGB) of 5.200 frank. De bvba Baetens meent dan ook dat artikel 56, 2°, van het KB, van 8 juli 1970 het fiscaal legaliteitsbeginsel schendt. (...) Dat het hof van beroep wat deze grief betreft in het bestreden arrest heeft gesteld: "De (eiseres) voert aan dat het fiscaal legaliteitsbeginsel geschonden werd doordat artikel 56,2°, van het KB van 08 juli 1970 naast de fiscale begunstiging die werd voorzien in artikel 81,1°, WIGB, nog een aanvullende vermindering van de belasting voorziet voor de toestellen van foorreizigers, wat tot gevolg heeft dat de geïntimeerde per toestel belast wordt aan het A-tarief van 144.000 frank en de foorreiziger aan het verminderd tarief van 5.200 frank. Indien dit middel gegrond zou worden verklaard, zou dit tot gevolg hebben dat de foorreizigers niet meer van het verminderd tarief zouden kunnen genieten, terwijl dan ook de verder besproken discriminatie niet meer door de geïntimeerde zou kunnen aangevoerd worden. Het artikel 56, 2°, van het KB van 8 juli 1970 is evenwel niet van toepassing op de (eiseres) en het vaststellen van de ongrondwettigheid van deze bepaling zou niet kunnen leiden tot de vernietiging van de aanslagen op naam van de (eiseres) gevestigd". (...) Dat dit standpunt van het hof van beroep niet kan worden aanvaard en ingaat tegen de bepalingen van artikel 170 van de Grondwet. Het is overduidelijk dat de Koning bij de opmaak van het KB van 8 juli 1970 zich een bevoegdheid heeft toegeëigend die krachtens artikel 170, van het Gerechtelijk Wetboek, voorbehouden is aan de wetgever zelf. De stelling dat de bvba Baetens geen belang zou hebben bij de buitenwerkingstelling van artikel 56, 2°, van het KB van 8 juli 1970 is juridisch niet correct. Het toekennen van een onrechtmatig voordeel aan foorreizigers heeft minstens tot gevolg dat lunaparkhouders zoals de bvba Baetens begrotingstechnisch een hogere fiscale bijdrageplicht verschuldigd zijn. Door artikel 56, 2°, van het KB van 8 juli 1970 buiten werking te stellen komt dit fiscaal en financieel voordeel voor de foorreizigers te vervallen en wordt de economische concurrentiepositie van de lunaparkhouders hersteld. Om reden van het feit dat het hof van beroep het bestreden arrest geen toepassing heeft willen maken van artikel 170 van de Grondwet en van artikel 159 van de Grondwet, is het bestreden arrest dan ook nietig. Vijfde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 6 EVRM; - artikel 7 EVRM. Aangevochten beslissingen (...) Dat in casu aan de bvba Baetens voor alle bestreden aanslagen een administratieve belastingverhoging van 100 pct. werd opgelegd overeenkomstig de bepalingen van artikel 89, WIGB. (...) Dat deze sanctie een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, hetgeen ook het hof van beroep in het bestreden arrest heeft erkend. (...) Dat het strafrechtelijk karakter van de sancties vervat in artikel 89 WIGB, tot gevolg heeft dat de bvba Baetens gerechtigd is op de rechtsbescherming van artikel 6 EVRM. (...) Dat de bvba Baetens in de procedure ten gronde heeft gesteld dat de redelijke termijn voorzien in artikel 6 EVRM in casu was geschonden. In casu blijkt dat de bezwaren door de bvba Baetens werden ingediend op respectievelijk 17 augustus 1998 en 14 december 1998 daar waar de administratie pas een beslissing over deze bezwaren heeft genomen op 3 juni 2003. Dit betekent dat de bvba Baetens bijna 5 jaar heeft moeten wachten vooraleer over zijn bezwaren door de administratie werd beslist, waardoor de redelijke termijn was geschonden. (...) Dat het hof van beroep betreffende deze grief als volgt heeft beslist: "De (eiseres) voert aan dat de redelijke termijn van artikel 6.1 EVRM werd overschreden door de gewestelijk directeur omdat hij 17 augustus 1998 en 14 december 1998 bezwaarschriften heeft ingediend waar de gewestelijk directeur pas een beslissing nam op 03 juni 2003. Zoals hoger gesteld is de opgelegde belastingverhoging te beschouwen als een fiscale sanctie met repressief karakter. Dit heeft onder meer tot gevolg dat de bepaling van artikel 6.1 EVRM, volgens dewelke eenieder recht heeft op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn van toepassing is wat deze belastingverhoging betreft.