← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091130.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091130.2 Rolnummer: S.09.0019.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-12-17 Raadplegingen: 512 - laatst gezien 2026-07-03 00:11 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit artikel 19 van de Leefloonwet volgt dat de toekenning van het recht op maatschappelijke integratie afhankelijk is van de resultaten van het onderzoek van de aanvraag waaraan de aanvrager zijn medewerking moet verlenen, zodat het O.C.M.W. de toekenning van het recht op maatschappelijke integratie kan weigeren voor de periode dat het niet over de nodige elementen beschikt om het onderzoek naar de aanvraag te voeren als gevolg van een gemis aan medewerking van de aanvrager. Thesaurus CAS: MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OPENBARE CENTRA VOOR) UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIAAL RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Maatschappelijke integratie - bestaansminimum Vrije woorden: Recht op maatschappelijke integratie - Onderzoek door het O.C.M.W. - Houding van de aanvrager Wettelijke bepalingen: Wet - 26-05-2002 - Art. 19 Tekst van de beslissing Nr. S.09.0019.N K. A., eiseres, aan wie rechtsbijstand werd verleend bij beschikking van 2 februari 2009 onder nummer G.08.0233.N, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN ANTWERPEN, met zetel te 2000 Antwerpen, Lange Gasthuisstraat 32, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 november 2008 gewezen door het arbeidshof te Antwerpen. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Het verzoekschrift tot cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit; III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel

  1. Krachtens artikel 12 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, hierna Leefloonwet, heeft iedere persoon vanaf 25 jaar recht op maatschappe¬lijke integratie wanneer hij voldoet aan de in de artikelen 3 en 4 gestelde voorwaarden. Krachtens artikel 4, §1, van die wet kan er van de betrokkene worden gevergd dat hij zijn rechten laat gelden op onderhoudsgeld vanwege daartoe gehouden personen, onder meer van de descendenten in de eerste graad. Artikel 19, §1, van die wet bepaalt dat het OCMW met het oog op de toekenning van maatschappelijke integratie in de vorm van een leefloon of een tewerkstelling, een sociaal onderzoek verricht waarvoor het een beroep moet doen op maatschappelijk werkers. Krachtens artikel 19, §2, van deze wet, is de aanvrager ertoe gehouden elke voor het onderzoek van zijn aanvraag nuttige inlichting en machtiging te geven.
  2. Hieruit volgt dat de toekenning van het recht op maatschappelijke integratie af¬hankelijk is van de resultaten van het onderzoek van de aanvraag waaraan de aanvrager zijn medewerking moet verlenen. Het OCMW kan de toekenning van het recht op maatschappelijke integratie weigeren voor de periode dat het niet over de nodige elementen beschikt om het on¬derzoek naar de aanvraag te voeren als gevolg van een gemis aan medewerking van de aanvrager. In zoverre het uitgaat van het tegendeel faalt het onderdeel naar recht.
