← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091208.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091208.4 Rolnummer: P.09.1097.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-12-22 Raadplegingen: 449 - laatst gezien 2026-07-02 23:25 Versie(s): Vertaling FR Fiche De artikelen 270 en 271 A.W.D.A. eisen slechts dat de in het proces-verbaal genoemde overtreders, dit zijn de personen die geverbaliseerd worden, uitgenodigd moeten worden om bij de opstelling ervan aanwezig te zijn, het te ondertekenen en er dadelijk een afschrift van te ontvangen, en in geval van afwezigheid een afschrift bij aangetekende brief te ontvangen; ze eisen niet dat alle andere in de zaak reeds opgestelde processen-verbaal aan de bekeurde worden medegedeeld. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemene wet inzake douane en accijnzen - Algemeen FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Douane - Europees recht - Communautair douanewetboek Vrije woorden: Misdrijf, fraudes of overtredingen - Proces-verbaal - Mededeling van afschrift aan de overtreders - Algemene Wet Douane en Accijnzen - Artikelen 270 en 271 Wettelijke bepalingen: Wet - 18-07-1977 - Artt. 267, 270 en 271 Tekst van de beslissing Nr. P.09.1097.N I. F. J. V. L. beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luc Willems, advocaat bij de balie te Hasselt. II.

  1. J. C. K. J. beklaagde, met als raadsman mr. Eric Pringuet, advocaat bij de balie te Gent,
  2. W. P. R. beklaagde,
  3. W. L. beklaagde, eisers. III. S. B. beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Elisabeth Bernaerts, advocaat bij de balie te Leuven. alle cassatieberoepen tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur van de douane en accijnzen te Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 41-45, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 10 juni
  4. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zeven middelen aan. De eiser II.1 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eisers II.2 en 3 voeren geen middel aan. De eiser III voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van alle cassatieberoepen
  5. Het bestreden arrest verklaart de strafvordering vervallen door verjaring, verklaart de vorderingen van de verweerder op grond van artikel 265, § 3, AWDA zonder voorwerp en verwijst de verweerder in de kosten van zijn vorderingen in beide instanties en laat de overige kosten van de strafvordering ten laste van de Staat. De eisers hebben geen belang op te komen tegen deze beslissingen. Hun cassatieberoepen zijn in zoverre niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser I
  6. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 270 en 271 AWDA en de artikelen 1315, 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Eerste onderdeel
  7. Het onderdeel betoogt dat het bestreden arrest niet, minstens niet duidelijk heeft geantwoord op eisers conclusie dat het aanvankelijk proces-verbaal van 7 maart 1996 geen basis bevat om tot eisers betrokkenheid te besluiten, daar hij in de periode van 1995 niet aanwezig was bij André Bens-Octa nv en onmogelijk kon betrokken zijn in de fraude; daar André Bens-Octa nv in het aanvankelijk proces-verbaal impliciet als dader, medeplichtige of overtreder werd geviseerd, moest het overeenkomstig artikel 270 AWDA dwingend aan hem worden betekend; verder lijkt het bestreden arrest de bewijskracht van een aanvullend proces-verbaal te miskennen hetwelk impliciet een ander proces-verbaal "weerlegt en ontkracht, minstens hiervan deel uitmaakt".
  8. In zoverre het onderdeel opkomt tegen de beoordeling van de feiten door de appelrechters of van het Hof zelf een beoordeling daarvan vraagt, waartoe het geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  9. Voor het overige beoordeelt het bestreden arrest met een omstandige redengeving dat het aanvankelijke proces-verbaal op correcte wijze aan de daarin vermelde bekeurden werd ter kennis gebracht en dat het eerste aanvullende proces-verbaal van 30 juni 1998 dat betrekking heeft op de daarin vermelde bekeurden, namelijk alle overige beklaagden, op geldige wijze ter kennis werd gebracht. Hiermede verwerpt het bestreden arrest wettig, zonder miskenning van eisers recht van verdediging en zonder schending van de bewijskracht van het aanvullende proces-verbaal, het verweer van de eiser. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  10. Het onderdeel betoogt dat de eiser bij toepassing van artikel 271 AWDA het aanvankelijke proces-verbaal van 7 maart 1996 had moeten worden toegestuurd op het ogenblik dat hem een afschrift werd toegestuurd van het proces-verbaal van 30 juni 1998 waarin hij als bekeurde werd opgenomen; het aanvullende proces-verbaal bevat immers niet de volledige weergave van de door de verweerder verrichte controles, vaststellingen en afgenomen verklaringen; hierdoor werd eisers recht van verdediging miskend.
  11. De artikelen 270 en 271 AWDA eisen slechts dat de in het proces-verbaal genoemde overtreders, dit zijn de personen die geverbaliseerd worden, uitgenodigd moeten worden om bij de opstelling ervan aanwezig te zijn, het te ondertekenen en er dadelijk een afschrift van te ontvangen, en in geval van afwezigheid een afschrift bij aangetekende brief te ontvangen. Ze eisen niet dat alle andere in de zaak reeds opgestelde processen-verbaal aan de bekeurde worden medegedeeld. Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.
  12. Verder oordeelt het bestreden arrest: "In het eerste aanvullend proces-verbaal werd expliciet verwezen naar het aanvankelijk proces-verbaal, zodat de mogelijkheid voor beklaagden bestond om inzage van dit proces-verbaal te vragen ten einde hun verdediging voor te bereiden." Met deze overweging verwerpt het bestreden arrest wettig eisers verweer betreffende de miskenning van zijn recht van verdediging. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  13. Het onderdeel merkt op dat de stukken waarnaar uitdrukkelijk in de diverse processen-verbaal en verklaringen wordt verwezen, niet werden neergelegd.