(...) Te dezen moet vastgesteld worden dat de (eiseres) pas ten vroegste zijn geschil voor de rechtbanken van de rechterlijke orde aanhangig kon maken ten vroegste vanaf 01 april 2001 (artikel 11 van de wet van 23 maart 1999 en artikel 1385undecies, van het Gerechtelijk Wetboek) zodat het uitblijven van een beslissing tussen het tijdstip van het indienen van de bezwaarschriften en 31 maart 2001 toch tot gevolg had dat de (eiseres) tot dan diende te wachten alvorens zijn geschil bij de rechtbank aanhangig te kunnen maken, en de redelijke termijn-vereiste van artikel 6.1 EVRM van toepassing moet geacht worden, ongeacht de vraag of de gewestelijke directeur al dan niet te beschouwen is als een rechterlijke instantie in de zin van artikel 6.1 EVRM. Voor wat de periode betreft tussen 01 april 2001 en de datum van de directoriale beslissing van 03 juni 2003 moet worden vastgesteld dat de (eiseres) inactief is gebleven door zijn zaak niet bij de rechtbank aanhangig te maken, zodat dit tijdsverloop aan hem te wijten is. Wat de overige periode, betreft, voor 01 april 2001, moet worden vastgesteld dat de administratie een periode van een goede twee jaar onbenut heeft gelaten. De (verweerder) geeft geen redenen op die dit tijdsverloop zouden moeten rechtvaardigen. Weliswaar zijn de bezwaarschriften uitvoerig en nopen ze tot beantwoording van tal van principiële juridische kwesties, doch dit gegeven alleen kan geen rechtvaardiging uitmaken voor dit tijdsverloop. Uit het dossier van de appellant kan niet worden afgeleid dat bepaalde werkzaamheden met het oog op de beslissing over de bezwaren werd uitgevoerd. Men moet dan ook tot het besluit komen dat het vermeld tijdsverloop waaromtrent geen rechtvaardiging blijkt, niet beantwoordt aan de eis van redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM. Bij wijze van rechtsherstel (...) dient overgegaan te worden tot vermindering van de opgelegde belastingverhoging. (...). De belastingverhoging dient aldus verminderd te worden van een bedrag gelijk aan 100 pct. van de belastingverhoging naar een bedrag gelijk aan 75 pct. van de belasting." (...) Dat de bvba Baetens zich niet met deze uitspraak kan verzoenen. (...) Dat het hof van beroep in het bestreden arrest heeft gesteld dat het tijdsverloop tussen het indienen van het bezwaar en de directoriale beslissing aan haar te wijten is voor wat de periode betreft na 01 april 2001. Vanaf deze datum beschikte de bvba Baetens, gelet op de overgangsregeling van de nieuwe fiscale procedure, over de theoretische mogelijkheid om overeenkomstig de bepalingen van artikel 1385undecies, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zijn zaak voor de rechter te brengen bij gebrek aan directoriale beslissing binnen een termijn van zes maanden na het bezwaar. Door na deze datum niet naar de rechtbank te stappen is de bvba Baetens volgens het hof van beroep verantwoordelijk voor het tijdsverloop van na deze datum. Deze stelling is niet aanvaardbaar in het licht van artikel 6 EVRM. Het gaat niet op de belastingplichtige in de beoordeling van de redelijke termijn te sanctioneren wanneer hij bij het uitblijven van een directoriale beslissing ervoor opteert om de beslissing toch af te wachten in plaats van zijn zaak onmiddellijk voor de rechter te brengen. Het niet-tijdig nemen van een directoriale beslissing komt louter voor rekening van de administratie. In