← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091116.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091116.9 Rolnummer: S.09.0044.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-12-01 Raadplegingen: 204 - laatst gezien 2026-07-02 21:06 Versie(s): Vertaling FR Fiche Betalingen waartoe de werkgever zich verbonden heeft als tegenprestatie van de in het kader van de arbeidsovereenkomst uitgevoerde arbeid zijn loon in de zin van artikel 2, § 1, 1° van de Sluitingswet 1967. Thesaurus CAS: ARBEIDSVOORZIENING - SLUITING VAN ONDERNEMINGEN UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Sluiting onderneming - Fonds Vrije woorden: Opdracht van het Fonds - Betalen van loon Wettelijke bepalingen: Wet - 30-06-1967 - Art. 2, § 1, 1° Tekst van de beslissing Nr. S.09.0044.N FONDS TOT VERGOEDING VAN DE IN GEVAL VAN SLUITING VAN ONDERNEMINGEN ONTSLAGEN WERKNEMERS, met zetel te 1000 Brussel, Gasthuisstraat 35, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest, tegen V. D. H. H., met keuze van woonplaats bij gerechtsdeurwaarder Dominique Lamote, met kantoor te 1190 Vorst, F. Vanderstraetenlaan 57, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten, op 6 maart 2008 en 19 februari 2009 gewezen door het arbeidshof te Brussel. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden bepalingen - de artikelen 1 en 2, §1, van de Wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers (artikel 2, zoals gewijzigd bij wet van 28 juli 1971 en later vervangen bij wet van 30 maart 1976, voor hun opheffing bij artikel 88 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, met uitwerking vanaf 1 april 2007). Bestreden beslissingen Na in het tussenarrest van 6 maart 2008 het hoger beroep ontvan¬kelijk te hebben verklaard en principieel gegrond, veroordeelt het arbeidshof te Brussel in het arrest van 19 februari 2009, zijn tussenarrest van 6 maart 2008 verder uitwerkend, de eiser "tot betaling voor (de verweerder) van de werkgevers- en werknemerspremies, verschuldigd binnen het kader van de groepsverzekering, aan de groepsverzekeringsmaatschappij Royal(

  1. e)Belge, thans de nv AXA, met zetel te 1170 Brussel, Vorstlaan 25, beperkt tot een maximumbedrag van 22.310,42 euro" (arrest van 19 februari 2009, p. 5, dispositief). Deze beslissing is onder meer op volgende motieven gestoeld: - tussenarrest van 6 maart 2008 vanaf p. 5: "Artikel 2 van de wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers bepaalt: ‘Artikel 2, §1, Wanneer bij sluiting van een onderneming in de zin van de artikelen 2 en 2bis van voornoemde wet van 28 juni 1966, de werkgever zijn geldelijke verplichtingen tegenover zijn werknemers niet nakomt, dient het Fonds hun te betalen: 1. de lonen verschuldigd krachtens de individuele of collectieve arbeids¬overeenkomsten; 2. de vergoedingen en voordelen verschuldigd krachtens de wet of collec¬tieve arbeidsovereenkomsten.' In het formulier BC901 van 13 maart 1992, vraagt (de verweerder) de betaling van de premies groepsverzekering ingevolge de CAO van 27 april 1988 (...) Verder stelt (de verweerder) dat de premies groepsverzekeringen door zijn werkge¬ver niet meer werden betaald sedert 1 november 1989 en dat hij zelf met ingang van 1 november 1989 de groepsverzekering heeft verder gezet en de premies heeft betaald. Derhalve werd de CAO van 27 april 1988 door de werkgever ten uitvoer gelegd sedert de datum van afsluiting ervan tot 1 november 1989. III.1 IN HOEVERRE GELDT EEN NIET NEERGELEGDE CAO? (Een) niet neergelegde CAO (kan) toegepast worden, wanneer de al dan niet georganiseerde werknemers deze stilzwijgend hebben aanvaard. Dit laatste is hier het geval, omdat precies door de uitbetaling van de patronale premies door de werkgever en het beroep op deze betaling door (verweerder) (...) er geen twijfel kan over bestaan dat alleszins de CAO door beide partijen aanvaard is. Met het cassatiearrest van 30 mei 1988 moet worden aanvaard dat er dan een binding ontstaat van deze niet neergelegde CAO, weliswaar niet op basis van de CAO wet, wel op basis van de algemene bepalingen van het verbintenissenrecht. III.2 MOET HET