← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.6 Rolnummer: P.09.0944.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2009-12-02 Raadplegingen: 523 - laatst gezien 2026-07-02 20:56 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 96, § 4, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999 stelt de toelaatbaarheid van het bewijsmateriaal tot weerlegging van het vermoeden van vergunning niet afhankelijk van zijn ontstaan binnen een bepaalde termijn vanaf het oprichten van de constructie. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) - Bewijsmiddelen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Vergunning en attest GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - PROTOCOLLEN EVRM - Aanvullend protocol van 20 maart 1952 bij het EVRM - Bescherming eigendom - art. 1 Vrije woorden: Artikel 96, § 4, Stedenbouwdecreet 1999 - Constructies gebouwd na de wet van 29 maart 1962 maar vóór het definitief gewestplan - Vermoeden van vergunning - Tegenbewijs - Voorwaarden waaraan het bewijs moet voldoen - Termijn waarbinnen het bewijs is ontstaan Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) - Bewijsmiddelen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Vergunning en attest GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - PROTOCOLLEN EVRM - Aanvullend protocol van 20 maart 1952 bij het EVRM - Bescherming eigendom - art. 1 Vrije woorden: Stedenbouw - Artikel 96, § 4, Stedenbouwdecreet 1999 - Constructies gebouwd na de wet van 29 maart 1962 maar vóór het definitief gewestplan - Vermoeden van vergunning - Tegenbewijs - Voorwaarden waaraan het bewijs moet voldoen - Termijn waarbinnen het bewijs is ontstaan Fiches 3 - 4 Artikel 96, § 4, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999 vereist niet dat voor een constructie, waarvan is aangetoond dat ze gebouwd werd na de inwerkingtreding van de Stedenbouwwet, dit is op een tijdstip waarop hoe dan ook krachtens die wet een bouwvergunning vereist was, het bewijsmateriaal tot weerlegging van het vermoeden van vergunning eveneens zou vermelden dat toen reeds voor dit onroerend goed een stedenbouwkundige vergunning vereist was. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - ALLERLEI UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) - Bewijsmiddelen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Vergunning en attest GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - PROTOCOLLEN EVRM - Aanvullend protocol van 20 maart 1952 bij het EVRM - Bescherming eigendom - art. 1 Vrije woorden: Artikel 96, § 4, Stedenbouwdecreet 1999 - Constructies gebouwd na de wet van 29 maart 1962 maar vóór het definitief gewestplan - Vermoeden van vergunning - Tegenbewijs - Voorwaarden waaraan het bewijs moet voldoen - Vereiste vermeldingen Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) - Bewijsmiddelen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Vergunning en attest GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - PROTOCOLLEN EVRM - Aanvullend protocol van 20 maart 1952 bij het EVRM - Bescherming eigendom - art. 1 Vrije woorden: Stedenbouw - Artikel 96, § 4, Stedenbouwdecreet 1999 - Constructies gebouwd na de wet van 29 maart 1962 maar vóór het definitief gewestplan - Vermoeden van vergunning - Tegenbewijs - Voorwaarden waaraan het bewijs moet voldoen - Vereiste vermeldingen Fiches 5 - 6 Wanneer de betrokken persoon de gevolgen van het stedenbouwmisdrijf voor zijn eigendom betwist, inzonderheid wat de "evenredigheid" van de daaraan te verbinden "herstelmaatregel" betreft, moet deze in ieder geval worden beoordeeld in het licht van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol E.V.R.M.

(1).