tegenstelling tot de procedure voor de reguliere hoven en rechtbanken kan de belastingplichtige in de administratieve bezwaarprocedure geen initiatieven nemen (bv. aanvraag rechtsdag) om de administratie tot een beslissing te dwingen. Het enige wat hij mogelijkerwijs kan doen is zijn zaak bij de rechter aanhangig maken overeenkomstig de bepalingen van artikel 1385undecies, van het Gerechtelijk Wetboek. Dit is echter geen verplichting en bovendien heeft het aanhangig maken van een procedure voor de rechtbank vrij ingrijpende gevolgen. De belastingplichtige verliest vooreerst een (administratieve) aanleg. Daarnaast bepaalt artikel 414, §2, WIB92, dat de interesten opnieuw lastens de belastingplichtige beginnen te lopen wanneer deze zijn zaak voor de rechtbank aanhangig maakt. Deze bepaling stelt: "Geschiedt de kennisgeving van de in artikel 375, §1, bedoelde beslissing niet binnen zes maanden na de datum van ontvangst van het bezwaarschrift, dan is de in §1 bedoelde nalatigheidsinterest niet verschuldigd voor het gedeelte van de aanslag dat hoger is dan het overeenkomstig artikel 410 vastgestelde bedrag, gedurende het tijdperk dat begint op de eerste van de maand die volgt op die waarin de termijn van zes maanden verstrijkt, en afloopt op het einde van de maand waarin een vordering overeenkomstig artikel 1385undecies, van het Gerechtelijk Wetboek, wordt ingesteld en, bij ontstentenis van een dergelijke vordering, op het einde van de maand waarin de voormelde beslissing ter kennis is gebracht." Bij de beoordeling van de redelijke termijn in het licht van artikel 6 EVRM, mag de belastingplichtige dan ook niet verantwoordelijk worden gesteld voor het tijdsverloop van de procedure, wanneer hij na een termijn van zes maanden volgend op het bezwaar opteert om de directoriale beslissing af te wachten in plaats van de stap naar de rechter te zetten. Door dit toch te doen heeft het hof van beroep in het bestreden arrest gehandeld in strijd met artikel 6 EVRM. Zesde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 7 EVRM. Geschonden wettelijke bepalingen (...) Dat de bvba Baetens tevens heeft gesteld dat de belastingverhoging werd opgelegd in strijd met de bepalingen van artikel 7 EVRM. Artikel 7 EVRM stelt: ‘Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was'. In casu moet worden vastgesteld dat de eerste aanslagen dateren van de periode 1997-1998, dit terwijl de wet tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen pas op 4 mei 1999 werd gestemd in het parlement. Aangezien deze wet pas op 22 juni 1999 in het Belgisch Staatsblad is verschenen betekent dit dat rechtspersonen pas sinds 2 juli 1999 strafbaar kunnen worden gesteld. Uit deze vaststellingen moet worden afgeleid dat de bvba Baetens, rechtspersoon zijnde, in ieder geval niet strafrechtelijk kan worden gestraft door de administratie voor de overtredingen begaan in de periode voor 2 juli 1999. Het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel en de non-retroactiviteit van de strafwet verzetten zich tegen het feit dat een persoon zou worden gestraft voor vermeende feiten die zich hebben voorgedaan in een tijdspanne waarvoor nog geen wettelijk strafrechtelijk kader voorhanden was. (...) Dat het hof van beroep wat deze grief betreft stelde: "Tevergeefs voert (de eiseres) een schending aan van artikel 7 EVRM (nullum crimen, nulla poena sine lege) om reden dat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen pas in het Belgisch recht werd ingevoerd bij wet van 04 mei 1999, terwijl de eerste aanslagen dateren van de periode 1997-1998. De door de wet van 04 mei 1999 in het Strafwetboek ingevoerde strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor rechtspersonen heeft enkel betrekking op de strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor