id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.1 Rolnummer: D.09.0001.N Kamer: REUN - Ch.Réunies/Verenigde Kamers Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-12-01 Raadplegingen: 670 - laatst gezien 2026-07-02 20:54 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De schorsing bij ordemaatregel, in het belang van de dienst, van diegene tegen wie een tuchtprocedure is ingesteld, is een mogelijkheid waarvan de bevoegde tuchtoverheid kan gebruik maken; zij kan oordelen dergelijke maatregel niet te nemen, omdat ze onder meer het verdere tuchtonderzoek wil afwachten of omdat zij het niet in het belang van de dienst acht of omdat zij voorkeur geeft aan andere maatregelen, zoals een andere dienstregeling voor de betrokkene. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE TUCHT Vrije woorden: Tuchtprocedure - Ordemaatregel - Schorsing - Tuchtoverheid - Beoordelingsbevoegdheid Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 406, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 Het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel vereisen dat tussen de feiten en de opgelegde tuchtsanctie een redelijk verband van evenredigheid zou bestaan. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE TUCHT Vrije woorden: Tuchtsanctie - Evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel - Vereiste Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 405 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. D.09.0001.N P M J A E V, , appellant, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, en met als raadslieden mr. Veerle Tollenaere en mr. Tom De Sutter, advocaten bij de balie te Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De appellant is in hoger beroep gekomen van het arrest van het hof van beroep te Gent, eerste kamer, van 11 december
- Dit arrest legt de appellant de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege' op. Bij arrest van 20 april 2009 heeft het Hof alvorens nader te beslissen de zaak voor advies opnieuw aanhangig gemaakt bij de Nationale Tuchtraad. Op 10 juli 2009 heeft de Nationale Tuchtraad geadviseerd de appellant de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege' op te leggen, zoals bedoeld in artikel 405, § 2, 2°, eerste gedachtestreepje, van het Gerechtelijk Wetboek. Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle is gehoord. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- De appellant voert miskenning van zijn recht van verdediging aan omdat de oproepingsbrief van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 14 januari 2008 niet uitdrukkelijk de hem ten laste gelegde feiten vermeldt. De bedoelde oproepingsbrief vermeldt: "Betreft: tuchtprocedure ingevolge de vordering van de Heer Procureur-Generaal bij het Hof van Beroep te Gent dd. 14/6/2007, alsmede de twee in beraad genomen correctionele zaken van de vijftiende kamer, opgevraagd met het oog op toepassing van art. 648 ev. van het Gerechtelijk Wetboek, uit hoofde van verzuim van ambtsplichten. Ik kwam in het bezit van het tuchtonderzoek, gevoerd door de door mij op 2/7/2007 aangewezen magistraat, waaromtrent U tot driemaal toe werd verhoord en inzage kreeg van het stukkenbundel, zodat u reeds kennis kreeg van de feiten die U ten laste worden gelegd. Hierbij wordt U uitgenodigd om gehoord te worden bij toepassing van artikel 423 van het Gerechtelijk Wetboek op woensdag 30 januari 2008 om 9 uur in mijn kabinet. Het onderzoeksdossier ligt met ingang van heden ter Uwer beschikking op de burgerlijke griffie van de Rechtbank tijdens de griffie-uren." Krachtens artikel 423, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek wordt de betrokkene opgeroepen bij een aangetekende brief waarin de reden van de oproeping, de ten laste gelegde feiten, de plaats waar en de termijn waarbinnen het dossier kan worden geraadpleegd, alsook de plaats en datum van verschijning zijn vermeld. Uit de oproepingsbrief en de herhaalde verhoren door de voor het tuchtonderzoek aangewezen magistraat, B. V., waarnaar de oproepingsbrief verwijst, wist de appellant, of kon hij zonder gevaar voor vergissing weten, dat de oproepingsbrief hem het verzuim van zijn ambtsplichten, te weten het niet-tijdig uitspreken van een beslissing in de zaken die hij in beraad had, ten laste werd gelegd. De appellant kon met kennis van zaken zijn verdediging voorbereiden en zijn verweermiddelen aanvoeren. De voormelde oproepingsbrief omschrijft de ten laste gelegde feiten op afdoende wijze en miskent dan ook niet het recht van verdediging van de appellant.
