← België

ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091208.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091208.7 Rolnummer: P.09.1271.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2009-12-22 Raadplegingen: 509 - laatst gezien 2026-07-03 00:49 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Wegens de aard van zijn bevoegdheden en die van het strafgerecht, kan het openbaar ministerie de nodige maatregelen treffen met het oog op de voortzetting van de rechtspleging tot aan de voltooiing ervan en heeft de procureur-generaal bij het hof van beroep de hoedanigheid om een arrest te betekenen, zodat de regelmatige betekening ervan de gewone verzettermijn doet ingaan, zelfs wanneer alleen de burgerlijke belangen nog in het geding zijn

(1).
(1)Cass., 30 sept. 2003, AR P.02.1415.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030930.5 - P.03.0312.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030930.5, A.C., 2003, nr. 464; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, Mechelen, 2007, nr.
  1. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Burgerlijke rechtsvordering UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Openbaar ministerie - Algemeen Vrije woorden: Verstekvonnis dat enkel nog op de burgerlijke rechtsvordering uitspraak doet - Bevoegdheid van het openbaar ministerie om die beslissing te doen betekenen Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Openbaar ministerie - Algemeen Vrije woorden: Strafzaken - Burgerlijke rechtsvordering - Verstekvonnis dat enkel nog op de burgerlijke rechtsvordering uitspraak doet - Bevoegdheid van het openbaar ministerie om die beslissing te doen betekenen Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALLERLEI UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Openbaar ministerie - Algemeen Vrije woorden: Strafzaken - Burgerlijke rechtsvordering - Verstekvonnis dat enkel nog op de burgerlijke rechtsvordering uitspraak doet - Bevoegdheid van het openbaar ministerie om die beslissing te doen betekenen Tekst van de beslissing Nr. P.09.1271.N W. M.C. beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Renaat Landuyt, advocaat bij de balie te Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, Zwijnstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, ter rechtszitting bijgestaan door mr. Simon Bekaert, advocaat bij de balie te Brugge, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, voor wie optreedt de directeur van de douane en accijnzen te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Sint-Lievenslaan 27, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 25 juni
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 187, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 281, §§ 2 en 3, AWDA: de appelrechters betwisten niet dat de betekening van het verstekarrest van 19 september 2002 aan de eiser op 28 oktober 2002 op het parket van de procureur des Konings te Gent op verzoek van de administratie van douane en accijnzen niet geldig was, minstens onderzoeken zij niet of die betekening geldig was; de appelrechters konden daarenboven niet wettig oordelen dat de betekening van het verstekarrest door onverschillig welke partij de verzetstermijn ook doet lopen ten aanzien van de andere partijen.
  4. Overeenkomstig artikel 187, tweede lid, Wetboek van Strafvordering kan, wanneer de betekening van het vonnis niet aan de beklaagde in persoon is gedaan, deze, wat de veroordelingen tot straf betreft, in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen en, indien het niet blijkt dat hij daarvan kennis heeft gekregen, totdat de termijnen van verjaring van de straf verstreken zijn. Wat de burgerrechtelijke veroordelingen betreft, kan hij in verzet komen tot de tenuitvoerlegging van het vonnis. Wegens de aard van zijn bevoegdheden en die van het strafgerecht, kan het openbaar ministerie de nodige maatregelen treffen met het oog op de voortzetting van de rechtspleging tot aan de voltooiing ervan. Zo heeft de procureur-generaal bij het hof van beroep de hoedanigheid om een arrest te betekenen, zodat de regelmatige betekening ervan de gewone verzettermijn doet ingaan, zelfs wanneer alleen de burgerlijke belangen nog in het geding zijn. Het middel faalt in zoverre naar recht.
  5. Het bestreden arrest kon derhalve wettig oordelen dat de eerste betekening van het verstekarrest op 23 oktober 2002 door een gerechtsdeurwaarder ten verzoeke van het openbaar ministerie aan de eiser rechtsgeldig was en de verzettermijn deed lopen, ook wat de uitspraak op vordering van de administratie van douane en accijnzen betreft en dat een mogelijke materiële vergissing in de tweede betekening op 28 oktober 2008 niet afdoet aan de geldigheid van de eerste betekening. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen. Tweede middel
  6. Het middel voert formeel schending aan van artikel 187, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 149 Grondwet: het stelt dat de redengeving van het bestreden arrest in het antwoord op eisers verweer volledig in strijd is met de stukken waarnaar verwezen wordt, zodat de bewijskracht van die akten miskend wordt; van de verklaring van de verbalisant R. naar aanleiding van het aanvullend onderzoek wordt inderdaad een uitlegging gegeven die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met name door de datum waarop de eiser kennis heeft gekregen bewezen te verklaren, waar deze verbalisant expliciet aangeeft die datum niet te kunnen mededelen.
  7. Het bestreden arrest oordeelt dat spijts R., officier van gerechtelijke politie, niet kan mededelen op welke datum de eiser kennis heeft gekregen van de betekening en de politieinspecteur die indertijd het te betekenen stuk aan de eiser overhandigde, zich ook niets kon herinneren, de waarheid en de echtheid van de vermeldingen van het ontvangstbewijs van 25 oktober 2002 juridisch niet in het gedrang komen. Door aldus te oordelen verwerpt het bestreden arrest, zonder schending van de bewijskracht van het bedoelde stuk, wettig eisers verweer. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel
  8. Het middel voert formeel schending aan van artikel 149 Grondwet: uit het feit dat een eerder cassatieberoep van de eiser tegen het verstekarrest van 19 september 2002 ontvankelijk werd verklaard, kan het bestreden arrest geen gevolgtrekking afleiden over de mogelijkheid van verzet, daar een ontvankelijk cassatieberoep kan samengaan met een ontvankelijk verzet tegen het door het cassatieberoep bestreden verstekarrest; ingevolge het verzet verdwijnt immers het verstekarrest; integendeel, dat het eerste cassatieberoep ontvankelijk werd verklaard, lijkt in te houden dat het verstekarrest niet regelmatig betekend werd; het bestreden arrest motiveert derhalve zijn beslissing niet naar recht.
  9. Het bestreden arrest oordeelt dat in acht genomen de gegevens en vaststellingen die het vermeldt, betreffende het cassatieberoep tegen het verstekarrest komt vast te staan dat de eiser op 25 oktober 2002 kennis droeg van de betekening van het verstekarrest van 19 september
  10. Het middel dat opkomt tegen deze beoordeling van feiten door de appelrechters is niet ontvankelijk. Vierde middel
  11. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 6.3, a, c en e EVRM: zelfs als de betekening van het verstekarrest regelmatig was, heeft de Engelstalige eiser, die het Nederlands niet machtig is, er niets van verstaan; door de eiser de mogelijkheid te ontzeggen op verzet, en voor het eerst tegensprekelijk en met bijstand van een raadsman verweer te voeren, schendt het bestreden arrest deze verdragsbepalingen.
  12. Miskenning van het eerlijk proces welke men bij de rechter kon aanvoeren, kan men niet voor het eerst bij het Hof aanvoeren. Het middel is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek van de beslissing
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorge¬schreven rechts¬vormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 79,07 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Huybrechts, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère en Paul Maffei, en op de openbare rechtszitting van 8 december 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091208.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030930.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.