(1)E.H.R.M., 29 april 2008, Brosset-Triboulet e.a. t/Frankrijk, nr. 34078/02, www.echr.coe.int; E.H.R.M., 29 april 2008 Depalle t/Frankrijk, nr. 34044/02, www.echr.coe.int. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) - Bewijsmiddelen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Vergunning en attest GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - PROTOCOLLEN EVRM - Aanvullend protocol van 20 maart 1952 bij het EVRM - Bescherming eigendom - art. 1 Vrije woorden: Betwisting omtrent het evenredig karakter van de sanctie - Beoordeling - Artikel 1, Eerste Aanvullend Protocol E.V.R.M. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) - Bewijsmiddelen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Vergunning en attest GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - PROTOCOLLEN EVRM - Aanvullend protocol van 20 maart 1952 bij het EVRM - Bescherming eigendom - art. 1 Vrije woorden: Artikel 1, Eerste Aanvullend Protocol E.V.R.M. - Stedenbouw - Herstelmaatregel - Betwisting omtrent het evenredig karakter van de sanctie - Beoordeling Fiches 7 - 8 De vrijwaring van een goede ruimtelijke ordening maakt deel uit van het algemeen belang, tot verwezenlijking waarvan de Staat, overeenkomstig artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol E.V.R.M., het recht op eigendom mag beperken en daarbij ondermeer met betrekking tot de te vorderen herstelmaatregel een beleids- en appreciatiebevoegdheid vermag toe te vertrouwen aan het bestuur, waarbij evenwel krachtens voormeld artikel 1 tussen de betrokken algemene en particuliere belangen een rechtmatig evenwicht moet worden geëerbiedigd
(1).
(1)Zie Cass., 24 nov. 2009, AR P.09.0278.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.4, A.C., 2009, nr. ... Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) - Bewijsmiddelen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Vergunning en attest GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - PROTOCOLLEN EVRM - Aanvullend protocol van 20 maart 1952 bij het EVRM - Bescherming eigendom - art. 1 Vrije woorden: Artikel 1, Eerste Aanvullend Protocol E.V.R.M. - Recht op eigendom - Beperking - Stedenbouw - Bevoegdheid van de Staat - Herstelmaatregel - Mogelijkheid om beleids- en appreciatiebevoegdheid toe te vertrouwen aan het bestuur Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) - Bewijsmiddelen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Vergunning en attest GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - PROTOCOLLEN EVRM - Aanvullend protocol van 20 maart 1952 bij het EVRM - Bescherming eigendom - art. 1 Vrije woorden: Artikel 1, Eerste Aanvullend Protocol E.V.R.M. - Recht op eigendom - Beperking - Bevoegdheid van de Staat - Mogelijkheid om beleids- en appreciatiebevoegdheid toe te vertrouwen aan het bestuur Fiche 9 Krachtens artikel 149 Stedenbouwdecreet 1999 beschikt het bevoegde bestuur over een beleids- en appreciatiebevoegdheid die de rechter moet eerbiedigen; de rechter die overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel dat besloten is in artikel 1, Eerste Aanvullend Protocol E.V.R.M. en artikel 159 Grondwet, vaststelt dat het gevorderde herstel beantwoordt aan de vereiste van een rechtmatig evenwicht tussen de goede ruimtelijke ordening en de eigendom van de betrokkene, vermag niet op grond van artikel 6 E.V.R.M. zich te mengen in het beleid van het bestuur door diens redelijk verantwoorde herstelvordering te verwerpen, alleen omdat een andere maatregel hem meer aangepast lijkt
(1).
(1)Zie Cass., 24 nov. 2009, AR P.09.0278.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.4, A.C., 2009, nr. ... Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) - Bewijsmiddelen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Vergunning en attest GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - PROTOCOLLEN EVRM - Aanvullend protocol van 20 maart 1952 bij het EVRM - Bescherming eigendom - art. 1 Vrije woorden: Bepaling van de herstelmaatregel - Beleids- en appreciatiebevoegdheid van het bestuur - Bevoegdheid van de rechter Tekst van de beslissing Nr. P.09.0944.N
  1. F. P. M. V. R beklaagde,
  2. E. P. J. F beklaagde, eisers, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen GEWESTELIJKE STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR, met kantoor te 3000 Leuven, Blijde Inkomststraat 103-105, eiser tot herstel, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 5 mei
  3. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden arrest beantwoordt niet het verweer dat uit de ratio legis van de wet en het rechtszekerheidsbeginsel volgt dat als tegenbewijs tot weerlegging van het vermoeden van artikel 96, § 4, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999, enkel de processen-verbaal die werden opgemaakt binnen de verjaringstermijn van het eigenlijke bouwmisdrijf zijn toegelaten.
