← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091117.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091117.5 Rolnummer: P.09.1258.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2009-12-02 Raadplegingen: 494 - laatst gezien 2026-06-17 22:19 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Voor de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden door ambtenaren van de douane en accijnzen gelden dezelfde voorwaarden en moet dezelfde rechtspleging worden gevolgd als deze voor de toepassing van bijzondere opsporingsmethoden door elke daartoe bevoegde officier van gerechtelijke politie, zodat de procureur des Konings machtiging moet verlenen aan de douaneambtenaren tot het toepassen van de bijzondere opsporingsmethode van observatie. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Onderzoek gevoerd door de ambtenaren van douane en accijnzen - Toepassing van bijzondere opsporingsmethoden - Voorwaarden - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 47, § 1, eerste en tweede lid, 47sexies, § 1, 235ter - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 22 april 2003 betreffende de openbare aanbiedingen van effecten - 22-04-2003 - Art. 4, § 1 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Vrije woorden: Douane en accijnzen - Onderzoek gevoerd door de ambtenaren van douane en accijnzen - Toepassing van bijzondere opsporingsmethoden - Voorwaarden - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 47, § 1, eerste en tweede lid, 47sexies, § 1, 235ter - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 22 april 2003 betreffende de openbare aanbiedingen van effecten - 22-04-2003 - Art. 4, § 1 Fiches 3 - 5 De toepassing van de bijzondere opsporingsmethode van observatie door de douaneambtenaren moet worden gecontroleerd door de kamer van inbeschuldigingstelling

(1).
(1)Cass., 28 april 2009, AR P.08.1738.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090428.5, A.C., 2009, nr. ... Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Onderzoek gevoerd door de ambtenaren van douane en accijnzen - Bijzondere opsporingsmethoden - Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 47, § 1, eerste en tweede lid, 47sexies, § 1, 235ter - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 22 april 2003 betreffende de openbare aanbiedingen van effecten - 22-04-2003 - Art. 4, § 1 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Vrije woorden: Douane en accijnzen - Onderzoek gevoerd door de ambtenaren van douane en accijnzen - Bijzondere opsporingsmethoden - Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 47, § 1, eerste en tweede lid, 47sexies, § 1, 235ter - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 22 april 2003 betreffende de openbare aanbiedingen van effecten - 22-04-2003 - Art. 4, § 1 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Douane en accijnzen - Onderzoek gevoerd door de ambtenaren van douane en accijnzen - Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 47, § 1, eerste en tweede lid, 47sexies, § 1, 235ter - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 22 april 2003 betreffende de openbare aanbiedingen van effecten - 22-04-2003 - Art. 4, § 1 Fiches 6 - 8 In de procedure van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering is de douane niet gelijkgesteld met het openbaar ministerie, en moet ze worden beschouwd als een burgerlijke partij. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Onderzoek gevoerd door de ambtenaren van douane en accijnzen - Bijzondere opsporingsmethoden - Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden - Procedure - Partijen - Douane - Hoedanigheid Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 235ter - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Vrije woorden: Douane en accijnzen - Onderzoek gevoerd door de ambtenaren van douane en accijnzen - Bijzondere opsporingsmethoden - Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden - Procedure - Partijen - Douane - Hoedanigheid Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 235ter - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Douane en accijnzen - Onderzoek gevoerd door de ambtenaren van douane en accijnzen - Controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden - Procedure - Partijen - Douane - Hoedanigheid Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 235ter - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.09.1258.N J. C. K. J. inverdenkingestelde, eiser, met als raadsman mr. Eric Pringuet, advocaat bij de balie te Gent, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, voor wie optreedt de directeur van de douane en accijnzen te Gent, met kantoor te 9000 Gent, administratief centum "Ter Plaeten", Sint-Lievenslaan 27, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 25 juni
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Voorafgaande prejudiciële vragen
  2. Voorafgaandelijk werpt de eiser vijf aan het Grondwettelijk Hof te stellen prejudiciële vragen op betreffende de door ambtenaren van douane en accijnzen toegepaste bijzondere opsporingsmethoden. De eiser stelt daarbij dat de wet daarvoor niet voorziet in een controle door de kamer van inbeschuldigingstelling (eerste en tweede vraag), ze de ambtenaren wel de bevoegdheid verleent om bijzondere opsporingsmethoden toe te passen, maar niet voorziet in een machtiging daartoe (derde vraag), ze niet voorziet in een uitnodiging om gehoord te worden in het kader van de controle daarvan door de kamer van inbeschuldigingstelling (vierde vraag) en ze ten slotte niet voorziet in het gelijktijdig horen van de raadsman van de verdachte en de raadsman van de vervolgende partij, dit is de douane (vijfde vraag).
  3. Artikel 4.1 van de wet van 22 april 2003 houdende toekenning van de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie aan bepaalde ambtenaren van de administratie der douane en accijnzen, bepaalt: "Onverminderd het bepaalde in de artikelen 47ter en 40bis van het Wetboek van Strafvordering mogen de ambtenaren bedoeld in vorenstaand artikel 3, bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings en van de arbeidsauditeur, onder dezelfde voorwaarden als die vermeld in het Wetboek van Strafvordering, bijzondere opsporingsmethoden toepassen die bestaan uit de observatie en de informantenwerking, evenals de uitgestelde tussenkomst behorende tot de andere onderzoeksmethoden." Uit deze bepaling volgt dat voor de toepassing van bepaalde bijzondere opsporingsmethoden door ambtenaren van de douane en accijnzen dezelfde voorwaarden gelden en dezelfde rechtspleging wordt gevolgd als deze voor de toepassing van bijzondere opsporingsmethoden door elke daartoe bevoegde officier van gerechtelijke politie.