misdrijven (zie artikel 5 SWB), niet op inbreuken op de fiscale wetgeving beteugeld door fiscaal administratieve sancties met strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6 EVRM. De Belgische wet laat toe deze fiscaal-administratieve sancties aan belastingplichtigen-rechtspersonen op te leggen". (...) Dat deze zienswijze van het hof van beroep niet opgaat omdat zij aldus een onverantwoord onderscheid maakt tussen sancties, enerzijds van administratieve aard, en anderzijds van strafrechtelijke aard, die echter beiden een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van artikel 6 EVRM. In het ene geval zouden, volgens het bestreden arrest, administratieve sancties wel aan rechtspersonen kunnen worden opgelegd voor feiten gepleegd voor 2 juli 1999 en in het geval van strafrechtelijke sancties zou dit niet mogelijk zijn. Door aldus te statueren heeft het hof van beroep de draagwijdte van artikel 7 EVRM miskend. Voor zoveel verzoekt de bvba Baetens het Hof van Cassatie om volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: "Schenden de bepalingen van artikel 89 WIGB, in samenhang met de bepalingen van de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen en in samenhang met artikel 7 EVRM, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin dat rechtspersonen pas met betrekking tot feiten gepleegd voor 2 juli 1999 wel kunnen worden bestraft met fiscaal administratieve sancties bedoeld in artikel 89 WIGB, en niet met de fiscaal strafrechtelijke sancties zoals bedoeld in artikel 445 e.v. WIB92, daar waar beide soorten sancties zijn te beschouwen als strafrechtelijk in de zin van artikel 7 EVRM". III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Krachtens artikel 76, §1, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (hierna: WIGB) wordt een jaarlijkse forfaitaire belasting geheven op de automatische toestellen dienende tot ontspanning, opgesteld op de openbare weg, in de voor het publiek toegankelijke plaatsen of in private kringen, ongeacht of de toegang tot deze kringen al dan niet onderworpen is aan bepaalde formaliteiten. Artikel 87 van hetzelfde wetboek bepaalt: "De personen, houders van lokalen zoals bedoeld in artikel 76 en, in voorkomend geval, de bewoner van het gebouw waarin deze lokalen zijn gelegen, zijn verplicht toegang tot de inrichting te verlenen aan de toezichtsambtenaren aangewezen in artikel 176 van het KB/WIB92, die belast zijn met het opsporen en het vaststellen van de overtredingen van deze titel en van de eventueel tot uitvoering ervan genomen besluiten. De regelen betreffende de processen-verbaal bedoeld in artikel 176 zijn terzake van toepassing". 2. Hieruit volgt dat de controleambtenaren van het fiscaal bestuur in beginsel gemachtigd zijn tot het uitvoeren van een visitatie in de inrichting waar automatische ontspanningstoestellen staan opgesteld en dat de belastingplichtige of de bewoner de toegang niet mag verhinderen. Hieruit volgt niet dat de controleambtenaren vooraleer een publieke ruimte te betreden tijdens de openingsuren, verplicht zijn hiervoor de voorafgaande toestemming te vragen aan de houder van de lokalen. 3. Het arrest dat oordeelt dat er geen toegang diende te worden verleend in de zin van artikel 87 WIGB omdat de openstelling van het lunapark voor het publiek ook inhoudt dat de verbalisanten toegang hadden tot het lunapark tijdens de openingsuren, schendt de in het middel aangevoerde wetsbepalingen niet. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel 4. Artikel 87 WIGB bepaalt: "De personen, houders van lokalen zoals bedoeld in artikel 76 en, in voorkomend geval, de bewoner van het gebouw waarin deze lokalen zijn gelegen, zijn verplicht toegang tot de inrichting te verlenen aan de toezichtsambtenaren aangewezen in artikel 176 van het KB/WIB92, die belast zijn met het opsporen en het vaststellen van de overtredingen van deze titel en van de eventueel tot uitvoering ervan genomen besluiten. De regelen betreffende de processen-verbaal bedoeld in artikel 176 zijn terzake van toepassing". Krachtens artikel 176, eerste lid, van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993, tot uitvoering van het WIB92 zijn, onverminderd de bevoegdheden van de gerechtelijke officieren bij de parketten, de ambtenaren van de administratie der directe belastingen, van de administratie der douane en accijnzen, van de administratie van het kadaster, de beëdigde gemeenteambtenaren, de rijkswacht, de gerechtelijke agenten bij de parketten, de speciale controleurs van de administratie van het vervoer en de leden van het toezichtspersoneel van het Hoog Comité van toezicht, bevoegd om overtredingen op te sporen en om, zelfs alleen, processen-verbaal inzake directe belastingen op te stellen. Krachtens het tweede lid van dit artikel worden die processen-verbaal, waarbij eventueel de schriftelijke uitleg van de overtreders wordt gevoegd, opgesteld ten verzoeke van de minister van financiën, op vervolging en benaarstiging van de directeur van de directe belastingen, domicilie kiezend in zijn kantoren en zijn zij van bevestiging of visum en van betekening vrijgesteld. 5. Hieruit volgt dat de controleambtenaren, die op grond van artikel 87 WIGB een visitatie doen in een inrichting waar automatische toestellen dienende tot ontspanning zijn opgesteld en die gemachtigd zijn tot het opsporen en het vaststellen van overtredingen in dat artikel bedoeld, tijdens die visitatie inlichtingen kunnen vragen aan de belastingplichtige en de uitleg van de belastingplichtige kunnen noteren in het proces-verbaal. 6. Het middel dat berust op de veronderstelling dat de controleambtenaren die een regelmatige visitatie uitvoeren in een inrichting waar automatische ontspanningstoestellen staan opgesteld, niet het recht hebben om tijdens die visitatie uitleg te vragen aan de belastingplichtige, faalt naar recht. 7. Het middel, in zoverre het schending aanvoert van de artikelen 22 en 170 van de Grondwet, is afgeleid uit de schending van artikel 87 WIGB en derhalve niet ontvankelijk. Derde middel 8. Het middel gaat ervan uit dat het bestreden arrest de bewijsregels heeft miskend door te oordelen dat het aan de eiseres toekomt aan te tonen dat de Koning bij de indeling van de automatische ontspanningstoestellen in categorieën de beroepsverenigingen niet zou hebben geraadpleegd zoals vereist door artikel 79 WIGB. 9. De appelrechters oordelen daarenboven dat het standpunt van de verweerder dat deze raadpleging gebeurde niet van geloofwaardigheid is ontbloot. Zij oordelen ook dat het onwaarschijnlijk lijkt dat quasi tegelijkertijd met de invoering van reglementaire besluiten de vrijstelling tot raadpleging zou zijn miskend. Daardoor geven de appelrechters te kennen dat de verweerder het bewijs heeft geleverd dat de raadpleging van de beroepsorganisaties is gebeurd. 10. Het middel dat uitgaat van een onvolledige lezing van het arrest mist feitelijke grondslag. Vierde middel 11. Het arrest oordeelt dat: - indien het middel (ontleend aan artikel 170 van de Grondwet) gegrond zou worden verklaard, dit tot gevolg zou hebben dat de foorreizigers niet meer van het verminderd tarief van artikel 56, 2°, van het koninklijk besluit van 8 juli 1970 zouden kunnen genieten; - artikel 56, 2°, van het koninklijk besluit van 8 juli 1970 niet van toepassing is op de eiseres en dat het vaststellen van de ongrondwettigheid van deze bepaling niet zou kunnen leiden tot de vernietiging van de aanslagen op naam van de eiseres. 