- De appellant voert miskenning van zijn recht van verdediging aan omdat zijn oproeping voor de eerste kamer van het hof van beroep te Gent onjuiste vermeldingen bevat. Die oproepingsbrief verwijst naar een niet-bestaande ‘aanvullende vordering' van de procureur-generaal. De aangevoerde onjuiste vermeldingen zijn niet van dien aard dat de appellant daardoor niet wist of niet kon weten wat hem werd ten laste gelegd en dat hij zich op de juiste vermeldingen niet heeft kunnen verdedigen. Het feit dat de oproeping voor het hof van beroep eventueel een onjuiste vermelding bevat, miskent dan ook niet appellants recht van verdediging.
- De appellant voert miskenning van zijn recht van verdediging aan omdat nergens in het dossier de periode van de telastleggingen is vermeld. Onder meer uit de oproeping voor het hof van beroep te Gent blijkt duidelijk de periode van de telastlegging. Die vermeldt immers dat het gaat om ‘nieuw opgelopen achterstand in het rechtspreken ondanks een vroegere tuchtsanctie opgelopen op 26 oktober 2006 wegens verzuim in het rechtspreken van meer dan 6 maanden om de zaak te berechten'. De appellant wist door die oproeping dat het gaat om feiten van na 26 oktober
- Of bepaalde feiten van na 26 oktober 2006 al dan niet verjaard zouden zijn, verhindert geenszins de appellant zijn verdediging te voeren over de feiten na die datum. Die verdediging kan immers ook betrekking hebben op een eventuele verjaring. Zijn recht van verdediging is door de vermelding van de periode van de telastlegging dan ook niet miskend.
- De appellant voert aan dat zijn recht van verdediging is miskend omdat de telastleggingen herhaaldelijk anders en aldus onduidelijk zijn omschreven. De appellant preciseert de ‘herhaaldelijk anders' omschreven telastleggingen niet. De feiten die de appellant zijn ten laste gelegd, zijn niet onduidelijk omschreven. De verscheidene omschrijvingen van dezelfde feiten laten hem bovendien toe die feiten preciezer en nauwkeuriger te kennen. De appellant kon zich dan ook op basis van die omschrijving afdoende verdedigen.
- De appellant voert miskenning van zijn recht van verdediging aan omdat het dossier slechts gedeeltelijk is geïnventariseerd. De appellant voert niet aan dat bepaalde stukken die op de gedeeltelijke inventaris zijn vermeld, in werkelijkheid niet in het dossier waren opgenomen, noch dat de opeenvolgende tuchtoverheden hun beslissing hebben gesteund op stukken die niet in het tuchtdossier aanwezig waren. De appellant heeft het volledige dossier kunnen raadplegen. Hij heeft er ook kosteloos een kopie van kunnen krijgen. Dat het tuchtdossier slechts een onvolledige en gedeeltelijk inventaris bevat, heeft niet tot gevolg dat dit appellants recht van verdediging miskent.
- Uit al wat voorafgaat blijkt dat, anders dan de appellant aanvoert, de tuchtprocedure zonder miskenning van zijn recht van verdediging is gevoerd.
- De appellant voert aan dat het regelmatig niet-tijdig uitspreken van vonnissen in zaken die hij in beraad heeft genomen, niet te wijten is aan zijn schuldig gedrag, zodat geen tuchtstraf kan worden opgelegd. Anders dan de appellant voorhoudt, blijkt uit alle gegevens van het dossier dat het niet tijdig uitspreken van vonnissen in zaken die hij in beraad had, hem persoonlijk toerekenbaar is. Het is niet alleen zijn abnormaal en buitengewoon laag prestatiepeil en zijn zeer gebrekkig functioneren als rechter die aanleiding zijn voor een tuchtstraf. Niettegenstaande alle begeleidingsmaatregelen en bijzondere regimes die de appellant van zijn korpsoversten herhaaldelijk heeft gekregen, niettegenstaande de medewerking van zijn collegae, heeft de appellant bewust volhard in het niet-tijdig uitspreken. Ook al zouden, zoals hij voorhoudt, zijn persoonlijkheidskenmerken de oorzaak van de vertraging zijn, dan nog zijn die niet van dien aard dat hij zich niet ervan bewust was, minstens kon zijn, dat hij tekort kwam aan zijn deontologische en wettelijke verplichting de zaken binnen een normale tijd te vonnissen.