  4. De vijfde voorgestelde prejudiciële vraag luidt: "Schendt artikel 235ter, § 2, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 EVRM doordat niet wordt voorzien dat de raadsman van de [inverdenkinggestelde] wordt gehoord, samen met de raadsman van douane en accijnzen wanneer de strafvordering uitsluitend door de douane wordt uitgeoefend in het kader van een autonoom douanerechtelijk strafonderzoek?" De eiser voert in dit verband aan: de wet bepaalt duidelijk dat uitsluitend het openbaar ministerie, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde worden uitgenodigd en gehoord door de kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van een controle ingevolge artikel 235ter Wetboek van Strafvordering; in een autonoom douanerechtelijk strafonderzoek is de douane echter vervolgende partij; zij bezit aldus geen van de drie voormelde hoedanigheden om te worden gehoord door de kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van een bom-controle; gelet op het verbod van analogische interpretatie kan de douane niet worden gelijkgesteld met het openbaar ministerie.
  5. Het legaliteitbeginsel opgenomen in artikel 14 Grondwet en artikel 2, eerste lid, Strafwetboek betreft de omschrijving van de strafbare gedragingen en de bepaling van de straffen; het verbiedt een uitbreidende interpretatie, tenzij ze in het voordeel is van de betrokkene. Daarentegen beperkt de regel van artikel 12, tweede lid, Grondwet dat niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft, het recht van de rechter niet deze wet te interpreteren.
  6. Artikel 235ter, §§ 1 en 2, Wetboek van Strafvordering geeft uitsluitend het openbaar ministerie de opdracht en de bevoegdheid de volledige rechtszitting van de controle van de bijzondere opsporingsmethoden door de kamer van inbeschuldigingstelling bij te wonen. Anderzijds is overeenkomstig artikel 281 AWDA de douane in de in die wetsbepaling vermelde zaken enkel de vervolgende partij en volgt uit artikel 283 AWDA dat zij in deze zaken ook desgevallend de burgerlijke rechtsvordering uitoefent. Deze bepalingen houden in dat de douane, wat de rechtspleging van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering betreft, moet worden beschouwd als een burgerlijke partij. Het Hof stelt geen prejudiciële vragen die uitgaan van verkeerde rechtsopvattingen. Eerste middel
  7. Het middel voert schending aan van het algemeen rechtsbeginsel "lex specialis derogat legi generali" (de bijzondere wet vormt een uitzondering op de algemene wet): het middel betwist op die grond dat douaneambtenaren voor een bijzondere opsporingsmethode een machtiging zouden kunnen krijgen en besluit dat de gevoerde observaties daarom onwettig zijn.
  8. Artikel 4.1 van de voornoemde wet van 22 april 2003 en de artikelen 47ter en 40bis Wetboek van Strafvordering houden in dat de procureur des Konings machtiging aan de douaneambtenaren verleent voor de door deze laatste wetsbepalingen bedoelde bijzondere opsporingsmethoden. Het middel faalt naar recht. Tweede middel
  9. Het middel voert schending aan van de artikelen 279 en 281 AWDA: het middel betwist op die grond dat de douaneambtenaren voor een bijzondere opsporingsmethode een machtiging zouden kunnen krijgen en besluit dat de gevoerde observaties daarom onwettig zijn.
  10. De artikelen 279 en 281 AWDA staan niet eraan in de weg dat de procureur des Konings aan de douaneambtenaren een machtiging verleent tot het toepassen van bijzondere opsporingsmethoden zoals bedoeld in artikel 4.1 van de voornoemde wet van 22 april
  11. Het middel faalt naar recht. Derde middel
  12. Het middel voert schending aan van artikel 235ter, § 1, Wetboek van Strafvordering: deze wetbepaling voorziet niet in een controle door de kamer van inbeschuldigingstelling in geval van een autonoom douanerechtelijk strafonderzoek; aldus werd onrechtmatig een controle uitgevoerd.
  13. Artikel 235ter, § 1, Wetboek van Strafvordering en artikel 4.1 van de voornoemde wet van 22 april 2003 houden in dat de toepassing van bijzondere opsporingsmethoden door douaneambtenaren moet worden gecontroleerd door de kamer van inbeschuldigingstelling. Het middel faalt naar recht Vierde middel
  14. Het middel voert schending aan van artikel 235ter, § 2, Wetboek van Strafvordering: deze wetsbepaling voorziet niet in de mogelijkheid om het douanebestuur te horen; aldus werd onrechtmatig een controle uitgevoerd.
  15. Artikel 235ter, § 2, Wetboek van Strafvordering, artikel 283 AWDA en artikel 4.1 van de voornoemde wet van 22 april 2003 houden in dat bij de controle over de toepassing van bijzondere opsporingsmethoden de douane als partij kan worden gehoord door de kamer van inbeschuldigingstelling. Het middel faalt naar recht. Vijfde middel
  16. Het middel voert schending aan van artikel 235ter, § 2, Wetboek van Strafvordering en artikel 6 EVRM: indien zou worden aangenomen dat de verweerder als vervolgende partij moet worden gelijkgesteld met het openbaar ministerie, dan had de raadsman van de eiser moeten worden gehoord in aanwezigheid van de raadsman van de verweerder; bijgevolg is het bestreden arrest onwettig en werd het recht van de verdediging manifest geschonden.
  17. In de procedure van artikel 235ter, § 2, Wetboek van Strafvordering is de douane niet gelijkgesteld met het openbaar ministerie. Het middel dat uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek van de beslissing
  18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorge¬schreven rechts¬vormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 69,66 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts, en de raadsheren Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en Geert Jocqué, en op de openbare rechtszitting van 17 november 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091117.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090428.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.