  5. De appelrechters oordelen dat de eisers niet in concreto vermelden in welke zin hun recht van verdediging zou zijn geschonden door het late karakter van het proces-verbaal. Ze beantwoorden zodoende het in abstracto aangevoerde verweer. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 96, § 4, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999, alsook miskenning van het door artikel 6.2 EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld: het bestreden arrest aanvaardt ten onrechte als tegenbewijs van het vermoeden van vergunning bewijsmateriaal daterend van na de verjaring van het bouwmisdrijf en, wat het proces-verbaal van vaststelling betreft, zelfs daterend van bijna tien jaar na de aankoop van de kwestieuze chalet.
  7. Artikel 96, § 4, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999 stelt de toelaatbaarheid van het bewijsmateriaal tot weerlegging van het vermoeden van vergunning niet afhankelijk van zijn ontstaan binnen een bepaalde termijn vanaf het oprichten van de constructie. De enkele omstandigheid dat dit bewijsmateriaal wordt toegelaten ofschoon het dateert van na de verjaring van het bouwmisdrijf of geruime tijd na de verwerving van het onroerend goed, houdt geen miskenning in van het vermoeden van onschuld. Het onderdeel faalt naar recht. Derde onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 96, § 4, tweede lid, en 137, § 1, Stedenbouwdecreet 1999, alsook artikel 6.2 EVRM: de vermelding in de notariële akte van aankoop dat er voor het kwestieuze onroerend goed geen vergunning noch een stedenbouwkundig attest werd afgeleverd, betekent niet noodzakelijk dat op het ogenblik van de oprichting van dit goed daarvoor een vergunning was vereist; bij afwezigheid van vermeldingen dienaangaande zoals vereist door voormeld artikel 96, § 4, tweede lid, vermochten de appelrechters uit die notariële akte niet het bewijs van een bouwovertreding af te leiden.
  9. Artikel 96, § 4, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999 vereist niet dat voor een constructie waarvan is aangetoond dat ze gebouwd werd na de inwerkingtreding van de Stedenbouwwet, dit is op een tijdstip waarop hoe dan ook krachtens die wet een bouwvergunning vereist was, het bewijsmateriaal tot weerlegging van het vermoeden van vergunning eveneens zou vermelden dat toen reeds voor dit onroerend goed een stedenbouwkundige vergunning vereist was. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  10. In de door hen vastgestelde context dat op het tijdstip dat het onroerend goed gebouwd werd, de Stedenbouwwet reeds toepasselijk was, vermochten de appelrechters uit de vermeldingen van de notariële akte die zij aanhalen, wettig afleiden, dat het bewijs van een bouwovertreding geleverd wordt. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters beantwoorden niet eisers verweer dat de door hen vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn eveneens de wettigheid van de gevorderde herstelmaatregel aantast.
  12. Met betrekking tot de herstelvordering verwijzen de appelrechters naar de noodzaak van een goede ruimtelijke ordening, de bijzondere bestemming van het betrokken gebied, de daaruit volgende beperkte herstelmogelijkheden, alsook naar de hieraan ondergeschikte belangen van de eisers. Zij beantwoorden aldus hun verweer met betrekking tot het onwettig karakter van de herstelvordering, zonder dat zij daarbij de overschrijding van de redelijke termijn, dat enkel als argument voor dit verweer werd aangevoerd zonder een afzonderlijk middel te vormen, in het bijzonder moeten beantwoorden. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden arrest antwoordt niet op het verweer van de eisers waarin het tijdsverloop tussen de oprichting van de chalet en het eerste proces-verbaal van overtreding in verband werd gebracht met de vereisten van de goede ruimtelijke ordening, als wettigheidsvoorwaarde voor de gevorderde herstelmaatregel.