12. Anders dan het middel aanvoert, oordeelt het arrest niet dat de Koning zich bij de opmaak van het koninklijk besluit niet een bevoegdheid heeft toegeëigend die krachtens artikel 170 van de Grondwet is voorbehouden aan de wetgever zelf. 13. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 170 van de Grondwet, berust het op een verkeerde lezing van het arrest en mist het mitsdien feitelijke grondslag. 14. Anders dan het middel aanvoert, oordeelt het arrest niet dat de eiseres vanuit economisch oogpunt geen belang heeft bij de buitenwerkingstelling van artikel 56, 2°, van het koninklijk besluit van 8 juli 1970. 15. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 159 van de Grondwet, berust het op een verkeerde lezing van het arrest en mist het mitsdien feitelijke grondslag. Vijfde middel 16. Bij overschrijding van de redelijke termijn bij een rechtspleging strekkende tot het opleggen of beoordelen van belastingverhoging, welke een strafsanctie is in de zin van artikel 6 EVRM, moet de rechter die daarvoor met volle rechtsmacht oordeelt, deze sanctie op een meetbare wijze kunnen verminderen of eventueel de belastingplichtige ervan ontslaan. Bij de beoordeling van de redelijke termijn bij een rechtspleging strekkende tot het opleggen of beoordelen van belastingverhoging, wordt in de regel rekening gehouden met het gedrag van de administratie en ook met het gedrag van de belastingplichtige die zelf op onredelijke wijze de behandeling van het geschil heeft vertraagd. 17. Overeenkomstig de artikelen 569, eerste lid, 32°, en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek is het alleen de belastingplichtige zelf die een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet bij de rechter aanhangig kan maken. De omstandigheid dat mogelijk de nalatigheidsinterest tegen hem overeenkomstig artikel 414, §2, WIB92 opnieuw begint te lopen, doet daaraan niet af. 18. De appelrechters overwegen dat voor wat de periode betreft, vóór 1 april 2001 en de datum van de directoriale beslissing van 3 juni 2003, de eiseres inactief is gebleven door de zaak niet bij de rechtbank aanhangig te maken, zodat dit tijdsverloop aan haar te wijten is. Zij oordelen verder dat wat de overige periode betreft, vóór 1 april 2001, de administratie een periode van een goede twee jaar onbenut heeft gelaten en voor dit tijdsverloop geen rechtvaardiging blijkt, zodat het niet beantwoordt aan de eis van de redelijke termijn. Om reden van de overschrijding van de redelijke termijn vermindert het bestreden arrest dan de opgelegde belastingverhoging van 100 pct. van de belasting naar 75 pct. ervan. Hiermede schenden de appelrechters artikel 6 EVRM niet. Het middel kan niet worden aangenomen in zoverre het artikel 6 EVRM als geschonden aanwijst. 19. Voor het overige preciseert het middel niet hoe het arrest artikel 7 EVRM schendt en is het in zoverre niet ontvankelijk. Zesde middel 20. Het middel berust op de onderstelling dat het slechts vanaf 4 mei 1999 was dat rechtspersonen strafrechtelijk konden vervolgd worden in de zin van artikel 6 EVRM. 21. De wet van 4 mei 1999 heeft niets gewijzigd aan de mogelijkheid administratieve sancties op te leggen aan Belgische rechtspersonen en heeft evenmin de draagwijdte van artikel 6 EVRM verruimd in dit verband. Het middel kan niet worden aangenomen. 22. Voor het overige suggereert de eiseres een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof die vreemd is aan het geschil. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 121,44 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts, en de raadsheren Eric Stassijns, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 12 november 2009 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091112.17 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071214.3 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180921.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.