- De appellant voert aan dat de achterstand bij het uitspreken van de zaken die hij in beraad had, te wijten is aan de complexiteit van die zaken. De complexiteit van een zaak kan een reden zijn waarom de rechter geen uitspraak doet binnen een maand na het sluiten van het debat. Dat is trouwens de reden waarom artikel 770 van het Gerechtelijk Wetboek in de mogelijkheid voorziet dat de rechter de korpschef en de eerste voorzitter van het hof van beroep daarover inlicht. Het blijkt niet dat de appellant dit heeft gedaan. Integendeel hij is halsstarrig en bewust in gebreke gebleven meerdere al dan niet complexe zaken te vonnissen binnen een redelijke termijn die afhankelijk is van de complexiteit van de zaak. Het empirisch onderzoek dat de appellant vraagt, onder meer naar de verdeling van de werklast van de magistraten van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, het aantal hogere beroepen tegen zijn uitspraken en het resultaat daarvan, dit vergeleken met de resultaten van de andere magistraten van dat rechtscollege, is irrelevant voor de beoordeling van zijn persoonlijke en bewuste tekortkomingen bij het tijdig vonnissen van zijn eigen zaken. Dat de appellant ook zaken tijdig zou hebben uitgesproken is geen reden om het niet-tijdig vonnissen van andere zaken te rechtvaardigen.
- De appellant voert verder aan dat de achterstand te wijten is aan zijn gezondheidstoestand en zijn persoonlijke problemen. De gezondheidstoestand en persoonlijke problemen van de appellant kunnen een nadelige invloed gehad hebben op zijn werkkracht en productiviteit. Ze zijn hier wel geen rechtvaardiging en geen afdoende uitleg voor de voortdurende en permanente achterstand in het vonnissen van zaken die hem na zijn tuchtsanctie van 26 oktober 2006 zijn toevertrouwd. De appellant kan zich bezwaarlijk beroepen op het argument dat een eerdere schorsing een persoonlijk probleem is waardoor hij na de schorsing niet meer normaal kon functioneren. Ook al houdt de appellant het tegenovergestelde voor, er kan zeker niet voorbij gegaan worden aan de vele steun en mogelijkheden die zijn korpschefs en zijn collegae hem hebben gegeven.
- De appellant voert aan dat hij na de tuchtsanctie van 26 oktober 2006 geen voldoende kansen heeft gekregen om te verhelpen aan de achterstand. Uit de gegevens van het dossier blijkt het tegenovergestelde. De taken die de appellant toegewezen kreeg, waren er vooral op gericht hem de mogelijkheid te geven zijn achterstand op een redelijke en verantwoorde wijze weg te werken. Daarbij kreeg hij in vergelijking met zijn collegae een gunstregime.
- De appellant voert aan dat hij zich na de tuchtsanctie van 26 oktober 2006 heeft herpakt en grotendeels zijn achterstand heeft ingehaald. Zelfs als dit al zou zijn, dan nog bleef hij bewust een onverantwoorde achterstand hebben. Hij gebruikte zijn gunstregime niet om die achterstand ongedaan te maken.
- De appellant voert aan dat hij door de berichten in de pers over zijn achterstand de zware psychische druk niet aankon. De berichten in de pers zijn niet de oorzaak van de onverantwoorde en bewuste achterstand van de appellant, maar het gevolg. Dat die berichten voor hem onaangenaam kunnen zijn, is geen verklaring voor zijn abnormale achterstand.