  14. Het onderdeel is geheel afgeleid uit het vergeefs aangevoerde eerste onderdeel. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 159 Grondwet, artikel 149, in het bijzonder § 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999, alsook miskenning van het evenredigheidsbeginsel: de appelrechters weigeren het gevorderde herstel in de oorspronkelijke staat te vervangen door een meerwaarde op grond van een onwettige ontkenning van elk strafrechtelijk karakter van het herstel in de oorspronkelijke staat, van een onwettige beperking van de keuze van de op te leggen herstelmaatregel tot een loutere beleids- of opportuniteitsbeoordeling van de overheid, en op grond van een onwettige beperking van de evenredigheidstoets aan motieven van ruimtelijke ordening alleen, zonder na te gaan of de last die voor de eisers uit het door de overheid gekozen herstel voortvloeit, evenredig is met de concrete aard van de inbreuk, met de concrete omvang van de aantasting van de goede ruimtelijke ordening en met de impact van het herstel op de ruimtelijke ordening.
  16. De omstandigheid dat het herstel in de oorspronkelijke staat een "straf" is in de zin van artikel 6 EVRM heeft tot gevolg dat de waarborgen van deze verdragsbepaling, zoals de eerbiediging van de redelijke termijn, moeten worden in acht genomen. Wanneer de betrokkene evenwel de gevolgen van het stedenbouwmisdrijf voor zijn eigendom betwist, inzonderheid wat de "evenredigheid" van de daaraan te verbinden "herstelmaatregel" betreft, moet deze in ieder geval worden beoordeeld in het licht van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM.
  17. De vrijwaring van een goede ruimtelijke ordening maakt deel uit van het algemeen belang, tot verwezenlijking waarvan de Staat overeenkomstig voormeld artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, het recht op eigendom mag beperken en daarbij onder meer met betrekking tot de te vorderen herstelmaatregel een beleids- en apprecietiebevoegdheid vermag toe te vertouwen aan het bestuur. Daarbij moet evenwel krachtens voormeld artikel 1 tussen de betrokken algemene en particuliere belangen een rechtmatig evenwicht worden geëerbiedigd.
  18. Krachtens artikel 149 Stedenbouwdecreet 1999 beschikt het bevoegde bestuur aldus over een beleids- en appreciatiebevoegdheid die de rechter moet eerbiedigen. De rechter die overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel dat besloten is in artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en artikel 159 Grondwet, vaststelt dat het gevorderde herstel beantwoordt aan de vereiste van een rechtmatig evenwicht tussen de goede ruimtelijke ordening en de eigendom van de betrokkene, vermag niet op grond van artikel 6 EVRM zich te mengen in het beleid van het bestuur door diens redelijk verantwoorde herstelvordering te verwerpen, alleen omdat een andere maatregel hem meer aangepast lijkt.
  19. De appelrechters oordelen: "Naast het herstel in de oorspronkelijke toestand, zoals gevorderd door het bestuur, is er inzake enkel de maatregel van de meerwaarde als alternatief. Door deze zal echter de goede ruimtelijke ordening niet worden hersteld zoals beoogd door de huidige gevorderde herstelmaatregel. (...). [Het betreft immers] niet regulariseerbare inbreuken in een natuurgebied. Het belang dat de gevolgen van het herstel voor de [eisers] kan hebben, doet geen afbreuk aan de interne wettigheid van de herstelvordering. (...).Ten onrechte minimaliseren de [eisers] de effecten van het te geven bevel tot herstel voor het betrokken gebied." Met die redenen toetsen de appelrechters de gevorderde maatregel niet alleen aan de vereisten van de goede ruimtelijke ordening, maar stellen zij ook vast dat de last die voor de eisers uit het herstel voortvloeit, evenredig is met de concrete aard van de inbreuk, met de concrete omvang van de aantasting van de goede ruimtelijke ordening en met de impact van het herstel op de ruimtelijke ordening. Zodoende verrichten zij een volledige evenredigheidstoets conform artikel 159 Grondwet en artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en verantwoorden zij hun beslissing dat het gevorderde herstel wettig is, naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van beslissing op de strafvordering
  20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten. Begroot de kosten op 52,34 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts, en de raadsheren Etienne Goethals, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 24 november 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Conny Van de Mergel. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091124.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.