FONDS TUSSENKOMEN? In artikel 2, §1, van de wet van 30 juni 1967 wordt in verband met de betaalplicht van het Fonds een onderscheid gemaakt tussen, enerzijds, de lonen ver¬schuldigd krachtens de individuele of collectieve arbeidsovereenkomsten en, an¬derzijds, vergoedingen en voordelen verschuldigd krachtens de wet of collectieve arbeidsovereenkomsten. Waar we uit het cassatiearrest van 30 mei 1988 onthouden dat de binding van een niet neergelegde CAO niet volgt uit de wet op de collectieve arbeidsovereenkomsten, moeten we verder na(..)gaan of de premies groepsverzekering lonen zijn verschuldigd krachtens de individuele arbeidsovereenkomst. Het arrest van het Hof van Cassatie van 6 december 2004 (...), toont het belang aan van het onderscheid tussen loon krachtens de individuele of collectieve arbeidsovereenkomst en vergoedingen en voordelen krachtens de wet of collec¬tieve arbeidsovereenkomsten. Vergoedingen, die volgen uit een individuele arbeidsovereenkomst, kan men niet als loon beschouwen in de zin van artikel 2 van de wet van 30 juni 1967, enkel de vergoedingen en voordelen die krachtens de wet of een CAO verschuldigd zijn worden in aanmerking genomen voor artikel 2, §1, 2de, van de sluitingswet van 30 juni 1967. Maar tevens heeft het Hof van Cassatie in het arrest van 4 februari 2002 (...) aangetoond dat geldsommen die aan derden worden uitbetaald door de werkge¬ver als premies voor een groepsverzekering deel uitmaken zowel van het loon in de zin van de loonbeschermingswet als van het enge loonbegrip krachtens de arbeidsovereenkomstenwet in de zin van tegenprestatie voor verrichte arbeid. Omdat deze lonen als tegenprestatie van arbeid verschuldigd zijn krachtens de individuele arbeidsovereenkomst, zijn deze premies ook loon in de zin van artikel 2, §1, 1e, van de wet van 30 juni 1967; De betaling van de premies groepsverzekering werd omschreven in de niet neergelegde CAO van 27 april 1988 en zoals hierboven besproken, hebben de partijen bij de arbeidsovereenkomst deze regeling aanvaard." - eindarrest van 19 februari 2009 (p. 2) In het tussenarrest werd reeds vastgesteld dat de premies groeps¬verzekering loon zijn in de zin van artikel 2, §1, 1e, van de wet van 30 juni 1967. Grieven De wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen, zoals van kracht vóór ze werd opgeheven vanaf 1 april 2007 bij artikel 88 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, voorzag onder bepaalde voorwaarden het recht op een vergoeding wegens ontslag bij sluiting van ondernemingen. Door artikel 1 van de wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van onderne¬mingen ontslagen werknemers, zoals van kracht vóór dat deze wet werd opge¬heven vanaf 1 april 2007, bij artikel 88 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, werd de opdracht van het Fonds tot vergoe¬ding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, opgericht bij artikel 9 van de wet van 28 juni 1966, verruimd overeenkomstig de bepalingen van deze wet. Zo bepaalde artikel 2, §1, van deze wet dat wanneer bij sluiting van een onderneming in de zin van de artikelen 2 en 2bis van de genoemde wet van 28 juni 1966, de werkgever zijn geldelijke verplichtingen tegenover zijn werkne¬mers niet nakwam, eiser hun, binnen de krachtens artikel 6 van deze wet bepaalde grenzen, diende te betalen: 1) de lonen verschuldigd krachtens de individuele of collectieve arbeidsovereen¬komsten, 2) de vergoedingen en voordelen verschuldigd krachtens de wet of collectieve arbeidsovereenkomsten. Uit deze bepaling, die een onderscheid maakt tussen eensdeels lo¬nen en anderdeels vergoedingen en voordelen, volgt dat vergoedingen en voordelen niet begrepen zijn in de lonen, zoals in deze wetsbepaling bedoeld. Aldus wordt een onderscheid gemaakt tussen de lonen, die ver¬schuldigd moeten zijn krachtens een individuele of collectieve arbeidsovereen¬komst, en de vergoedingen en voordelen die verschuldigd moeten zijn krachtens de wet of een collectieve arbeidsovereenkomst. De eiser zal bijgevolg slechts vergoedingen en voordelen moeten betalen in zoverre die verschuldigd zijn krachtens