  14. Het bestreden arrest bespreekt omstandig het bewijs en overweegt onder meer: "Het feit dat de originele aankoopfacturen van de nv André-Bens Octa in een brand, die door een aanslag op het dienstgebouw van de douaneambtenaren werd veroorzaakt, werden vernietigd, heeft geen invloed op de bewijsvoering [daar] de kopie van alle boekhoudkundige documenten en stukken waarop [de verweerder] zich steunt, zich in het strafdossier bevinden (cf. stuk 906 van het strafdossier) en de verkoopfacturen van de bvba Kempenaers Brandstoffen bovendien nog voorhanden zijn." Met deze overweging verwerpt het bestreden arrest wettig eisers desbetreffende verweer. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser I
  15. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en miskenning van een niet-gepreciseerd algemeen beginsel in strafzaken.
  16. Het middel dat opkomt tegen de beoordeling van de feiten door de appelrechters of van het Hof zelf de beoordeling ervan vraagt, waartoe het geen bevoegdheid heeft, zijn niet ontvankelijk. Derde, vierde, vijfde en zesde middel van de eiser I
  17. De middelen preciseren geen wetsschending.
  18. De middelen die opkomen tegen de beoordeling van de feiten door de appelrechters of van het Hof zelf een beoordeling daarvan vragen, waartoe het geen bevoegdheid heeft, zijn niet ontvankelijk. Zevende middel van de eiser I
  19. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1315, 1319, 1320 Burgerlijk Wetboek: daar bij gebrek aan objectieve vaststellingen niet vaststaat noch zeker is dat en wanneer 370.000 liter gasolie (diesel) aan de accijnzen werden ontrokken, kon de eiser niet tot de verschuldigde belastingen worden veroordeeld.
  20. In zoverre het onderdeel opkomt tegen de beoordeling van de feiten door de appelrechters of van het Hof zelf een beoordeling daarvan vraagt, waartoe het geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  21. Daar het bestreden arrest wettig oordeelt dat het vaststaat dat de eiser als mededader 370.000 liter gasolie aan accijnzen heeft ontrokken, veroordeelt het hem wettig solidair tot het betalen van de ontdoken accijnzen en bijzondere accijnzen. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiser II.1
  22. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 6.1 EVRM en de artikelen 270, 271 en 272 AWDA: de eiser werd niet uitgenodigd aanwezig te zijn bij de opstelling van het eerste proces-verbaal van 7 maart 1996 en ontving ervan nooit een afschrift; het bestreden arrest verantwoordt derhalve zijn beslissing om de strafvordering ontvankelijk te verklaren niet naar recht.
  23. Het bestreden arrest oordeelt met een omstandige redengeving dat het aanvankelijke proces-verbaal op correcte wijze aan de daarin vermelde bekeurden werd ter kennis gebracht en dat het eerste aanvullende proces-verbaal van 30 juni 1998 dat betrekking heeft op de daarin vermelde bekeurden, namelijk alle overige beklaagden, op geldige wijze ter kennis werd gebracht.
  24. Hiermede verwerpt het bestreden arrest wettig en zonder miskenning van diens recht van verdediging eisers verweer. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser II.1
  25. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 283 AWDA: het bestreden arrest overweegt dat de civielrechtelijke vordering van de verweerder los staat van de strafvordering; hiermede schendt het bestreden arrest de duidelijke bewoordingen van artikel 283 AWDA.
  26. Het bestreden arrest oordeelt niet zoals het middel beweert. Het oordeelt: "De civielrechtelijke rechtsvordering, die door de vervolgende partij voor de strafrechter werd ingesteld vooraleer de strafvordering door verjaring was vervallen, vloeit niet voort uit het misdrijf doch vindt haar rechtstreekse grondslag in de wet die de verplichting tot het betalen van de accijnzen en bijzondere accijnzen oplegt. De strafrechter neemt aldus, los van de strafvordering kennis van deze vordering (artikel 283 van de AWDA)." Het middel dat niet de gehele redengeving bekritiseert, berust op een onvolledige of onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het middel mist feitelijke grondslag. Eerste middel van de eiser III Eerste en tweede onderdeel
  27. De onderdelen hebben dezelfde strekking als het tweede onderdeel van het eerste middel van de eiser I. Om de redenen vermeld in het antwoord daarop falen de onderdelen deels naar rechts en kunnen ze voor het overige niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  28. Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het derde onderdeel van het eerste middel van de eiser I. Om de redenen vermeld in het antwoord daarop kan het niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser III
  29. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en miskenning van "Algemeen rechtsbeginsel in strafzaken": het bestreden arrest beantwoordt slechts summier eisers verweer dat bij hem het vereiste moreel element ontbreekt.
  30. Het bestreden arrest bespreekt omstandig het bewijs van fraude en de rol van de eiser daarbij. De desbetreffende redengevingen van het bestreden arrest die verre van summier zijn, beantwoorden wettig eisers verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten. Begroot de kosten in het geheel op 311,23 euro, waarvan de eisers I en III 102,70 euro verschuldigd zijn en de eisers II 105,83 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère en Paul Maffei, en op de openbare rechtszitting van 8 december 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091208.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100928.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.