id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091126.13 Rolnummer: C.08.0377.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-12-15 Raadplegingen: 1077 - laatst gezien 2026-07-02 20:51 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091126.13 Fiche 1 De benadeelde, die door de verzekering over een eigen recht tegen de verzekeraar beschikt, kan aldus zijn vordering tot het verkrijgen van schadevergoeding instellen hetzij tegen de verzekerde of diens verzekeraar afzonderlijk, hetzij tegen beiden gezamenlijk; in dit laatste geval zijn de verzekerde en zijn verzekeraar bij een vastgestelde aansprakelijkheid in solidum gehouden de benadeelde te vergoeden
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Aansprakelijkheidsverzekering Vrije woorden: Vordering tot het verkrijgen van schadevergoeding - Wijze van instellen van de vordering tegen de verzekerde en/of diens verzekeraar - Eerder gewezen vonnis Wettelijke bepalingen: Wet - 25-06-1992 - Art. 89, § 1, eerste lid Fiches 3 - 4 Conclusie van advocaat-generaal m.o. VAN INGELGEM. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LANDVERZEKERING UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Aansprakelijkheidsverzekering Vrije woorden: Eigen recht van de benadeelde tegen de verzekeraar - Vordering tot het verkrijgen van schadevergoeding - Wijze van instellen van de vordering tegen de verzekerde en/of diens verzekeraar Vordering tot het verkrijgen van schadevergoeding - Wijze van instellen van de vordering tegen de verzekerde en/of diens verzekeraar - Eerder gewezen vonnis Tekst van de beslissing Nr. C.08.0377.N T. F., eiser, vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 523, waar de eiser woonplaats kiest, tegen 1. GEMEENTE RIJKEVORSEL, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met zetel te 2310 Rijkevorsel, Molenstraat 5, 2. ETHIAS DROIT COMMUN, onderlinge verzekeringsvereniging, met zetel te 4000 Luik, rue des Croisiers, verweersters, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweersters woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis, op 14 september 2007, in hoger beroep gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 23 tot 27 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1319, 1320, 1348, 1349, 1350, 1352 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 89 en, voor zoveel als nodig, de artikelen 79 en 86 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst. Aangevochten beslissingen De appelrechters verklaren het hoger beroep van eiser ongegrond op grond van, onder meer, de volgende motieven: "5.4.1. Tegenwerpbaarheid van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 11 juni 2004 (De eerste verweerster) en (de tweede verweerster) argumenteren dat bij toepassing van de bepalingen van artikel 89 wet landverzekeringsovereenkomst het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout, zetelend in graad van beroep, van 11 juni 2004 (de eiser) tegenwerpbaar is zodat de vordering van (de eiser) opzichtens (de eerste verweerster) ongegrond dient verklaard. Artikel 89 wet landverzekeringsovereenkomst stelt in zijn eerste paragraaf : Een vonnis kan aan de verzekeraar, aan de verzekerde of aan de benadeelde slechts worden tegengeworpen, indien zij in het geding partij zijn geweest of daarin zijn geroepen. Niettemin kan het vonnis dat in een geschil tussen de benadeelde en de verzekerde is gewezen, worden tegengeworpen aan de verzekeraar indien vaststaat dat deze laatste in feite de leiding van het geding op zich heeft genomen. Huidige procedure betreft de tweede procedure die door (de eiser) opgestart wordt naar aanleiding van de val die hij maakte met zijn fiets te Rijkevorsel op 12 juni 2000. In de eerste procedure vorderde (de eiser) vergoeding vanwege het Vlaams Gewest en vanwege (de tweede verweerster), in haar hoedanigheid van BA-verzekeraar van (de eerste verweerster). (De eiser) deed hierbij beroep op de bepalingen van artikel 86 wet landverzekeringsovereenkomst en bracht rechtstreekse vordering uit lastens (de tweede verweerster). In de huidige procedure vordert (de eiser) vergoeding vanwege (de eerste verweerster) zelf. (De tweede verweerster) is vrijwillig in de procedure tussengekomen, doch (de eiser) oefent geen vorderingsrecht uit in huidige procedure lastens (de tweede verweerster). 