de wet of collectieve arbeids¬overeenkomsten. Het arbeidshof stelde vast dat de verweerder betaling vorderde lastens de eiser van de premies (werkgevers- en werknemersaandeel) in de groepsverzeke¬ring voor de periode vanaf 1 november 1989 totdat de verweerder de leeftijd van 60 jaar zou bereiken. Het arbeidshof oordeelt dat deze premies in een groepsverzekering "als tegenprestatie van arbeid verschuldigd zijn krachtens de individuele arbeids¬overeenkomst" en dus "loon (zijn) in de zin van artikel 2, §1, 1e, van de wet van 30 juni 1967" (arrest van 6 maart 2008, p. 9, tweede alinea; arrest van 19 fe¬bruari 2009, p. 2, voorlaatste alinea). Premies in een groepsverzekering vormen evenwel geen loon in de zin van artikel 2, §1, 1, van de genoemde wet van 30 juni 1967, doch een voordeel of vergoeding. De eiser kon slechts gehouden zijn tussen te komen voor vergoedingen of voordelen die verschuldigd zijn krachtens de wet of collectieve arbeidsovereenkomsten. Het arbeidshof kon bijgevolg niet wettig eiser veroordelen "tot beta¬ling voor (de verweerder) van de werkgevers- en werknemerspremies, verschuldigd binnen het kader van de groepsverzekering, aan de groepsverzekeringsmaat¬schappij Royal(
  2. e)Belge, thans de nv AXA, met zetel te 1170 Brussel, Vorstlaan 25, beperkt tot een maximumbedrag van 22.310,42 euro" (arrest van 19 februari 2009, p. 5, dispositief). Het arbeidshof schendt aldus de in de aanhef van het middel vermelde wetsbepalingen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Artikel 2, §1, van de Sluitingswet 1967 zoals gewijzigd bij wet van 28 juli 1971 en later vervangen bij wet van 30 maart 1976, voor de opheffing ervan bij artikel 88 van de wet van 26 juni 2002, bepaalt dat, wanneer bij sluiting van een onderneming in de zin van de artikelen 2 en 2bis van de wet van 28 juni 1966 de werkgever zijn geldelijke verplichtingen tegenover zijn werknemers niet nakomt, het Fonds hen dient te betalen: - de lonen verschuldigd krachtens de individuële of collectieve arbeidsovereenkomsten; - de vergoedingen en voordelen verschuldigd krachtens de wet of collectieve arbeidsovereenkomsten. 2. Het arrest van 6 maart 2008 stelt vast dat de verweerder en diens werkgever een buiten het paritair comité gesloten collectieve arbeidsovereenkomst van 27 april 1988, die niet werd neergelegd bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, hebben uitgevoerd in die zin dat de erin bedongen premies voor een groepsverzekering door de werkgever werd uitbetaald tot 1 november 1989 en dat de verweerder zelf de verdere premies betaald heeft bij het in gebreke blijven hiervan door de werkgever. Het oordeelt op niet aangevochten wijze dat deze collectieve arbeidsovereenkomst bindend is voor de werkgever en de verweerder ingevolge de aanvaarding ervan, niet op basis van de CAO-wet, maar wel op basis van de algemene bepalingen van het verbintenissenrecht en besluit dat de premies voor groepsverzekering te dezen verschuldigd waren ingevolge een individueel aangegane overeenkomst. 3. Betalingen waartoe de werkgever zich verbonden heeft als tegenprestatie van de in het kader van de arbeidsovereenkomst uitgevoerde arbeid zijn loon in de zin van artikel 2, §1, 1°, van de Sluitingswet 1967. 4. De arresten oordelen op niet aangevochten wijze dat de betaling door de werkgever van de bedoelde premies voor een groepsverzekering een tegenprestatie van de in het kader van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid betreft en oordelen op grond hiervan dat het loon betreft in de zin van voormeld artikel 2, §1, 1°. 5. De bestreden arresten beslissen dienvolgens wettig dat de door de werkgever verschuldigde betaling van de premies voor de groepsverzekering ten laste van het Fonds kan worden gelegd binnen de wettelijk bepaalde begrenzing. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 145,64 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 16 november 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091116.9 Gerelateerde publicatie(
  3. s)geciteerd door: ECLI:BE:CTBRL:2012:ARR.20121128.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.