  3. Het arbeidshof overweegt dat wanneer een aanvrager nalaat duidelijke, nauwkeurige en volledige antwoorden te geven op relevante vragen van het OCMW, de vraag om leefloon kan worden afgewezen, minstens tot het ogenblik waarop de noodzakelijke informatie wordt verstrekt. Het overweegt verder dat dit in casu pas gebeurde, zij het met mondjesmaat, ter gelegenheid van een nieuw sociaal onderzoek dat plaatsgreep in de loop van september
  4. Op grond van deze reden, die de beslissing draagt, verantwoorden de appelrech¬ters hun beslissing naar recht dat de eiseres geen recht had op maatschappelijke integratie voor de periode van 13 maart 2006 tot 1 september
  5. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het oordeel van de appelrechters dat het gezin van de zoon roekeloos werd verlaten, komt het op tegen een overtollige reden en is het mitsdien niet ontvankelijk. De appelrechters oordelen niet dat geen afdoende bewijs voorhanden is dat de eiseres effectief alleen woonde, maar beslissen op andere gronden tot afwijzing van de aanvraag voor die periode. In zoverre het onderdeel van het tegendeel uitgaat, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het mitsdien feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  6. De appelrechters oordelen: - recht op leefloon ontstaat niet automatisch bij de loutere aanvraag; de aanvrager dient eerst en vooral zelf te bewijzen dat hij niet in staat is door eigen inspannin¬gen toereikende bestaansmiddelen te verwerven en, zo mogelijk, zijn onderhouds¬plichtigen aan te spreken; - het is duidelijk dat de eiseres bij de aanvraag niet de nodige, volledige informatie verschafte over haar financiële en familiale leefsituatie; - wanneer een aanvrager nalaat duidelijke, nauwkeurige en volledige antwoorden te geven op relevante vragen van het OCMW, dan kan de vraag om leefloon worden afgewezen, minstens tot het ogenblik waarop de noodzakelijke informatie wordt verstrekt; - dit gebeurde in casu pas, zij het met mondjesmaat, ter gelegenheid van het nieu¬we sociaal onderzoek dat plaatsgreep in de loop van september 2006, toen geble¬ken was dat de eiseres nog andere kinderen en een echtgenoot in Kosovo had, die al¬len eventueel onderhoudsplichtig konden zijn, en waarover tot dusver geen nadere informatie werd verschaft.
  7. De appelrechters die aldus de feitelijke gegevens vermelden waarop zij hun be¬slissing laten steunen, verwerpen de andere aangevoerde feitelijke gegevens die daarmee strijdig zijn en beantwoorden met opgave van redenen het verweer waarvan sprake in dit onderdeel. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
  8. Het arbeidshof oordeelt dat het OCMW van Antwerpen terecht eiste dat de on¬derhoudsplicht, voorgeschreven in artikel 4 van de Leefloonwet, wordt ingeroepen. Uit een onderzoek van de feiten leidt het arbeidshof aan de ene kant af dat de zoon van de eiseres voor rekening van zijn moeder haar huur van 250 euro heeft betaald tot de dag van het beroepen vonnis en zelfs nog voor een aantal maanden daarna en aan de andere kant dat hij moet geacht worden in staat te zijn tot beloop van 250 euro per maand bij te dragen in het onderhoud van zijn moeder. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat het arbeidshof oordeelt dat de eiseres van haar zoon een onderhoudsgeld ontving, berust het op een verkeerde lezing en mist het mitsdien feitelijke grondslag.
  9. Het arbeidshof veroordeelt de zoon van de eiseres niet tot het betalen van een onderhoudsbijdrage, maar onderzoekt alleen welke betalingen door de zoon zijn ge¬daan voor rekening van de eiseres en besluit daaruit op welke onderhoudsbijdrage de eiseres redelijk aanspraak kan maken als zij haar rechten zou uitputten zoals opgelegd door artikel 4, §1, van de voormelde wet. In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van de bevoegdheidsregels vervat in het Gerechtelijk Wetboek, gaat het ervan uit dat het arbeidshof zich de bevoegdheid toe-eigent van de vrederechter door zelf te oordelen over de onderhoudsplicht van de zoon K. Het gaat aldus eveneens uit van een verkeerde lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  10. Het onderdeel wordt slechts ondergeschikt aangevoerd voor zover het Hof van oordeel zou zijn dat de appelrechters vermochten het bestaan en de omvang van de onderhoudsplicht van de zoon van de eiseres vast te stellen. Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat de appelrechters niet geoordeeld hebben over de onderhoudsplicht van de zoon van de eiseres, maar dat zij alleen hebben nagegaan of de eiseres zelf de verplichting haar opgelegd door arti¬kel 4, §1, van de Leefloonwet is nagekomen. Het onderdeel vertoont dan ook geen belang en is mitsdien niet ontvankelijk. Kosten
  11. Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek dient de verweerder te worden veroordeeld in de kosten. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de verweerder in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 140,70 euro in debet jegens de eisende partij en op de som van 160,61 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 30 november 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091130.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2016:ARR.20161109.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150622.2 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150622.2 ECLI:BE:HBGNT:2026:ARR.20260602.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.