1. (De eiser) stelt dat een vonnis slechts kan tegengeworpen worden aan de betrokkenen indien zowel diegene die zich op het vonnis beroept als diegene aan wie het wordt tegengeworpen partij geweest zijn in het geding. (De eiser) is hoofdeiser in beide procedures met betrekking tot de val met de fiets op 11 juni 2000 te Rijkevorsel. Hij is aldus partij in beide gedingen. In de eerste procedure richtte (de eiser) zijn vordering opzichtens (de tweede verweerster) in haar hoedanigheid van BA-verzekeraar van (de eerste verweerster). Op grond van artikel 79, §2, wet landverzekeringsovereenkomst is de verzekeraar verplicht zich achter zijn verzekerde te stellen binnen de grenzen van de dekking vanaf het ogenblik dat hij tot het geven van dekking gehouden is en voor zover die wordt ingeroepen (COLLE, Ph., Bijzonder gereglementeerde verzekeringscontracten in hoofdlijnen, Maklu, 2001, 280). (De eerste verweerster) als dusdanig was geen procespartij in de eerste procedure. De memorie van toelichting bij het wetsontwerp op de landverzekeringsovereenkomst van 23 april 1991 stelt met betrekking tot de eerste paragraaf van artikel 89: Het eerste lid regelt de wijze waarop een vonnis kan worden tegengeworpen aan elk van de betrokken partijen: verzekeraar, verzekerde, benadeelde. De wet legt dan ook geen cumulatieve vereiste op zoals (de eiser) voorhoudt. 2. Artikel 89, §1, tweede lid, wet landverzekeringsovereenkomst is een gevolg van het recht van de verzekeraar om op grond van artikel 79, tweede lid, wet landverzekeringsovereenkomst in de plaats van de verzekerde de vordering van de benadeelde te bestrijden, in de mate dat zijn belangen samenvallen met die van de verzekerde. Deze bepaling doet aldus geen afbreuk aan de algemene regel dat een vonnis tegenwerpbaar is aan iedere partij die in het geding betrokken was. 3. De overige paragrafen van artikel 89 wet landverzekeringsovereenkomst regelen de mogelijkheden voor partijen om in een geding tussen te komen of betrokken te worden. Een dergelijke effectieve tussenkomst in de procedure op een van de wijzen zoals voorzien in de paragrafen twee tot en met vijf van artikel 89 wet landverzekeringsovereenkomst is niet vereist om te kunnen spreken over tegenwerpbaarheid. In tegenstelling tot hetgeen (de eiser) voorhoudt kan uit deze bepalingen niet afgeleid worden dat er minstens sprake moet zijn van twee partijen om te spreken van tegenwerpbaarheid. 4. Een essentieel criterium ter zake betreft tegen wie de tegenwerpbaarheid van een vonnis wordt ingeroepen. (De eerste verweerster) en (de tweede verweerster) voeren terecht de tegenwerpbaarheid aan tegen (de eiser). (De eiser) was eisende partij in de voorgaande procedure lastens (de tweede verweerster) en is eisende partij in de huidige procedure lastens de verzekerde van (de tweede verweerster), (de eerste verweerster). (De eiser) voerde reeds procedure omtrent de verantwoordelijkheid van (de eerste verweerster) voor het schadegeval waarvan hij op 11 juni 2000 het slachtoffer geworden is, zij het dat hij zijn vordering in de eerst procedure richtte opzichtens de B.A.- verzekeraar van (de eerste verweerster) en niet opzichtens (de eerste verweerster) zelf. Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout, zetelend in graad van beroep, van 11 juni 2004, werd op definitieve wijze beslist dat (de eerste verweerster) geen aansprakelijkheid treft met betrekking tot het kwestieus schadegeval. Thans kan (de eiser) niet opnieuw hetzelfde geding voeren, zij het tegen de gemeente zelf vermits (de eiser) gedingvoerende partij was in de voorgaande procedure die hem perfect tegenwerpbaar is. Door aan de voeren dat (de eerste verweerster) de tegenwerpbaarheid van het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout, zetelend in graad van beroep, van 11 juni 2004, aan (de eiser) niet kan opwerpen omdat (de eerste verweerster) als dusdanig geen gedingvoerende partij betrof in de vorige procedure, voegt (de eiser) een voorwaarde toe aan de bepalingen van artikel 89 wet landverzekeringsovereenkomst die hierin niet is voorzien. 