- De appellant voert aan dat het niet-nemen van een ordemaatregel, bepaald in artikel 406 van het Gerechtelijk Wetboek, bewijst dat er geen definitieve vertrouwensbreuk bestaat ten aanzien van de rechtzoekende of ten aanzien van zijn collegae. Volgens artikel 406, § 1, eerste en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek kan de tuchtoverheid die bevoegd is om een lichte straf op te leggen, in het belang van de dienst diegene tegen wie een tuchtprocedure is ingesteld, op grond van een ordemaatregel uit zijn ambt schorsen. Die schorsing bij ordemaatregel is een mogelijkheid waarvan de bevoegde tuchtoverheid gebruik kan maken. Die overheid kan oordelen dergelijke maatregel niet te nemen omdat ze onder meer het verdere tuchtonderzoek wil afwachten of omdat zij het niet in het belang van de dienst acht of omdat zij voorkeur geeft aan andere maatregelen zoals een andere dienstregeling voor de betrokkene. Het niet-nemen van een ordermaatregel kan ingegeven zijn door begrip voor appellants falen, door vertrouwen op beterschap en door zoveel andere persoonlijke redenen, eigen aan de appellant. Het is hier zeker geen bewijs dat er geen definitieve vertrouwensbreuk zou kunnen bestaan ten aanzien van de rechtzoekende of ten aanzien van zijn collegae.
- De appellant voert terecht aan dat de strafmaat moet bepaald worden op grond van het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel. Die vereisen dat tussen de feiten en de opgelegde sanctie een redelijk verband van evenredigheid zou bestaan. De gepleegde feiten zijn ernstig. Ze doen afbreuk aan de waardigheid van appellants ambt van rechter. Zijn tekortkomingen brengen ook de goede werking van de rechtbank en het vertrouwen van de bevolking in die instelling in het gedrang. Ze verzwaren op oncollegiale wijze de werklast van zijn mederechters. De appellant heeft reeds eerder een disciplinaire sanctie voor gelijkaardige feiten gekregen. Het blijkt echter dat hij nadien zekere inspanningen gedaan heeft om een normaal werkritme aan te houden. Hij is daarin echter slechts heel gedeeltelijk geslaagd en dan nog dank zij de medewerking van zijn collegae en zijn lichtere werkbelasting. Het is echter niet bewezen dat de appellant in het geheel niet meer verder zou kunnen functioneren in zijn ambt. Hij moet een laatste kans krijgen zich te herpakken. De tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege', die de Nationale Tuchtraad voorstelt, is dan ook te zwaar. De ernst van de feiten en de omstandigheid dat reeds eerder een tuchtstraf werd opgelegd, verantwoorden een zware tuchtstraf in de zin van artikel 405, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek. De wet laat niet toe een schorsing ‘voorwaardelijk' op te leggen, waarbij de appellant tijdens de proeftijd de kans zou krijgen zijn goede bedoelingen te bewijzen. Een langdurige schorsing heeft voor gevolg dat de appellant gedurende lange tijd geen enkele prestatie meer zal leveren, wat hij thans wel doet, zodat de werklast van zijn collegae ingevolge een schorsing zou toenemen. Daarenboven wordt de kans om zijn goede wil te bewijzen alleen maar uitgesteld. Een korte schorsing zou daarentegen kunnen begrepen worden alsof het Hof de feiten als niet ernstig beschouwt. In die omstandigheden komt het gepast voor de straf van inhouding van wedde gedurende het wettelijke toegelaten maximum van twee maanden op te leggen, overeenkomstig artikel 405, § 3, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Die tuchtstraf treft appellant financieel, maar laat hem toe onmiddellijk aan de slag te gaan in de opdrachten die de korpschef hem zal toewijzen, zodat hij dadelijk zijn goede bedoelingen kan waarmaken. Zijn collegae van hun kant ondervinden hiervan geen nadeel. Dictum Het Hof, verenigde kamers, Legt de appellant de tuchtstraf ‘inhouding van wedde' gedurende twee maanden op tot beloop van het maximaal toegelaten bedrag bepaald door artikel 405, § 3, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Veroordeelt de appellant in de kosten van alle instanties. Begroot de kosten voor de appellant op 325 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, verenigde kamers, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, voorzitter Christian Storck, de afdelingsvoorzitters Edward Forrier, Robert Boes en Luc Huybrechts, de raadsheren Etienne Goethals en Jean-Pierre Frère, de afdelingsvoorzitters Jean de Codt, Frédéric Close en Paul Mathieu en de raadsheer Albert Fettweis en op de openbare rechtszitting van 24 november 2009 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van Guy Dubrulle, advocaat-generaal, met bijstand van griffier-hoofd van dienst Karin Merckx. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090420.4 ECLI:BE:HBGNT:2025:ARR.20250320.1 ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.746 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171103.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div