← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.3 Rolnummer: P.08.1815.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2009-12-02 Raadplegingen: 596 - laatst gezien 2026-07-02 20:54 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De rechtsplegingsvergoeding beoogd in artikel 162bis Wetboek van Strafvordering, maakt geen deel uit van de in artikel 162 van dat wetboek bedoelde kosten. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Rechtsplegingsvergoeding Vrije woorden: Kosten bedoeld in artikel 162 Sv. - Rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 162bis Sv. - Onderscheid Fiche 2 Uit artikel 162bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat de burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard en die in het ongelijk wordt gesteld, veroordeeld zal worden tot het aan de beklaagde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, waarbij de vergoeding wordt bepaald door het vonnis, volgt dat de burgerlijke partij niet kan veroordeeld worden tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding wanneer de beklaagde naar de correctionele rechtbank werd verwezen bij beschikking van de raadkamer, ook al wordt zij geheel of gedeeltelijk in het ongelijk gesteld

(1).
(1)Cass., 11 maart 2009, AR P.08.1778.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090311.18, A.C., 2009, nr. 192. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Rechtsplegingsvergoeding Vrije woorden: Rechtsplegingsvergoeding - Burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld - Beklaagde verwezen door de raadkamer - Veroordeling van de burgerlijke partij tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding - Wettigheid Fiche 3 Krachtens artikel 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, wordt voor de toepassing van dit artikel het bedrag van de vordering vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 van het Gerechtelijk Wetboek; onder het bedrag van de vordering wordt aldus verstaan de som die in de inleidende akte wordt geëist of, indien de vordering in de loop van het geding is gewijzigd, de som die in de laatste conclusie wordt gevorderd
(1).
(1)Cass., 7 jan. 2009, AR P.08.0874.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090107.4, A.C., 2009, nr.
  1. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Uitgaven en kosten (gerechtelijk recht) - Rechtsplegingsvergoeding Vrije woorden: Rechtsplegingsvergoeding - Bedrag van de vordering Tekst van de beslissing Nr. P.08.1815.N R. G. F. S beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Johan Michielsen, advocaat bij de balie te Turnhout, tegen NATIONAAL VERBOND VAN SOCIALISTISCHE MUTUALITEITEN, met zetel te 1000 Brussel, Sint-Jansstraat 32-38, burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 12 november
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. Het arrest spreekt de eiser vrij voor de hem ten laste gelegde feiten, wat betreft de periode "tussen 31 december 2000 en 1 januari 2002", en verklaart zich niet bevoegd kennis te nemen van de tegen hem gerichte burgerlijke vordering in zoverre geënt op deze feiten. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen die beslissing, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 193 Strafwetboek en miskenning van de bewijsregels in strafzaken: de appelrechters steunen hun oordeel dat door de vervalsingen de mogelijkheid bestond tot benadeling, op algemene bekendheid of op een loutere veronderstelling.
  5. In zoverre het middel gericht is tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter, is het niet ontvankelijk.
  6. Bij ontstentenis van daartoe strekkende conclusie, dient de rechter niet aan te geven op grond van welke bepalingen van de ziektekostenreglementering hij oordeelt dat zonder het gebruik van valse stukken, de eiser geen of een geringere terugbetaling van de prestaties zou verkregen hebben.
  7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor de appelrechters heeft aangevoerd dat geen enkele bepaling van de ziekte-kostenreglementering verbiedt dat de verzamelstaten en evaluatieschalen in eigen naam ondertekend worden door iemand die, zoals de eiser, geen verpleegkundige is. In zoverre het middel aanvoert dat het oordeel van het arrest dat door de verval¬singen de mogelijkheid bestond tot benadeling, slechts op algemene bekendheid of op een loutere veronderstelling kan berusten, mist het feitelijke grondslag.
  8. Het arrest oordeelt niet alleen: "Er bestond wel degelijk de mogelijkheid tot benadeling [daar] immers door deze vervalsingen met quasi zekerheid kon beko¬men worden dat de vermelde prestaties zouden worden terugbetaald op loutere basis van die aangiftes terwijl, indien de werkelijkheid ware vermeld geweest, de terugbetalingen niet of minder waren geweest." Het oordeelt tevens dat de ver¬weerder ongetwijfeld schade heeft geleden in causaal verband met de aangenomen feiten. Aldus neemt het arrest aan dat door de vervalsingen niet alleen de mogelijkheid bestond tot benadeling maar dat er ook daadwerkelijk benadeling is geweest, en verantwoordt het wettig zijn beslissing dat de schuld van de eiser aan de hem ten laste gelegde valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken, bewezen is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  9. Voor het overige is het middel gericht tegen overtollige overwegingen. In zoverre is het middel dat niet tot cassatie kan leiden, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 193 Strafwetboek en miskenning van de bewijsregels in strafzaken: het arrest oordeelt dat de eiser de evaluatieschalen en verzamelgetuigschriften heeft vervalst door ze zelf te ondertekenen, terwijl de appelrechters die documenten nooit hebben onderzocht.
  11. Het middel vraagt een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. Het middel is niet ontvankelijk. Derde middel Eerste onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending van de artikelen 162 en 162bis Wetboek van Strafvordering: het arrest veroordeelt de eiser en de burgerlijke partij elk tot de helft van de kosten van de burgerlijke vordering, maar veroordeelt de eiser daarnaast tot het geheel van rechtsplegingsvergoeding.
  13. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de rechtsplegingsvergoeding beoogd in artikel 162bis Wetboek van Strafvordering, deel uitmaakt van de in artikel 162 bedoelde kosten, faalt het naar recht.
  14. Artikel 162bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "De burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard en die in het ongelijk wordt gesteld, zal veroordeeld worden tot het aan de beklaagde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De vergoeding wordt bepaald door het vonnis."
  15. Uit die bepaling volgt dat de burgerlijke partij niet kan veroordeeld worden tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding wanneer de beklaagde, zoals hier, naar de correctionele rechtbank werd verwezen bij beschikking van de raadkamer, ook al wordt zij geheel of gedeeltelijk in het ongelijk gesteld. In zoverre het onderdeel uitgaat van een tegengestelde rechtsopvatting, faalt het evenzeer naar recht. Tweede onderdeel
  16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 194 Grondwet, artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007: het arrest berekent de rechtsplegingsvergoeding op het door de verweerder gevorderde bedrag in plaats van op het hem toegekende bedrag.
  17. Artikel 194 Grondwet heeft geen betrekking op de bepaling van de rechtsplegingsvergoeding. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van die grondwetsbepaling, faalt het naar recht.
  18. Krachtens artikel 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van in¬werkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, wordt voor de toepassing van dit artikel het bedrag van de vordering vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 van het Gerechtelijk Wetboek. Onder het bedrag van de vordering wordt aldus verstaan de som die in de inlei¬dende akte wordt geëist of, indien de vordering in de loop van het geding is ge¬wijzigd, de som die in de laatste conclusie wordt gevorderd.
  19. De verweerder heeft hier in zijn appelconclusie een bedrag van 121.181,05 euro gevorderd, zodat het arrest hem wettig het basisbedrag van 5.000 euro toekent. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 75,93 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts, en de raadsheren Etienne Goethals, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 24 november 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210922.2F.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090107.4 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090311.18 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241030.2F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.