5.4.2. Verhouding artikel 86 en artikel 89 wet landverzekeringsovereenkomst. (De eiser) merkt terecht op dat het rechtstreeks vorderingsrecht van de benadeelde opzichtens de aansprakelijkheidsverzekeraar zoals bepaald bij artikel 86 wet landverzekeringsovereenkomst het oorspronkelijk vorderingsrecht opzichtens de aansprakelijke ongemoeid gelaten heeft. De benadeelde is in principe vrij om te kiezen tussen één van beide vorderingsrechten. Tevens kan de benadeelde beide vorderingsrechten samen uitoefenen in één en hetzelfde geding, waarbij de benadeelde éénzelfde vergoeding kan vorderen van de aansprakelijke en diens verzekeraar. Dit doet echter geen afbreuk aan het gegeven van de tegenwerpbaarheid van een tussengekomen beslissing bij toepassing van de bepalingen van artikel 89 Wet Landverzekeringsovereenkomst tegen de partij(
- en)betrokken bij het geding waaruit het vonnis voortkomt. 5.4.3. Draagwijdte van de tegenwerpbaarheid 1. (De eerste verweerster) en (de tweede verweerster) werpen de tegenwerpbaarheid op tegen (de eiser), gedingvoerende partij in de beide procedures. De tegenwerpbaarheid wordt door (de eerste verweerster) en (de tweede verweerster) niet opgeworpen tegen derden. (De eiser) kan in deze nooit aanzien worden als een derde vermits hij hoofdeiser betreft in beide procedures. 2. In de eerste procedure werd de grond van de zaak behandeld. De vordering van (de eiser) werd afgewezen onder de overwegingen dat deze faalde de oorzaak van het schadegeval te bewijzen zodat noch (de eerste verweerster) noch het Vlaams Gewest aansprakelijk konden worden geacht. Het is niet zo dat de eerste procedure gestruikeld is over het rechtstreeks vorderingsrecht van (de eiser) opzichtens (de tweede verweerster) hetgeen eventueel een procedure lastens haar verzekerde, (de eerste verweerster), zou rechtvaardigen. (De eiser) haalt voorts een aantal voorbeelden aan van vonnissen met uiteenlopende uitspraken ten opzichte van verzekerde en verzekeraar. In casu handelt het echter over procedures waarin in eerste aanleg benadeelde, verzekerde en verzekeraar partij betreffen en waarbij enkel verzekerde of verzekeraar beroep aantekent, met hervorming in graad van beroep van het eerste vonnis. Deze argumentatie is ter zake niet relevant. 4. (De eerste verweerster) en (de tweede verweerster) betreffen onderscheiden procespartijen. (De eiser) houdt voor dat, vermits beiden vertegenwoordigd worden door één en dezelfde raadsman, het uitgesloten is dat zij elk hun eigen belangen laten gelden. (De eiser) leidt hieruit af dat vermits (de tweede verweerster) enkel de pecuniaire gevolgen van het schadegeval voor ogen zou hebben, dit (de eerste verweerster) mogelijkerwijze zou beletten haar aansprakelijkheid te erkennen, of toch minstens niet langer te betwisten. Deze argumentatie wordt door niets onderbouwd en staat in tegenspraak met de eigen houding van (de eiser) die de eerste procedure opgestart heeft lastens (de tweede verweerster). (De eiser) had de mogelijkheid om in het kader van de eerste procedure zijn vordering te richten opzichtens ofwel (de eerste verweerster) ofwel diens verzekeraar (de tweede verweerster) ofwel beide samen. 5.4.4. Kortom (De eiser) is hoofdeiser in beide procedures. Het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout, zetelend in graad van beroep, van 11 juni 2004, is hem tegenstelbaar. Gelet op het gegeven dat in de vorige procedure werd geoordeeld dat niet bewezen is dat (de eiser) gevallen is ingevolge de put in het fietspad, dient (de eiser) zich in huidige procedure hierbij neer te leggen wanneer (de eerste verweerster) de tegenstelbaarheid van het vonnis opwerpt. De vordering van (de eiser) opzichtens (de eerste verweerster) is derhalve ongegrond. Het vonnis van de eerste rechter wordt bevestigd". Grieven 1. Luidens artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek strekt het gezag van gewijsde zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Het gezag van gewijsde verhindert dat een geding met eenzelfde gevorderde zaak, berustend op eenzelfde oorzaak en bestaand tussen dezelfde partijen door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid zou worden overgedaan. De exceptie van het gewijsde is betrekkelijk en kan slechts tussen de partijen bij het betrokken geding worden opgeworpen. De exceptie van het rechterlijk gewijsde van een beslissing kan dus niet worden ingeroepen door een derde die geen partij was bij die beslissing en evenmin tegen zulk een derde. 2. Dit belet evenwel niet dat de beslissing ook bewijskracht heeft ten aanzien van derden, onder voorbehoud van de rechtsmiddelen die de wet hun toekent, zoals het derdenverzet. Een eerder gewezen rechterlijke uitspraak maakt jegens derden een feitelijk vermoeden uit. Wanneer een beslissing wordt ingeroepen door een derde tegen een procespartij, kan de derde zich niet op het gezag van gewijsde beroepen maar geldt de beslissing als een weerlegbaar rechtsfeit dat door de procespartij kan worden betwist. 3. Luidens artikel 89, §1, lid 1, van de wet op de landverzekeringsovereenkomst (hierna: WLVO), kan een vonnis aan de verzekeraar, aan de verzekerde of aan de benadeelde slechts worden tegengeworpen, indien zij in het geding partij zijn geweest of daarin zijn geroepen. Artikel 89, §1, lid 2, WLVO voorziet in een uitzondering hierop en wijkt af van de hiervoor uiteengezette gemeenrechtelijke regels inzake gezag van gewijsde door te bepalen dat het vonnis gewezen tussen alleen maar de verzekerde en de benadeelde toch aan de BA-verzekeraar (die geen procespartij was) kan worden tegengeworpen, indien vaststaat dat hij in feite de leiding van het geding op zich heeft genomen. Door te bepalen dat een vonnis aan de verzekeraar, aan de verzekerde of aan de benadeelde slechts kan worden tegengeworpen, indien zij in het geding partij zijn geweest of daarin zijn geroepen, heeft artikel 89, §1, lid 1, WLVO niet tot bedoeling afbreuk te doen aan de gemeenrechtelijke regels inzake gezag van gewijsde en meer bepaald aan de fundamentele vereiste dat enkel tussen partijen de exceptie van gewijsde kan worden ingeroepen. De strekking van artikel 89, §1, lid 1, is derhalve niet om aan derden die geen procespartij waren toe te laten zich te beroepen op het gezag van gewijsde van een beslissing gewezen in een geding waarin verzekeraar, verzekerde of benadeelde partij waren. Alleen een procespartij (met inbegrip van een persoon die in het proces werd geroepen) kan de beslissing tegenwerpen aan een verzekeraar, verzekerde of benadeelde overeenkomstig artikel 89, §1, lid 1. Ten aanzien van derden die geen procespartij waren, kan een vonnis gewezen tegen een verzekeraar, verzekerde of benadeelde slechts worden ingeroepen als een weerlegbaar rechtsfeit, dat door de verzekeraar, verzekerde of benadeelde kan worden betwist. 4. Te dezen stellen de appelrechters ten eerste vast dat de eiser hoofdeiser is in twee procedures met betrekking tot het litigieuze ongeval van 12 juni 2000 te Rijkevorsel en aldus partij is in beide gedingen, zijnde het geding dat geleid heeft tot het vonnis van 11 juni 2004 (hierna "eerste procedure") en de procedure die geleid heeft tot het hier bestreden vonnis ("tweede procedure"). Ten tweede stellen de appelrechters vast dat de eerste verweerster in cassatie "als dusdanig geen procespartij was in de eerste procedure" en dat de eiser "zijn vordering in de eerste procedure richtte opzichtens de BA-verzekeraar van (de eerste verweerster) en niet opzichtens (de eerste verweerster) zelf. Ondanks de vaststelling dat de eerste verweerster geen partij was in de eerste procedure, beslissen de appelrechters in de tweede procedure dat "Thans kan (de eiser) niet opnieuw hetzelfde geding voeren, zij het tegen (de eerste verweerster) zelf vermits (de eiser) gedingvoerende partij was in de voorgaande procedure die hem perfect tegenwerpbaar is". De appelrechters beslissen dat de eiser door in conclusie aan te voeren dat de eerste verweerster de tegenwerpbaarheid van het vonnis uit de eerste procedure niet kan inroepen tegenover de eiser omdat de eerste verweerster geen partij was in de eerste procedure, een voorwaarde toevoegt aan de bepalingen van artikel 89 WLVO die hierin niet is voorzien. Door te besluiten dat, wanneer de eerste verweerster de tegenstelbaarheid van het vonnis uit de eerste procedure opwerpt, de eiser zich in huidige procedure hierbij dient "neer te leggen" en "niet opnieuw hetzelfde geding kan voeren", beslissen de appelrechters op onwettige wijze dat de eiser zich het vonnis in de eerste procedure moet laten tegenwerpen door de eerste verweerster en dus gebonden is door het gezag van gewijsde ervan. Door aldus aan een derde (de eerste verweerster) toe te laten een exceptie van gezag van rechterlijk gewijsde in te roepen tegen de eiser (benadeelde), schenden de appelrechters ten eerste de artikelen 23 tot 27 van het Gerechtelijk Wetboek. De appelrechters schenden bovendien artikel 89, bijzonder §1, lid 1, WLVO (en voor zoveel als nodig, de artikelen 79 en 86) door te beslissen dat artikel 89, §1, lid 1 niet vereist dat diegene die zich op een vonnis beroept tegen de daarin vermelde procespartijen, zelf ook partij was, zoals vereist door artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek. Doordat de appelrechters te dezen aan eiser het recht ontzeggen het door de eiser gevraagde en aangevoerde tegenbewijs te leveren tegenover een derde (de eerste verweerster) van een weerlegbaar rechtsfeit, zijnde een vonnis waarin deze derde geen procespartij was, schenden de appelrechters bovendien de artikelen 1319, 1320, 1348, 1349, 1350, 1352 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 23 tot 27 van het Gerechtelijk Wetboek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. De appelrechters hebben bij hun beoordeling geen toepassing gemaakt van de artikelen 23 tot 27 van het Gerechtelijk Wetboek en hebben derhalve die wetsbepalingen niet geschonden. In zoverre het middel de schending van die wetsbepalingen aanvoert, is het niet ontvankelijk. 2. Overeenkomstig artikel 86 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst (hierna: Wet Landverzekeringsovereenkomst) geeft de verzekering de benadeelde een eigen recht tegen de verzekeraar. Aldus kan de benadeelde zijn vordering tot het verkrijgen van schadevergoeding instellen hetzij tegen de verzekerde of diens verzekeraar afzonderlijk, hetzij tegen beiden gezamenlijk. In dit laatste geval zijn de verzekerde en de verzekeraar bij een vastgestelde aansprakelijkheid in solidum gehouden de benadeelde te vergoeden. 3. Krachtens artikel 89, §1, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst, kan een vonnis aan de verzekerde of aan de benadeelde in de regel slechts worden tegengeworpen indien zij in het geding partij zijn geweest of daarin zijn geroepen. Deze bepaling staat er evenwel niet aan in de weg dat wanneer de benadeelde zijn vordering eerst heeft ingesteld tegen de verzekeraar en die bij afwezigheid van aansprakelijkheid wordt afgewezen, de verzekerde die nadien wordt aangesproken door de benadeelde, het in het eerste geding gewezen vonnis kan tegenwerpen aan de benadeelde. Het middel dat uitgaat van het tegendeel faalt naar recht. Prejudiciële vraag 4. De eiser betrekt in zijn prejudiciële vraag die hij verzoekt te stellen aan het Grondwettelijk Hof de artikelen 23 en 27 van het Gerechtelijk Wetboek. De appelrechters hebben van deze wetsbepalingen geen toepassing gemaakt. Door zijn vraagstelling opent de eiser een juridisch debat dat niet door de bestreden beslissing is beslecht. In die omstandigheden is er geen aanleiding om de prejudiciële vraag te stellen. Dictum Het Hof Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 663,23 euro jegens de eisende partij en op de som van 141,23 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 26 november 2009 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091126.13 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091126.13 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211025.3F.2 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231027.1F.7 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240308.1F.7 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240513.3F.2 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250110.1N.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110121.5 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110121.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div